dinsdag 29 december 2009

Sinopisme (3)

Vandaag het derde deel van de, voorlopig, 18-delige reeks over Diogenes. Het volgende deel verschijnt op dinsdag 5 januari

Mijn moeder had een heleboel principes, en één daarvan was dat je de verjaardag van je zoon niet zonder enig misbaar en de nodige collectieve hysterie mag laten voorbijgaan. Ze stond heel vroeg op, kleedde zich warm aan, zette haar kapje op en vertrok naar de markt. Ze kwam terug met een mand vol lekkernijen, of wat zij daarvoor aanzag. Ik stoof meteen op haar af, met mijn armen recht voor me en mijn handen open, in blijde verwachting van liefdevolle knuffels en zoenen. Maar ik zag geen glimlach op haar gezicht, tot mijn verbazing, moeder zag er bleek en verschrikt uit. Haar benen en armen bewogen zich log als boomstammen door de ruimte voort. Mijn kleine handen voelden haar omklemde schoot verstijven. Voor ik kon bevroeden wat er ging gebeuren plofte ze languit op de keukenvloer, te midden van de aankopen van de dag. Een preistengel stak als een piemel vanonder haar rok uit. Ik herinner me niet meer hoe ze zo op onze vloer lag en hoe haar vlees zich obsceen en plomp voor iedereen toonde. De details van het voorval moet ik achteraf ergens gehoord hebben. Ik kan me enkel nog een opengespatte pompoen op de keukenvloer herinneren. Ze had hem van een kleine hoogte laten vallen, maar het leek of hij door een enorme kracht ontploft was. Als ik mijn ogen sluit zie ik hem tergend traag naar de grond vallen, de tegels raken en in honderdduizend stukken spatten. Ik zie ook een kleine blonde jongen schreeuwen. Ik voel de decemberkou op zijn handen en proef de tranen op zijn wangen. Moeder zelf zie ik niet, tijdens al mijn uitgebreide dagdromen. Het lijkt alsof we elkaar niet meer mogen ontmoeten, maar dat is bijgeloof.

Ik geloof niet in voortekenen, hoewel ik denk dat de natuur ons veel kan leren. De zus van mijn moeder zei dat er op mijn geboorteuur hanen kraaiden. Dat was volgens haar een slecht teken. Ik ben vroeg in de ochtend geboren. “Dat kan allemaal geen toeval zijn”, zei ze vaak. Natuurlijk kan dat wel, maar soms is het beter om als dwaas onder de dwazen mee te geloven.

Iemand belde de dokter, al weet ik niet wie, en toen die een beetje paniekerig concludeerde dat er maar beter een ambulance kon komen moet het al te laat geweest zijn. Mijn moeder overleed in haar bed nog voor er hanen konden kraaien. Een politieman belde mijn vader op om hem op de hoogte te stellen van het voorval, zoals het in de geesten van de meeste betrokkenen al snel ging heten. Ik stelde me voor hoe mijn vader zijn gsm een paar keer overging en hoe hij nors “Derde bank van Sinope” antwoordde, hoe hij de boodschap aanhoorde en de telefoon uit zijn hand op de grond liet glijden. Hoe hij minutenlang wezenloos voor zich uitstaarde en geschokt maar geluidloos huilde. Ik wist het natuurlijk niet, maar wilde graag geloven dat het zo gegaan was.

Toen hij de ouderlijke kamer, zijn slaapkamer, binnenkwam zat ik met de koude hand van mijn moeder in de mijne. Ik snikte niet, huilde noch schreeuwde. Haar hand verklamde onder mijn vingers. Ik probeerde ze warm te wrijven, omdat ik de dood niet kende.

“Dit zit goed mis”, dacht ik.

Mijn vader duwde me zachtjes opzij en knielde voor het bed waarin zijn vrouw dood lag.
Hij begroef zijn hoofd in haar schoot. Ik hoorde gedempte geluiden uit zijn keel komen. Hij streelde haar gezicht met zijn beide handen, wild en blind als een mol zonder zuurstof. De banale gezelligheid van het bruingrijze bloemetjesmotief van het behang leek me ondraaglijk abject, al heb ik maar later dat woord ervoor gevonden.

“ Mama. Papa. Kaka.”, dacht ik.

Na een vijftal minuten stond vader weer op. Hij plooide zijn gezicht weer strak, raakte mijn wang aan en zei: “Je moeder heeft erg veel van je gehouden.” Ik vroeg me af of hij daarmee bedoelde: “Ik niet.”

Hij schudde zijn hoofd en zei: “Dit is allemaal erg onfortuinlijk.”

Het was ook onfortuinlijk, maar geen normaal mens zou het ook zo zeggen. Alsof er een tabel voor fortuinlijkheid bestond en deze situatie ergens onderaan die lijst bengelde.

Hierna stapte hij in een drafje de ruimte uit om de regelingen voor de begrafenis te maken. Hij liet me alleen in de kamer achter, terwijl de ooit zo warme entiteit naast me met ontbinden begon.

De dood van mijn moeder liet me niet onberoerd. Het belang van een moeder is voor een kind, zeker een jongen, gigantisch, ook al denk ik niet dat ik verliefd op haar was, zoals een bepaald slag van klassiek geschoolde zielenknijpers graag beweert. Ik smachtte niet naar haar, maar had haar simpelweg nodig, zoals een junkie op tijd zijn portie methadon moet hebben. Als ik verliefd was op mijn moeder zou je moeten zeggen dat alle fastfoodverslaafden verliefd zijn op een hamburger, culinaire erotomanen, vastgeroest in een patroon van verslinding. Haar spenen waren voedingsbronnen en haar warmte was een warme trui voor mijn nog onvolgroeide broze ego. Maar ik kan moeilijk volhouden dat ze het doel van het leven van haar zonen in zich draagt, tenzij als je het als een reine negativiteit opvat. Opgroeien is niet-moeder-wezen.

De jeugdige intimiteit met mijn moeder, met als belangrijkste actoren haar borsten met tepels en hoven, mijn lippen en haar schoot, was een heimat waaruit ik op een bepaald moment sowieso voor altijd verbannen zou worden. Ik moet dat voorvoeld hebben. Hoe erg de dood van een moeder ook is: ik leed niet bijzonder onder die van de mijne. Misschien was ik een ongevoelig kind, of misschien was ik gewoon te jong om de concrete betekenis van dood gaan te vatten. De dood heeft de neiging om abstract te blijven tot er een vrachtwagen tegen 90 km per uur op je afstormt.

Na haar dood veranderde er ook niet zo veel in mijn leven. Mijn vader bleef een grote afwezige in mijn leven en ik werd vanaf dat moment opgevoed door een wat obees kindermeisje dat de toepasselijke naam Molly Luft droeg. Ze was zwijgzaam van nature en ze had het druk door de lasten die ze in het huishouden te vervullen had. Ik bracht mijn dagen thuis in sobere eenzaamheid door.

dinsdag 22 december 2009

Sinopisme (2)

Vandaag het tweede deel van de, voorlopig, 18-delige reeks over Diogenes. Het volgende deel verschijnt op dinsdag 29 december

Toen ik geboren werd waren er in totaal drie mensen aanwezig in de slaapkamer van mijn ouders. Die mensen waren, in volgorde van belangrijkheid: de moeder, de vader en de heilige wetenschap. De dokter, die als instrument zijn macht deed gelden, had lange ijzeren klauwen die in de moeder verdwenen. Ze schreeuwde en haar vliezen spleten. Ik stuiterde, geleid door een bruinrode vloed, de vloer op. Het was een koude gladde plek waar ik de eerste winter van mijn tevredenheid beleefde. Het licht sneed als een zwaard door mijn rimpelige voorhoofd en trof er niets van enige waarde aan. Ik vroeg me af wie het nodig vond om me zo te storen, zwemmend in mijn gelukzalige zak, als een goudvis met slechts vage toekomstplannen. De vader leek het niet te kunnen schelen, want hij keek de hele tijd de andere kant uit. Ik vroeg me af of de andere aanwezigen ook uit mijn moeder waren gesprongen en ik dacht, “die vrouw heeft vast heel veel geleden.”

Mijn vader was een bankier. Hij had de forse statuur van een man van grote zaken, die zich in strakke pakken hulde. Hij had borstelige wenkbrauwen die als kronen op zijn strenge gezicht stonden. Zijn kaaklijn was een geometrische curve die scherp afstak tegen de fractale aard van de organische natuur en hij voelde zich dan ook het beste thuis in de stad, hoewel hij ook daar altijd een wat vreemd element bleef. Hij sprak niet veel, maar wanneer hij iets zei was het luid, klaar en duidelijk uitgesproken. De meeste van zijn werknemers waren bang voor hem, maar dat is niet zo vreemd, aangezien de meeste mensen angsthazen zijn. Desondanks gaf hij nooit een echte reden om hem te vrezen. Hij sloeg niet, sprak geen openlijke waardeoordelen uit en werd nooit kwaad. Zijn gezicht leek wel een masker uit een tragedie van Aeschylos. Hij was één van die mannen die van nature, zonder er moeite voor te doen, vrees en respect inboezemen. Je hebt zo van die heren.
Hij was, wat de kleuter Diogenes betreft, de belichaming van een metafysische angst, van een vrees groter dan de naakte fenomenen kunnen rechtvaardigen.

Hij was natuurlijk een oneindig groot fenomeen en tevens de enige man die ik ooit als mijn meerdere heb beschouwd. Hij boog zich voorover om in mijn wangen te knijpen, met vingers dik als worsten. Zijn ogen waren als enge meren in een wolkenloze nacht.

Ik heb mijn vader maar één keer emotie zien tonen, en die erg unieke gebeurtenis duurde hooguit enkele seconden. Hij was meer berekenend dan de meeste computers dat zijn. Hij had charisma, zo zei men, maar ik betwijfel dat. Je zou denken dat een man met charisma wel meer bereikt zou hebben dan mijn vader. Hij was een kleine zelfstandige, klein maar volhardend, met een handelszaak die door haar taaiheid uitblonk. Hij was dus succesvol in de wereld, maar hij was geen leider. Thuis was hij een loser, een ondergeschikte in een altijd aan zijn greep ontsnappend domein. Hij was hulpeloos, daar, als een man van vlas.

Mijn moeder was heel anders. Ze was een beetje klein, enorm corpulent en lachte altijd. Wanneer de zon scheen bakte ze een taart. Als het slecht weer was bakte ze een cake. “Want dat is winterser”, zoals ze zelf beweerde. Ze was lief en emotioneel intelligent en het lijkt wel of ik de helft of meer van mijn kleutertijd op haar schoot doorbracht. Haar natuurlijke disposities leken tegenovergesteld aan de ijzige norsheid van mijn strenge zakelijke vader, ze was van nature warm, spontaan en de hartelijkheid zelf.

Ze hield niet van zigeuners, maar dat kon je haar niet verwijten, want niemand in Sinope hield van zigeuners. Ze kregen vaak het zwaar verdachte etiket van ‘artiesten’ opgespeld, als grootst mogelijke verhoning van de burgerij.

Mijn vader en moeder verwijlden als tegenpolen in de kleine ruimte van ons huis. Ze stuiterden, als echte elektrische ladingen, alle kanten uit. Het was niet dat ze vochten met elkaar, maar ik denk niet dat ik ze ooit rechtstreeks tegen elkaar heb zien spreken. Ze waren gewoonweg heel verschillende mensen, die zichzelf van elkaar wegkatapulteerden zonder dat bewust te willen. Toch denk ik dat ze een goed huwelijk hadden, en dat ze misschien zelfs gelukkig waren. Maar dat weet ik niet zeker, want geluk kan zonder pottenkijkers, en ze beleefden de liefde die ze hadden binnen de muren van hun eigen gedachten.

Op de feestdag van mijn zesde jaar kreeg mijn moeder plots hoge koorts.

dinsdag 15 december 2009

Sinopisme (1)

Vandaag het eerste deel van de ,voorlopig, 18-delige reeks over Diogenes. Het volgende deel verschijnt op dinsdag 22 december.

Niet ver van me hangt er een dode imker in de bomen. De bijen zijn aan hun lot overgelaten. De nacht is blauw en geurt naar vuur. Oorlog verscheurt de wereld en ik kan niet meer in de goedheid van mezelf of van anderen geloven. Mijn organisme, een vervelende darmendoolhof onder leiding van een dictatoriale bloemkool, vindt honger blijkbaar belangrijker dan die factoren aan mijn lichaamsrand. Mijn maag knort.

In het begin was er niets. Tien milliseconden later was er wel iets. Het probleem was dat het niet zo veel voorstelde. Waar de leegte verdwijnt komt de redundantie om de hoek piepen. De constructie begon toen het systeem zichzelf tijdens de daaropvolgende minuten tot schepper promoveerde. Het geheel bruiste van de energie en de lege futiele dagen van het begin werden al snel volle futiele dagen. Ergens niet ver van het einde kwam ik even in het spel. Op het einde zal het verslindende vuur mijn geringe belang en al wat verder ook was tot niets reduceren.

Ik heb geprobeerd om een sluitende fictie voor de wereld te bedenken. Ik heb geprobeerd om mijn eigen narratieve systeem op te bouwen. Voor elke wortel zag ik ‘de Wortel volgens Diogenes, dramatisch personage’. Als ik over een misdaad las of hoorde, haar beging of ervoor wou vluchten probeerde ik om niet aan anderen te denken. Ik negeerde hun smekende gelaten of dreigende blikken en kaderde alles in mijn eigen mogelijkheden en psychofysieke verboden. Mijn wereldbeeld was mijn private sleutelroman. Mijn project betekende het failliet van een collectieve onderneming, een vlucht van het monster met de 12 miljard armen. Er ontstond een singuliere waarheid, een preek, een biecht, een vlucht misschien.

Dat alles betekent dat ik ongegeneerd in een volle lift op de vloer kon schijten, in een ton kon wonen en mezelf en plein public op de markt kon bevredigen. Wat ik deed was waar, binnen de prozaïsche waarheid die ik aan mezelf doorvertelde. Saaiheid is het enige gevaar dat een verhaal echt kan bedreigen.

Mensen willen geen menselijkheid zien, ze willen door de profeet aan te raken perfectie op hun vingers proeven. Een mindere smaak willen ze niet bewonderen. Ik werd bewonderd omdat ik het gepeupel niet als mensen beschouwde. Als het bestaan een roman is dan zijn alle mensen personages, en worden ze irrelevant voor zover ze niet in het verhaal passen. Ze hebben mij daardoor ten onrechte als een hoger wezen bestempeld. Ze hebben me ook beschimpt.

Maar dat is uiteindelijk allemaal onzin, ik ben niet superieur of inferieur, ik ben een filosoof, geen wijze. Een filosoof is niet hoog of laag. Hij schrijft.

Vandaag lijkt alles in brand te staan. Athene, de villa van mijn oude meester, het huis van mijn vader, talloze gebouwen uit ver en vluchtig vervlogen jaren. Ze hebben mijn jeugd met benzeen besprenkeld en er dan lucifers op geworpen. De huizen van honderdduizenden roetzwarte anonieme gezichten werden met brandend fosfor bespuwd. Het verhaal begint af te brokkelen. Ik weet niet meer in welke genre ik het zou moeten onderbrengen. Het ontsnapt aan mijn drang tot classificeren.

De taal en de verhalen stoppen waar de uiteengereten lijken beginnen. Geweld begint waar woorden eindigen. De aanschouwing van gruwel is de grens van mijn taal en het begin van het universele.

De minst universele gebeurtenis van mijn leven was mijn geboorte, aangezien er maar twee personen direct bij betrokken waren en één ervan niet eens geboren werd. Laten we daar dan ook maar beginnen.

zondag 25 oktober 2009

Geen last meer van netelroos dankzij eenvoudige natuurlijke methode.



Wij van De Laatste Cynicus BVBA (Bedrijvigheid voor Behoeftige Armen) geven om onze lezers. Daarom, en enkel daarom, stellen wij een paar van de meest frequente problemen van bloggers wereldwijd aan de kaak en suggereren er eenvoudige natuurlijke oplossingen voor. Vandaag: netelroos.

Heeft u wel eens last van dof, saai en ronduit weerbarstig haar? Zit u samen met uw haardos soms urenlang in rokerige conferentiezalen en/of onverlichte kamers? Bent u niet blank en trekt uw haar sowieso op geen kloten? Ondervindt u hier de kwalijke gevolgen van? Misschien is de gepatenteerde Unchihoed (zie bovenstaand fotografon) van De Laatste Cynicus BVBA dan wel iets voor u!

De Unchihoed komt rechtstreeks uit Japan overgewaaid (niet letterlijk, vervoer gaat per vliegtuig) en maakt hier heel wat furo! Re! Door de Unchihoed enkele uren per dag te dragen kunt u al uw haarproblemen (behalve kaalheid, broze haarwortels, verkleuringen en vettigheid) in één klap aanpakken. Weg met al die dure conditioners en supplementen! Weg met uren in de file staan omdat u een vervelende maar goedbetaalde job in de hoofdstad hebt (heeft natuurlijk niets met de Unchihoed te maken, maar weg ermee)!

De unchihoed is niet goedkoop! Koop hem nu voor geen korting! Steek uw buren de ogen uit!

Unchi. We're not shitting you.

De Laatste Cynicus is niet verantwoordelijk voor gebeurlijke ongevallen, stront in de ogen, stank en sociaal isolement.

dinsdag 20 oktober 2009

LVDA, miskend genie, spreekt.

Verschraling. Dat is alles wat ik zie, voel en ruik in de huidige literaire wereld. Overal waar je kijkt dezelfde tweeledige eenzijdigheid: het breekt mijn schrijvershart.
LVDA op cuttingedge.be

Ik las deze en vorige week op cuttingedge.be de columns van een zekere Ludo Vandenabeele. Ludo wie?

Ludo is naar eigen zeggen 'de grootste ongepubliceerde geest van zijn tijd' en dat merk je. De man schrijft met een zeer hautaine pen en spint per zin een vijftal neologismen uit zijn schrijfwiel. Om over zijn inktmatrak nog maar te zwijgen!

Zijn eerste column ("het Kyoto-protocol") was een even arrogante als lucide analyse over wat er mis is met de literatuur en, vooral, waarom hij, LVDA, het beter kan. Hij ziet in de hedendaagse schrijverij een tweedeling tussen 'Actua', godin van alle romans die zich op een actueel thema baseren (bweirk), en 'Conspiratius', de aartsvader van alle historische faction-crap, waaraan wij eerlijk gezegd ook een bloedhekel hebben. De columnist zoekt en vindt een uitweg uit de impasse die hij overazl ziet en die hem pijnigt. LVDA gaat niet voor de gulden middenweg maar voor de synthese. Als kind van de babyboomers doet hij dit wellicht in de beeldenstormende traditie van de oude neo-marxisten, en dat vinden wij prima, zolang zijn schrijfstijl maar wat vlotter is dan pakweg een Althusser of een Marcuse. Naar de majestueuze zinnen van "het Kyoto-protocol" te oordelen hebben we echter niet veel te vrezen.

Het project van LVDA is postmodern zoals de postmoderniteit eerst bedoeld was. Hij neemt een toevlucht tot de polyseminatie, tot de vermenging van de hoge en de lage genres en bereikt het ahistorische door het historische tot op zijn kantelpunt te drijven. Zou nemen en zou bereiken moeten we zeggen, want een leesklare roman blijft voorlopig uit.

Hopelijk schrijft hij ook effectief een gepubliceerd boek, ooit. Tot hier een lofzang, want er breken gitzwarte paragrafen aan.

Lijdt LVDA aan een onevenwichtige geest, zoals vele grote genieën voor hem(Donovan bijvoorbeeld)? Neemt de man medicijnen, of drinkt hij te veel? Lijdt hij aan verlammende depressies en angstpsychosen. Waar zijn eerste column een stilistische en lucide parel was, is zijn tweede ("Xenos en Etnos, oude vrienden, dikke bullshit") een orakelstuk van het groteske, een lofzang op de waanzin en een epifenomeen van een tot op het bot gefrustreerde ziel. Een pseudomessianistisch gekanker uit de onderbuik van Cerberus. In de tweede column maakt LVDA een al te overduidelijke en op sommige punten onhoudbaar wankele analogie van twee sterren in een ver sterrenstelsel met Vlaanderen en Nederland. Waar het eeuwige hem greep in "het Kyoto-protocol", zo smijt hij zijn intellectuele gewicht in dit schrijven op het vergankelijke, op het banale des mensen en zelfs op het politieke, oh infame.

We kregen de onuitwisbare indruk van een zielig tierend mannetje, een semantische vetzak die onder zijn eigen woorden onderuit gaat, op ons netvlies gebrand. LVDA kast en kraakt van het symbolische speeksel en glorificeert zichzelf door iedereen aan zichzelf onder te schikken, niet beter dan een ordinaire pamfletschrijver. Hij knalt de intellectuele beaumonde daarbij met een moker frontaal tegen het voorhoofd. De onschuldige burgers moeten eraan geloven, maar de psychopaat, Ludo, kijkt niet om. Hij vertrapt.

Ook Tom Lanoye wordt de kop van jut in "Xenos en Etnos, oude vrienden, dikke bullshit". Waarom? Dat weet niemand, behalve LVDA zelf, er lijkt niet meteen een rationele verklaring te zijn. Is hij een homohater? Een Antwerpenhater? Heeft hij het niet voor slagerszonen met een brilletje? Of houdt hij gewoon niet van mensen? In een combinatie van de antwoorden ligt het antwoord op het waarom van zijn plotse bloeddorstigheden verscholen.

Toch kijken wij uit naar de toekomstige columns van LVDA, niet om wat hij is of om wat hij denkt maar omdat er verlichting en troost in zijn woorden schuilt. Hij is een westerse profeet in een tijd van politici. Hij legt bloot, op verschillende wijzen en met variabele resultaten, zoals dat bij profeten gaat. Eerst ziet men door het literaire strelen de toekomstige grote literatuur van de mens maar even later is niets behalve het columnistische equivalent van een anale verkrachting met een stanleymes. Beide ervaringen kan je maar moeilijk vergeten.


Klik even door en overtuig uzelf van de, soms kwaadaardige, genialiteit van LVDA.


Column 1

Column 2

dinsdag 8 september 2009

Voorstel tot levensbeëindiging voor terminaal werklozen en zwaarlijvige luieriken

Mes amis, het is genoeg geweest met de vrijgevigheid. Het moet nu gedaan zijn, wij hebben er genoeg van, trop is teveel, we kunnen de lasten niet meer dragen, we zijn kapot, uitgeteld, het zweet des aanschijns staat ons op de lippen, enzovoort enzo verder, et cetera... Kortom: we zijn het zat.


Laat ons eerlijk zijn, voor een keertje een kat een kat noemen (en niet bijvoorbeeld een negenpotige zwangere kameel met zwaar opgewollen tepels en een spraakgebrek, ik zeg maar wat): sommige mensen zijn gewoon onverbeterlijk. Ik wil daarmee niet zeggen dat ze stoute vlegels zijn, genre jantje kan met zijn pingels niet uit de suikerpot blijven. Nee, sommige mensen zijn slecht en zullen nooit verbeteren. Dat wil ik dus zeggen. Wat gezegd kan worden kan ook duidelijk en helder gezegd worden, zo sprak één of andere Jood ooit. Hij had gelijk.

Ik bedoel dus te zeggen dat sommigen onder ons (of beter, 'onder hen', maar laten we daar voor de tijd zijnde even niet over struikelen) geen enkel maatschappelijk nut hebben en dat ook nooit zullen hebben. Dat is: niet nu en niet in de toekomst. Naar het verleden kunnen we niet kijken, want dat zit vol van allerlei mensen van allerlei slag en als we daar allemaal rekening mee moeten houden komen we nergens.

Soms heeft de overbodigheid, inderdaad, een biologische reden en dan kunnen we wel (eventjes) begripvol zijn. Maar helaas zijn het niet alleen bejaarden, gehandicapten en kleuters die totaal overbodig zijn. Ik wil uw aandacht richten op die veel onderschatte luis in de pels van de goegemeente: de arbeidsloze.


De fysiognomnie van de werkloze, de wetenschap die zich bezig houdt met het meten van de schedels en het bestuderen van de gezichten van luieriken, laat er geen twijfel over bestaan: er is een makkelijke klassificatie mogelijk van de werkloze in twee subtypen. Men heeft vooreerst de gedrongen vetzak met spleetogen, bierbuik en bretellen, type Onslow uit 'Keeping up appearances', een uitstekend docudrama. Hij houdt van voetbal, ruftig zijn, frieten en verbaal abusief zijn tegen vrouwen. Hij is meestal ongeschikt voor de arbeidsmarkt op grond van het feit dat niemand dichter dan vier meter in zijn nabijheid wil komen. We noemen dit type 'de zwaarlijvige luierik'.


Het tweede type is delicater, maar in al zijn onopvallendheid gevaarlijker (denken we). Het type kenmerkt zich uiterlijk door een magere lichaamsbouw, een hoog voorhoofd, schrale baardgroei, een wilde haardos, dito ogen en onverzorgde kledij. Meestal is dit type hooggeschoold (in een totaal irrelevante 'alfawetenschap' zoals kunstgeschiedenis, filosofie of literatuur), neemt het vaak drugs in de vorm van 'wietjes' en spreidt het openlijk dédain tentoon voor een puike krant als Het Laatste Nieuws. Bij de interesses op facebook, een internetapplicatie die de werkende mens totaal onbekend is en waar hij wosiewo toch geen tijd voor heeft, zet dit type dingen als 'Houdt van de films van van Kurosawa' en 'Houdt niet van economische incentieven'. Dit type kan werken, maar wil het niet, en voelt zich te goed om zoals normale mensen jarenlang voor de klachtendienst van een telecomoperator te werken, koffies te gaan halen voor mensen met echte diploma's (rechten en burgerlijk ingenieur) of om zichzelf bij middel van een AK47 in Centraal-afrika te prostitueren ten gunste van de rijken van de aarde. We noemen dit type 'de terminaal werkloze'.

Merken we hier op dat vrouwen niet opgenomen zijn in de fysiognomische beschrijving, want wij hadden zoiets van 'What the fuck, vrouwen, leuk om mee te zoenen maar economisch gezien maken die toch niets uit'. Laat ons een kat een kat noemen (en bijvoorbeeld niet een patrouilleboot van de USN in de Mekongdelta, compleet met pinballmachine, volière en lusthof voor grizzlyberen).

In een vragenlijst aan meer dan 3 zwaarlijvige luieriken (voortaan ZL) en minder dan 6 terminaal werklozen(TW) namen wij onder andere vragen over het welbevinden en de levenskwaliteit van de betrokken personen op en wat we concludeerden was even onthutsend als volstrekt banaal. Deze mensen zijn meestal helemaal niet gelukkig! In vergelijking met onze testgroep, bestaande uit 3 metsers uit het oostblok, zijn ze zelfs ongelukkig. Dit ongeluk is er dus, ondanks het feit dat onze Belgische overheid (haar naam zij geprezen) bakken geld tegen hen aansmijt. Het lijkt me duidelijk dat we alle geldelijke steun aan deze groepen stop moeten zetten. De gigantische uitsparingen in de begroting die we op die manier maken kunnen dan aangewend worden voor een nuttig doel. Defensie bijvoorbeeld, we zeggen maar iets.

Maar is het genoeg om deze mensen zomaar van hun geldelijke steun te ontrieven? We zijn toch allemaal mensen? De één al wat nuttiger dan de ander, akkoord, en wij hebben het dan uiteraard niet over bejaarden en gehandicapten, maar toch mensen. Dat is waar het om draait, onze samenmenselijkheid en hun onnuttigheid en overbodigheid. Moeten we niet denken aan een humanere oplossing voor deze doodsongelukkige blokken aan ons been? Daarom stel ik voor dat we levensbeëindiging openstellen voor TW en ZL gelijk. Zij hebben het recht om zelf te beslissen dat ze waardeloos zijn en beter dood zouden zijn en wij hebben de plicht om hen daarin te faciliteren.

"Nu, nu, nu, dit ruikt hier een beetje naar fascisme" zullen bepaalde lieden vast zeggen. Tegen hen zeg ik: 'niet waar' en ook 'oppassen'.

Mensen laat ons een kat een kat noemen (en niet bijvoorbeeld een flanpuddingsken dat door te lang in de zon te staan denkt dat het een amfibisch wezen in equatoriaal Afrika is), het zijn zware tijden. We hebben niet langer de luxe om dit probleem te blijven negeren. Samen, en alleen samen komen we er door, al wij werkende blanke mannen tussen 25 en 50 jaar. Iedereen heeft een recht op waardig sterven, ook al waren ze in hun leven minder dan waardige uitvreters. Tegen het lijden in de maatschappij! Tegen de tirannie van de dwangarbeid! Excelsior vrienden, we maken er werk van!

maandag 7 september 2009

Le coeur a ses raisons

Resurging out of the silence
The hard pounding pumping
Like an ongoing cello
That has lost its tune
To ignore an organ, and lose
I mean
Not lose
My heart
To listen to it, to
The vast territory beyond
My brains
And what they can’t behold.

dinsdag 1 september 2009

Een apologie van Witsel



Toen Johnny ‘The Methyr Matchstick’ Owen, Wales’ boksende trots, op 19 september 1980 de ring instapte zal hij waarschijnlijk niet gedacht hebben dat het zijn laatste gevecht zou worden. Nog minder waarschijnlijk dacht hij dat hij na de wedstrijd nooit opnieuw een ring, een bokshandschoen of enig ander ding zou mogen aanschouwen. In het gevecht in september daagde Owen wereldkampioen Lupe Pintor uit, vocht twaalf ronden als een spreekwoordelijke Welse leeuw maar ging op 25 seconden van het einde op onfortuinlijke wijze tegen de grond. Hij zou nooit meer rechtstaan. Op 4 november 1980 blies hij zijn laatste adem uit in een ziekenhuis, enkele maanden voor zijn 25e verjaardag.

Een bokser weet waar hij aan begint als hij de ring instapt, het gevaar loert en de handschoen is onverbiddelijk. Sommigen, zoals Owen, sterven met de handschoenen aan en anderen worden gereduceerd tot levenslange wrakken en karikaturen van hun oude strijdvaardige zelf. Nog anderen wandelen doorheen hun professionele vechtcarrière zonder een schrammetje en ondervinden ook op latere leeftijd geen last van hun vechtersverleden. Er zijn zelfs boksers die hun neus, toch de oorlogstrofee van elke kamper, vrij elegant weten te houden, al zijn ze schaars.
Als een voetballer het veld op stapt is er geen sprake van een risico in die zin. Op de occasionele hartaanval na sterven voetballers niet op het veld en ze worden zeker niet doodgetrapt. In de spelregels van het voetbal zit het vloeren van de tegenstander niet vervat, integendeel zelfs, het wordt bestraft met een gele, rode kaart, met schorsingen en boetes. Bij boksen is het vloeren van de tegenstander de raison d’être van de sport, of anders, er is geen boksen denkbaar zonder knock-outs. We denkt van wel moet maar gaan dansen.

De vergelijking tussen voetbal en boksen loopt dus al vanaf het begin een beetje scheef. Maar toch zijn er ook gelijkenissen. Zoals bij boksen de dood van een tegenstander een ongewild uitvloeisel is van de eigenschappen van de sport, namelijk het geven van harde stoten op het hoofd en het lichaam, zo is een voet-, knie- of beenblessure een natuurlijk en ongewild uitvloeisel van een eigenschap van het voetbal, namelijk de tackle. De tackle kan verkeerd lopen, een been kan geraakt worden, en dan is er sprake van een overtreding, maar er is niemand (behalve hevige supporters van het geaffronteerde team misschien) die voor een occasioneel vergrijp geen begrip heeft. Zulke dingen gebeuren. Er gebeuren helaas ook andere dingen in het moderne voetbal. Wanneer Cantona in 1987 Bruno Martini in zijn gezicht slaat is dat geen normale gang van zaken: een tackle die verkeerd gaat eindigt niet in een slag in het gezicht. De vuist zit niet dicht bij de voet. Maar een tackle en zijn mogelijke gevolgen zijn dus wel als normaal te beschouwen. Waarom zijn we dan zo geschokt wanneer, ik geef maar een willekeurig voorbeeld, Axel Witsel de scheen van Marcel Wasilewski doormidden breekt?

Sommigen onder ons zullen opteren voor een technische uitleg. Ook de voetbalbond gaat voor een dergelijke verklaring. De definitie van het woord tackle is: het fysiek aanvallen van de tegenstander om de bal te bemachtigen. Witsel ging niet voor de bal, hij kijkt niet naar de bal, dus er is geen sprake van een balduel of een tackle maar van een aanval. Aanval: het te lijf gaan.
Witsel ging Wasilewski te lijf.



Is de voetbalkous daarmee af? Wat is dan het verschil tussen fysiek aanvallen in de zin van een tackle en te lijf gaan in de zin van een aanval? Witsel wordt her en der door mensen moordenaar genoemd. Op het journaal vinden ze het zelfs niet nodig om de kreten die men hem naar het hoofd slingert weg te filteren. “Assassin” weerklonk het ongegeneerd en ongenuanceerd door de televisieluidsprekers in duizenden Vlaamse en Waalse huiskamers. In de gangbare betekenis van het woord moordenaar is Witsel echter minder een moordenaar dan Lupe Pintor. Toch staat Pintor niet bekend als moordenaar, en niemand nam hem de dood van Owen echt kwalijk, en kan Witsel na zoiets banaal, ten opzichte van de dood, als een beenbreuk op geen enkele sympathie rekenen. Hij ging iemand te lijf, akkoord. Maar iemand te lijf gaan kan in voetbal met recht, want dat hoort bij voetbal. Net zoals het bij boksen legitiem en zelfs vereist is van iemand hard op zijn hoofd te stompen. Met zijn aanval stopte hij de tegenstander en zorgde er wellicht voor dat de bal naar zijn eigen ploeg ging, ook al kreeg hij hem zelf niet aan de voet. Er zijn dan een paar mogelijkheden wat de intentie van Witsel betreft. Ofwel ging hij bewust voor de scheen van Wasilewski, ofwel dacht hij aan de wedstrijd en stopte hij Wasilewski om de match te winnen, waarbij die, als onfortuinlijke bijzaak, zijn scheen brak. Banaal verschil?

De machiavellistische logica van sport vraagt, nee, eist, dat deelnemer aan het spel doen wat ze kunnen om de match te winnen. Dat geldt voor boksen, schaatsen, wielrennen en voetbal gelijk. De vraag is dan: moeten we Witsel als het niet zijn intentie was om een scheen te breken, maar slechts een bijzaak, zo hard aanvallen en veroordelen? Het antwoord lijkt me zonder enige twijfel nee te zijn.
Als Witsel dacht, “ik geef een tackle, stop de aanval en offer mezelf daarbij mogelijk op voor het team want ik kan een kaart krijgen” dan treft hem geen schuld. Is het mogelijk dat hij dat dacht?
Wasilewski bevond zich niet in een echt gevaarlijke positie, dus het zou een beetje dom zijn om dat te denken, dat is zeker. Maar domheid is geen misdaad, anders zat de 95 procent van België vast. Als Witsel geen dommerik is kan hij gedacht hebben “ik ga de bal stoppen en ik zal hem daarbij pijn doen, als toetje.” Dat is al een gradatie erger en dan lijkt een uitsluiting van enkele maanden een gepaste straf. Als hij echter dacht “ik ga die mens pijn doen, we zien wel wat er met de bal gebeurt” dan plaatste hij zich daarmee eigenlijk buiten het spel en werd daardoor vogelvrij voor de wereld. In het laatste geval is Witsel een sociopaat en moet hij uit de maatschappij verwijderd worden.

Wie zal ooit zeggen wat de jongeman bij zijn stoute actie dacht? Ik niet, de voetbalbond niet en de supporters van de betrokken ploegen hoegenaamd niet. We kunnen dan besluiten met de opmerking dat waar gehakt wordt spaanders vallen, waarbij het been van Wasilewski de jammerlijke spaander is, en dat Witsel binnen enkele maanden waarschijnlijk terug voetbalt. En waarom ook niet? Zolang we niet zeker van zijn boosaardigheid zijn moeten we hem het voordeel van de twijfel geven. Of we stiekem geloven in zijn rechtschapenheid of niet doet er niet toe, we kunnen alleen strikt formeel-juridische maatstaven hanteren. Sportmannen in België zijn immers ook leden van onze rechtstaat, en dat is wat wij hier (idealiter) doen.

maandag 3 augustus 2009

De avondval.

Avondval,
We zitten onderbelicht in onze tuin.

Er is geen worst ongeroosterd
In onze hemelshoge grillput en
Onze kinderen slapen en onze
Gelden rusten op hun lauweren
En Om(p)a zit thuis naar Zweites-Duitse Funk
(muil open, ogen half dicht, voeten stinken)
Te kijken.

En de vuilzakken staan al buiten,
niet langer welkom
in ons nest van liefde
(en van wederzijds respect).

Zullen we dan maar neuken
Om de binnenkruipende schemering
Bij zijn kraag te vatten?

(Ik ben je lijf zo beu.)
(Maar ik weet er anders ook geen raad mee.)
(Met dit kruipende gedwongen samenzijn in de tijd die staat.)

Ik leg mijn hand op je armen in
een poging om veelbetekenend te kijken,
zo gaat de imperatief van familie en buren.
dit is de zomer van ons leven,
Laten we nog een kindje maken en
het gaat wellicht even prikken maar
ik vind dat het nodig is want
iedereen heeft hobbies nodig
en creativiteit is iets voor arme mensen.

Dan des nachts met je grot nog vochtig
en je arm desnoods om me heen gevlijd
en ik met mijn ogen hardnekkig gesloten
laat me slapen voor de mantra's komen

Laat me slapen voor de mantra's komen.

woensdag 22 juli 2009

Op de bodem van de halflege laagte
In een bonzend betonnen monster
Met eentonig geasfalteerde gaten
daarzijn twee vermoeide mensen
ze-zijn-er
Boos, gefrustreerd maar toch gelaten

Ze eten boerenpensen
Ze geloven niet in de revolutie
Ze hebben een kroon van pinnekesdraad

Het geweld zit hen in hun benen
Het manifesteert zich in hun daden
Het is de determinant tot in hun draden,
Desoxyribonucleïnezuur, hun genen.

De verwoesting van vreemde lichamen,
Constant als het slaan van de klok van opa Dood,
Die zich tegen oma Levend niet kon verweren,
Is een belegering tot in de zwoelte van het graf.

Toen dan eerst, in de lente,
Van hun nog jonge maar al dwaze leven
moeder in hun bedje te rusten lag
Omdat vader zijn kuren had, weer
of haar genitaal had weten te verkrachten
meervoudig rationeel en bevestigd door velen
instemmend, hij was dan toch de man en hij
kende zijn rechten,

“Maar erger is
wat hij zegt”
ze zag de kinderen met grote ogen
hun handjes nat van het zweet
(dat is toch wel raar voor kinderen)
“Dat hij niet meer
van me houdt.
En dat vroeger ook al niet deed.”
Waarop ze begon te grienen.
Godverdomme.

“Stil maar mama,
het komt, immers
wel goed. Niet huilen.”

Broer en zus
Aan de tafel
En ma en pa
Ook al. Toeval.
Ze spreken hier wel meer af
Voor een rendez-vous met eten.

Het is een koude oorlog boven dampend hete schalen.

Zweeft zijn schanddaad hen boven de hoofden?
Zal haar hysterie hun spijsvertering benadelen?
Bovenal willen ze niet al te vroeg gaan slapen,
Bang om de machten hun vrije gang te laten.

Ze eten een Falafel
afhaalspul
“Want mama is te lui,
om zelf te koken.”
Broer is kwaad op vader
“Ach man,
Dat mens is op,
Kapot van haar tranen
van wat zich ooit in haar heeft verscholen
een talent
een belle
iets om naar op te kijken, en uit.”

(Wel een beetje een trut en saai, ook)
(En papa was zo knap, zonder twijfel een adonis.)

Maar hij zegt het niet.

Hier is de stilte
De stoelen zijn te hoog
De muren zijn de grenzen
De kinderen bengelen met de benen
Ze proppen kikkererwten in hun bek
En ze geloven niet meer in liefde
Tussen mensen.
Op televisie profeteerde een geleerde
“Misschien dat apen wel
uit liefde neuken”
Maar daarover was geen zekerheid.

Jaren later vinden ze
Elkaar op straat in het Hageland
(maar het had evengoed in Tulsa kunnen zijn)
voor een terugblik en een kleine prognose want
ze zijn sportcommentatoren van hun eigen leven
met een discours doordrenkt in frivole banaliteiten
hij vraagt hoe zij het nog draagt
en ze zegt goed want iets anders
zou toch maar uren duren
en wellicht onbegrepen blijven.

Openheid is niet meer dan een inspanning tot
Het tevergeefs temmen van het mysterie
Pijnlijk praten als het verleden luid
in het galmen van hun stappen klinkt
“Weet je wat mama zei,
toen papa werd begraven?”
Waarop hij een hapje van zijn pens nam
En na het slikken hoofdschudde
“Dat het niet beter,
maar dat het nu
nog slechter was geworden.”
Hij knikt en zij zoemt instemmend
Ze begrijpen dat anderen daar
Niets van snappen
Niet die vrouw van de sociale werken
En niet die rotte formalist met zijn pruiken
Ze delen een deken, broer en zus, en
Hij voelt de neiging om haar verrot slagen
Het is het liefste dat hij kan bedenken
Zij wil niets behalve die vernedering
Iets om te voelen voor de jaren die komen
Ze zijn opgevoed in het absolute

Maar de geschiedenis herhaalt zich niet.
Hij streelt haar, ze lacht, ze spelen
Ze eten en ze drinken, ademen ondanks
Misschien dat oude wonden helen
En dat het leven aan de saaien is.

maandag 13 juli 2009

Pagina uit het dagboek van een strontmachine.

We zijn metalig, glanzend, we hebben geen ziel en we hebben ze ook niet nodig.

Ik weet best wel dat jij hetzelfde bent als mij, een wezen van vlees en bloed en draden en plastic en hotwires en van koekjes voor de televisie en van tranen wanneer de zieligaard uit de zaterdagavondfilm toch maar eens zijn meisje krijgt. We zijn grotendeels identiek, maar met, misschien, een kleine modulatie, een kwinkslag van verschil. Het maakt niet uit.
Toch hoop ik door en in en met jou iets te ontdekken dat ik zelf principieel niet kan ontdekken, alleen. Het zal wel een panorama op mezelf zijn. Ik wil mezelf erg graag bezitten. Eén dag zonder jezelf is nog oké, je drinkt wat en je bent weer een tijdje beter. Maar elke dag is exact hetzelfde en de aders steken als gletsjers uit mijn armen en ik kan niet met je praten en ik kan niet niet met je praten. Ik kan ook niet met anderen praten maar ik kan wel niet niet met anderen praten. Dat lijkt allemaal overbodig. Vandaag is de tijd van de commercialisering van de veel-te-velen, Milk-inc, Audi’s met uitbouwingen en erkers, tattoo’s op arm, been en gezicht. Verklaring van deze fenomenen: ook de overbodigen willen graag iets om te doen. Iedereen heeft een tijdverdrijf nodig, zelfs koning Boudewijn begreep dat. Onze vrijheid is onbeperkt, er is geen tijd om te praten en eigenlijk, als ik echt eerlijk ben, ook geen reden meer voor. De empirie van het externe spreekt luider dan de introspectie van de binnenkant, zeker in deze tijd. Feuerbach is dood, maar de I-pod leeft. Mijn universum, mijn drama, mijn raggende tonen en melancholische beats en mijn fenomenen: het spektakel is totaal oncommuniceerbaar, ook in zijn delen, en de ultieme stilte buiten ruimt baan voor het eeuwige semantische gebazel vanbinnen.

Ik wil je voelen liefste, jouw metaal op het mijne, in de stilte. Zou dat niet aangenaam zijn? Waarom zou dat onaangenaam moeten zijn?

Wat ik graag wil is dat je je hand tegen mijn borst legt en me met je andere een klap tegen mijn voorhoofd geeft. Wat ik graag wil is dat je me, in mezelf gezeten en eenzelvig wachtend op iemand anders die mezelf bevestigt, zomaar op mijn voorhoofd zoent, zonder woorden. Ik zoek niet naar je vlees maar naar dat wezen waarvan ik weet dat het in jouw en mijn lichaam leeft. Ik zoek naar eenheid, naar een manier waarop ik mijn muren gedecoreerd en het vuil uit mijn ragspinnig brein krijg. Ik zoek naar een motivatie, een reden, een doel, een middel en een uitstekende prijs daarvoor. Ik ben een professionele consument en ik wil geen eieren voor mijn geld.

Ik zoek niet naar jou, ik heb jou eigenlijk helemaal niet nodig. Ik wil dat je een personage wordt in de verhalen die voor me de waarheid naspelen. Je moet onvoorspelbaar (binnen een bepaalde horizon van mogelijke daden die voor jou als geliefde gepast zijn, uiteraard) zijn maar je mag me niet verrassen door me te verlaten. Je moet ook maar niet te veel eisen, niet te vervelend zijn. Kan je misschien een knopje hebben, zodat ik je af en toe eens kan afzetten? Of een schuifregelaar zodat ik je toch iets stiller kan draaien? Ten minste?

Erg graag had ik dat het anders was, zoals het geweest moet zijn, toen jouw strijd de mijne was en de natuur de vijand heette. Dat gaf een gemeenschappelijk verhaal, een narratief zo oud als de mensentijd. Maar die verhalen waren ook flets, voorspelbaar en vaak ongelukkig. Grandeur mankeerden ze al helemaal. Geef me dan maar mijn 50cent- tot 20euro-verlokkingen, met al hun plastic stank, die neem ik er wel bij. Geef me tepels als toetsen en lippen als een touchscreen en put me uit met af en toe iets om over te huilen en te proesten, zoals in een oude boutade over lachen en tranen. Geef me lichtheid, een draagbaar nanomodel, en energie voor dagen, weken en misschien nog maanden (maar geen jaren alsjeblieft, nee). En oh, zorg ook voor het geld als ik het oude nieuwe al niet meer kan verdragen.

Nu dan.
Ik voel me zo alleen, zeg dat je van me houdt, omdat ik het ook doe, dan hebben we iets (misschien als de onder- en bovenkant van een puzzel met een andere tekening op elke zijde en als je het omdraait dan krijg je alles) en misschien wordt het straks een spannend drama dat de adem zal doen stokken en miljoenen bezig zal houden.

vrijdag 3 juli 2009

Passiespel

De Anser anser vlucht in de winter naar het zuiden. Men vertelt dat het daar dan warmer is. Ik weet het niet. Wij zijn mislukte natuurmetaforen, steeds op zoek naar een kracht om onszelf te duiden, maar uiteindelijk toch maar gesofisticeerde primaten.

Het verleden is een mistscherm voor de toekomst, je kunt je verblijden in je kleine heldere ruimte van herinneringen maar een panopticon zal je er niet door verwerven.

Ik ging ooit op vakantie naar de Algarve, het waaide er.
Ik ging samen met een jongen, die Miguel heette, we spraken Spaans.
We droegen nieuwe pakken, linnen, waarin we heilig geloofden.

Nog een paar dingen waarin we geloofden: onze kracht, ons optimisme, onze mogelijkheden en hun onuitputtelijkheid, onze macht om niet in het verleden te verblijven, te resten.
We waren erg lelijke jongens geweest. Geweest? Lelijkheid met betrekking tot jezelf lijkt altijd een zaak van vroeger, tot je de foto’s ziet, maar dan is het alweer voorbij.
We leerden Portugees want we wilden graag toegankelijk blijven en grappig zijn zoals we dat eerder in het Spaans samen waren. Ook in vreemde(re) talen wilden we schitteren met meer dan onze prosodie alleen. Hoe kunnen polyglotten lelijk zijn?

In Faro spreekt niet iedereen Portugees, dat is een feit. Dat wisten we niet voor we er kwamen.

Nog enkele feiten die we ooit niet wisten: een ezel vraagt om verzorging, een auto kan verzuipen en meisjeszielen zijn niet altijd complex.

De ezel heette Sandro en hij sprak tegen me in een droom, vanuit de oude kathedraal van Faro, een gebouw als een Hollandse kroket, zo degelijk. Hij balkte in het Farsi dus ik verstond er geen zak van. Ik nam mijn woordenboek Farsi-Portugees en zag vreemde tekens die me als smileys vanop de pagina’s toelachten. De ezel hield zijn ogen met enige angst op de hemel gericht. Dat stelde me gerust want ik zag in hem plots een onnozele metafysicus. Toen kwam de regen. Zijn blik had voorspellende kracht. De ezel was empiricus. Ik sloeg in paniek en wiekte wild met mijn armen. Ik geloof dat ik zo hoopte op te stijgen. Maar ik deed het niet. Wat voor een droom laat je zulke dingen niet toe?

Ik werd kletsnat wakker, met Miguel naast me in mijn armen. Hij plakte aan me, door al dat zweet. Zijn lijf was lichtbruin, op het gele af, ik voelde zijn bilspieren tegen mijn kruis bewegen. Ik zoende hem op de lippen en likte het zweet van zijn navel. Ik vertelde hem in zijn slaap hoe ik hem beminde. Ik hield van hem, van al mijn hoeren, van mijn moeder en van de hond die nu in een oude urne asse was, niet evenveel.

Ik duwde mijn auto de oude markt van Moerzeke op. Er was geen mens te bekennen. Het was zondag om half elf. Ik ging naar café de Klok, maar dat was gesloten. In café De Zwaan zat wel nog volk. Ik keek door de ramen. Er brandde TL-verlichting, grimmig. Ik klopte op de deur en alle gesprekken verstomden. Ik vroeg of er iemand iets van mechaniek kende. Men kende meer van aardappelen dan van auto’s, zoals ik na een poosje begreep. Een kale oude man zonder tanden vroeg me of ik er een dozijn wou kopen. Dat leidde tot enige hilariteit in de kroeg. Die man probeerde iedereen altijd aardappelen aan te smeren. De waard fluisterde me toe dat hij veel problemen had, maar ik had geen lust om hem op de mond te kussen en ik voelde me ook niet erg herderlijk. Ik keerde naar mijn auto terug om er in de lommerte van de berken een sigaret te roken.

Waar ik heilig in geloofde: mijn auto, een oude volkswagen met een vierkante carrosserie die me tot in Spanje bracht maar het platteland in Vlaanderen niet overleefde. Dat mag symboliek heten.

De ezel kwam terug op het heetst van de volgende ochtend, tijdens een wandeling. We liepen door de woeste droge hoogte en beschouwden de baai die goudkleurig in onze ogen glansde. Sandro stond daar alleen in een wei, als een schaakstuk in een marmeren pastorale. Het leek me duivels dat hij hier zo uit mijn dromen sprong en ik vergewiste me er even van of hij geen horens had gekregen. Miguel stond dichtbij me, en ik geloof dat hij mijn ontsteltenis voelde. Hij kende mijn lichaam goed. Op zijn blote bruine bovenlijf parelden enkele zweetdruppels. Geen enkel sprietje lichaamshaar had die jongen, maar boven zijn ogen golfde het haar hard en onbuigzaam als platen op een moderne stadsstal. Sandro had geen horens. Hij sprak niet in raadselen en keek me zelfs niet aan. Ik wilde hem iets toefluisteren maar Miguel nam zich voor dat hij me niet zou toestaan dat ik een ezel van mezelf maakte. Ik gaf het beest wat water, maar het scheen daarop met matig enthousiasme te reageren. Het was waarschijnlijk al te uitgedroogd. Het staarde naar de vloer, moeilijk voor een dier met laterale ogen.
Miguel vertelde me dat het zelfs onmogelijk was, maar ik geloofde dan toch eerder Sandro. Die praatte niet, die demonstreerde.

Een feit waarvan we ons bewust waren: oude ezels sterven als ze in de hete zon geen water lusten. Dan mag het nog winderig zijn. Dat maakt dan als het ware niet zo veel uit.

We gingen verder en het werd een schitterende dag, waarop ik en Miguel nog eens de liefde bedreven. Herhaling werkt alleen niet op televisie.

Ik stond ongeveer vijftien minuten aan mijn auto met mijn sigaret rookfiguren in de lucht te schilderen toen er op vijf meter van mij plots een meisje met blond haar stond. Ze doemde op alsof ze daarvoor geoefend of geopteerd had en sprak met schelle stem enkele woorden tot mijn oren. Ik vertelde haar dat het ding geen zwengel had en ze vroeg me om bij haar limonade te komen drinken. Ze was zestien, of niet veel ouder, en ik vond haar heel erg mooi. Ze woonde op een boerderij en haar vader verkocht aardappelen. Ze vroeg me of ik uit de stad kwam en ik bevestigde dat met een leugen die ‘ja’ luidde. Het verschil tussen de leugen en de waarheid is een kwestie van tijd, nam ik mezelf voor.

We zaten in haar huis en ze vertelde me dat haar ouders niet meer naar huis zouden komen. Haar rok was een vijftal centimeter naar boven geschoven. Ik zag het rozige blozen van haar meisjesknieën. Ik had nood om even in haar wangen te knijpen, dus dat deed ik maar misschien heb ik daarop te hard geknepen. Even later was ze aan het huilen. Wij alleen weten wat er tussen ons gebeurde, het was een ongeneeslijke maar intense erotiek.

Ik zag in haar ogen dat ze het ook wel wilde. Daar geloof ik heilig in, dat is een feit.

Ik ging van het erf weg, vluchtte met mijn armen voor mijn ogen. Ik wilde niets van haar gejammer horen. Wie zou me aan de mast binden en mijn oren dichtstoppen met was als ik het zelf niet deed?

Ik vond een garagist en hij vertelde me dat ik het beestje verzopen had. Waarschijnlijk iets te veel op het pedaal geduwd na de eerste problemen. Ik ben geen technicus, die dingen moeten gewoon werken, mompelde ik. Ik ontzielde mijn auto in al mijn woede. Ik liet hem achter en belde een taxi, die een halfuur later aankwam. De chauffeur was babbelziek.

Miguel goot de bloemen in de tuin van onze buurman. Het was iets dat hem rust gaf. Ik wou dat ik zo gezonde en heilzame sedatieven kende. Ik ken(de) alleen whisky, sigaren en mannenbladen, de gewelfde holte van de kont van Miguel. We waren lichamen die ooit uit één geheel waren gehouwen, we hielden onszelf samen met oxytocine, sperma, speeksel en testosteron. Ook een beetje muskus, wellicht. Maar dat is nog geen echte liefde, die heeft meer nodig dan de sappen uit de biolabo’s van zogezegd-geleerden.

Laten we, even analytisch, een drietal graden onderscheiden.

Ik hield van die auto omdat hij me bracht waar ik heengaan wilde. Dat is de functionele liefde, een eerste graad. Ik hield van Miguel omdat hij me verstrooide, me amuseerde en me vers fruit en zijn lichaam bracht, dat kan een tweede graad zijn, naamloos tussen het ding uit de functie en de entiteit die hoger komt. Ik hield van haar omdat ze ongewild en onbedoeld mijn ziel raakte en omdat ik voor haar heel even wilde zijn wat ik niet eerder was, namelijk de hare. Dat is, wellicht, en ik zeg het met enige schroom want het is belachelijk, het echte.

Dat is natuurlijk allemaal onzin, gebeuzel voor mannen op hoge ledikanten en vrouwen aan warme fornuizen, met de spenen in de aanslag.

De nacht daarop kwam Sandro naar me terug en sprak met luide stem. Die keer sprak hij in het Nederlands, met een zwaar Oost-Vlaams accent. Ik had hem in de steek gelaten, beweerde hij. Ik had hem zomaar laten sterven terwijl hij me de nacht ervoor verfrissende regen had gegeven. Ik huilde dat ik hem een moment van liefde gaf, maar dat hij toch op sterven lag en dat ik daar niets aan kon doen. Hij vroeg me: is het dan prettig om alleen te sterven? Daar kon ik niet op antwoorden.

Ze vroeg me niets en het was ook niet nodig dat ze dat deed, want ik begreep wat er speelde. Onmiddellijk zag ik hoe de dood de lust in haar jonge gelaatstrekken en lichaam toverde. Ik kuste haar lippen, ik bevredigde haar lichaam en reduceerde haar tot mysterie. Toen vertrok ik omdat haar vertrek me nu al verteerde. Zij wilde graag, iemand die haar zou kussen op het allerlaatste.

Miguel knipt de rozen. Straks gaat hij huilen en schreeuwen. Dat doet hij voor heel even. Dan vindt hij weer iets anders.

Ik ben een zwakte, een mens van het voor-heel-even, en door die stomme ezel moet ik alweer van mijn thuis wegvliegen.

zondag 28 juni 2009

Vlaanderen verlaten

Zalmig ben ik hierheen gekomen, om na een lange ontberingsvolle tocht, spartelend in ondiep water, als het ware dan want ik kan best goed zwemmen, helemaal dood te sterven. Dat is wellicht een pleonasme. See if I give a fudge.

"Ga je van me weg? Nu?"
"Ja. Waarom niet?"
"Het is al laat. Ik heb niet graag dat je alleen nog over de straten stapt."
"Ik loop wel op het voetpad."
"Misschien word je verkracht. Op het voet pad, dan."
"Dat moet, dan, maar."
"Ik dacht dat je..."
"Dat ik wat?"
"Ik dacht ergens dat het moeilijker zou zijn. Dat we minder kalm zouden zijn."
"We zijn niet kalm. We lijken dood, dat is niet hetzelfde"
"Doodkalm."
"Ik kan er ook niets aan doen. Zal ik je bed in brand steken?"
"Lijkt me een geweldige metafoor."
"Ja."
"Maar dat blussen wordt weer zo triest."
"Ongetwijfeld."
"Doe toch maar niet, dan."
"Nee."
"We hebben geweldige tijden gehad. Samen. Wij. Het was als een verhaal, maar dan echter."
"Een documentaire?"
"Behoorlijk platte documentaire."
"Voorspelbaar einde."
"Ja."
"Maar nu is het dan toch voorbij."
"Eens je hier buiten bent is mijn leven ook voorbij."
"Zo mag je niet denken."
"Waarom niet?"
"Pathos hoort niet bij documentaires."
"Ik weet dat het niet toegestaan is, in het genre. Ik ben een slaaf van mijn eigen genre."
"Je bent vrij, vrijer dan hiervoor. Dat is toch iets, goeds?"
"Mijn lichaam is jouw horige."
"Dat... nee, doe dat nu niet. Alsjeblieft."
"Ga je naar hem?"
"Je maakt het niet makkelijker voor me."
"Ik wil het niet makkelijker voor je maken. Ik wil dat je leven voorbij is als je hier buiten gaat."
"Mijn leven gaat wel nog even voort, niet voorziene omstandigheden buiten beschouwing gelaten."
"Uiteraard."
"Uiteraard."
"Ga je naar hem?"
"Misschien. Eerst niet. Later, denk ik."
"Een snoepje gaan halen?"
"Wat ben jij een masochist."
"Of een vuilak."
"Eén van de twee."
"Doe maar allebei."
"Ik ga."
"Oké. Dag."
"Ik... ga."
"Hm? Ga dan."
"Dag."
"Dag."
"Oké."

Een boom met kleine vogels doet me wenen. Een meisje dat gestenigd wordt laat me woedend het Koerdenras verwensen. Alle mensen in mijn buurt maken me chagrijnig, iets verder kunnen ze me niets meer schelen. Moge de duivel jullie halen.

"Meneer D."
"Ja, dat ben ik."
"Komt u maar even binnen."
"Dank u."
"Ga maar zitten."
"Dank u."
"U hebt niet zoveel ervaring."
"Nee."
"Hoe denkt u dat op te vullen?"
"Hoe bedoelt u?"
"Wat denkt u ons iets te kunnen brengen dat we niet eerder zagen? Wat is er uniek aan u? Wat zijn uw uitgangspunten?"
"Ik begrijp u niet."
"Wat zijn uw pluspunten?"
"Dat heb ik toch in mijn motivatiebrief al geschreven?"
"Ja, oké. Ik zie in uw test dat u niet wist wie Alan Greenspan is."
"Nee. Het interesseert me niet wie Alan Greenspan is."
"Het interesseert u niet?"
"Je kan niet iedereen kennen. Ik ga voor diepte."
"Diepte."
"Ik ben een analyticus. Ik doe mijn werk, uitstekend en in de diepte."
"Ik begrijp het."
"Als het mijn job is om Alan Greenspan te kennen zal ik hem kennen."
"Journalistiek is misschien geen job."
"Wat is het dan wel?"
"Een missie. Een roeping."
"Soms. Maar meestal niet. Meestal is het een job."
"Denkt u dat?"
"Ja, momenteel wel."
"Wat is uw droomjob?"
"Iets met kernfysica."
"Denkt u hier veel kernfysica aan te treffen?"
"Nee. Dat hoeft ook niet."
"Wat is uw motivatie om hiervoor te solliciteren?"
"Dat staat in mijn brief."
"Er staat geen motivatie vermeld in uw motivatiebrief."
"Ik heb er geen. Deze job was vrij en ik ook. Dus ik dacht: 'dat moet lukken, zeg'."
"Ik denk dat wij genoeg weten."
"Oké."
"Veel geluk nog in uw verdere loopbaan."
"Oké, bedankt."

Als mensen niet pissen dan schijten ze. Als ze niet blaten van geluk dan mekkeren ze van ongeluk. Als ze elkaar niet de kop willen inslaan dan worden ze gedrogeerd. Gebruikelijke drugs zijn werk, liefde, religie en semantiek.

"Ha zie, ons bergske."
"Jow."
"Hoe gaat het bergske?"
"Goed."
"Ha zie."

"Hey."
"Lang geleden."
"Ja."
"Wanneer gaan we nog eens uit?"
"Misschien later."
"Deze zomer?"
"Misschien ergens binnenkort."
"Ja, dat lijkt me leuk."
"Het zou leuk kunnen zijn."
"Ik moet weg. Laat je me iets weten als de rest iets doet?"
"Ja, oké."

"Wie was dat Bergske?
"Gewoon een vriendin."
"Gewoon een vriendin."
"Dat heb je goed herhaald."
"Zou ze niets voor jou zijn?"
"Ze trekt me niet zo aan."
"Fysiek?"
"Ik kan wel goed met haar praten."
"Ha, voila."
"Ja, voila."
"Volgens mij ben je verliefd Bergske."
"Dat denk ik niet."
"Ik zie jullie echt al samen."
"Ik niet."
"Bergske, je moet ervoor gaan."
"Waarvoor?"
"Voor haar hart hé, Bergske."
"Haar hart."
"Haar proberen poepen."
"Ik begrijp het."
"Jullie zouden een mooi koppel zijn."
"Oké."
"Oké?"
"Oké."

Ik ben naar hier gekomen om, niet eens meer mens, tot ding te verstarren. Mijn aanwezigheid is niet meer gewenst en ik ben mezelf, jeugdig, zestien, voor altijd lachend, een onbekende geworden. Ik heb Vlaanderen verlaten. Vlaanderen en al haar mensen, die ik bitter bij me droeg, en wacht nu op weidsere horizonten.
Ik ben hier alleen, in mijn natie van één.

woensdag 17 juni 2009

Hij was een bizarre man &...

Hij zocht naar een bizarre vrouw. Hij wilde haar vinden om samen met haar een bizar koppel te worden. Ze zouden samen naar bizarre feestjes gaan. Ze zouden de liefde bedrijven (“neuken”) op de keukentafel. Ze zou zich aan de in de tafel prikkende keukenmessen vasthouden, hij zou met zijn heupen tegen haar onderkant en de schuiven beuken. Simultaan. Ze zouden niet in de moderne liefde geloven en elkanders moeders bezoeken.

Op veertien augustus verliet hij zijn huis. Het begon te regenen. Hij verschool zich in een ondiep portiek aan de zijkant van een kledingswinkel. Hij schudde zijn kletsnatte haren uit en keek naar het meisje dat plots naast hem stond, even abrupt als het onweer. Hij probeerde aan metaforen te denken. Maar het concrete, zij, vroeg naar andere overpeinzingen.

Hij wist niet goed wat te zeggen en hij durfde niet. Dat duurde even.

Hij raapte zijn moed op en sprak, zo banaal als hij kon opbrengen.

“Het regent.”
“Dat zie ik.”
Ze keken samen naar de regen, die een strikte verticaliteit handhaafde.
“Denk je dat er nog zon aankomt?”
“Dat weet ik niet.”
“Ik vind het wel leuk als ze doorbreekt.”
“Wie? Ze?”
“De zon.”
“Ah. Ja, dat is wel leuk.”
“Maar voorlopig regent het nog.”
“Tja…”
“Heb je er wel schik in? Hier staan?”
Ze keek hem aan.
“Het regent.”
“Dat weet ik.”
“Ik wil niet nat worden.”
“Ik begrijp het.”
“Maar ik vind het niet erg om te spreken.”

“Als de regen nu stopt zal ik haar naar haar telefoonnummer moeten vragen.”

“Zei je wat?”
“Ik vind het ook een aangenaam gesprek. Als dat is wat we doen.”
“Wat doen we?”
“Dat vroeg ik aan jou.”
“Ik doe niet veel. Ik wacht tot de regen stopt.”
“Rook je?”
“Nee.”
“Ik ook niet.”
“Ik begrijp het.”
“Je bent wel vlug van begrip.”
“Ja.”
Er passeerde een kapotte volkswagen door de straat, een kever. Op de achterruit waren de letters VW geschilderd. En het Kremlin.
“Begrijp je dat?”
“Het is gewoon een auto.”
“Ja.”
“Mensen hebben soms rare hobby’s.”
“En bezigheden…”
“Is dat niet tweemaal hetzelfde?”
“Een hobby is iets bewuster. Je zegt mijn hobby is… vliegeren bijvoorbeeld. Maar je zegt nooit mijn bezigheid is schuilen voor de regen.”
“Dus een bezigheid is niet iets dat je bestendigt? Als je bezig bent doe je gewoon, zonder kader?”
“Niet altijd, je kan ook bezig zijn als smid. Bijvoorbeeld. Dan smeed je het ijzer als het heet is. Dan zeg je ik ben smid en mijn bezigheid is het ijzer smeden als het heet is. Niet-smeden kunnen die bezigheden ook aanvatten.”
“Ik vind je verklaringen erg bizar. Verwarrend.”
“Verbijster ik je?”
“Je doet mijn zinnen zwijgen.”
“Waarom komen er dan toch nog uit je mond, zo nu en dan?”
“Dat zijn de mijne niet. Ik zeg iets anders.”
“Dat had ik al lang begrepen.”
“Je bent een vrouw, die begrijpen zulke dingen.”
“Hoe weet je dat?”
“Je draagt een rok, je hebt borsten, je draagt make-up en je begrijpt wat ik wil zeggen als ik het niet zeg.”
“Ik ben niet wat ik ben, ik ben iets anders.”
“Je bent een opening naar mij. Momenteel.
“Waarom momenteel?”
“Ik wil niet te pretentieus klinken.”
“Te laat.”
“Vind je dat?
“Ja.”
Ze keek hem aan.
“Je hebt dus naar mijn borsten gekeken?”
“Ja.”
“En?”
Hij stak zijn duim de lucht in een ontblootte zijn bovenste tandenrij, die door een spleet in twee gescheiden in zijn iets te grote mond met iets te dikke lippen stond. Ze lachte.
“Dan is het goed”
Hij keek even naar de grond, die niet zo nat was als hij verwachtte. Het leek elk moment te zullen gaan ophouden met regenen.
“Mag ik je iets vragen. Maar het is nogal…?”
“Bizar?”
“Ja.”
“Doe maar.”
“Kan je even per ongeluk aan mijn hand komen.”
Ze zweeg even.
“Je bedoelt, in een moment, zo maar even, tersluiks?”
“Ja.”
“Zodat jij niet echt kan interpreteren of ik het al dan niet met opzet deed?”
“Ja. Kan dat?”
“Dat heb je mooi verpest.”
“Ik weet het.”
Ze gaf hem een zoen op zijn wang.
“Dat was ook leuk.”
“Ja.”
“Maar zeker niet per ongeluk.”
“Heet je Marijke?”
“Nee, waarom?”
“Het zou gekund hebben.”
“Als ik haar was? Wat dan?”
“Hoezo?”
“Wat zou je dan gedaan hebben?”
“Dan zei ik hallo Marijke, ik ben…”
“Maar ik ben haar niet.”
“Nee.”
“Identiteit is een verschrikkelijk probleem. Het laat je de gekste dingen doen.”
“Zoals?”
“Gisteren kuste ik iemand op een fuif. Een jongen. Zomaar. Uit het niets. Omdat dat nu eenmaal iets is dat ik doe. Snap je?”
“Ik dacht dat we elkaar eeuwige trouw beloofd hadden?”
“Nog niet. Ik ben niet iemand die dat doet. Dat niet.”
“Misschien heb je de juiste nog niet ontmoet.”
“Dat is weer zo’n identiteit.”
“Doorzag ik onmiddellijk.”
“Natuurlijk, je bent een man. Mannen doen dat.”
“Dingen doorzien?”
“Onmiddellijk zijn.”
“Nu ja.”
Het stopte met regenen. De zon brak door. Een oude vrouw met een hermelijnen jas en een wandelstok schuifelde aan hun immobiele voeten voorbij. Een man kreeg een vijandelijk klinkende uitbarsting uit zijn aangezicht. Hij haalde spontaan zijn zakdoek boven. Die hing binnen de kortste keren vol snot.

“Wat vind je eigenlijk van keukentafels?”
“Ze zijn wel functioneel.”
“Dat is een perfect antwoord.”
“Ik vind het een wat perfide vraag.”
“Welk parfum heb je op?”
“Oestrogeen en feromonen. En zeep.”
“Oxytocine?”
“Sorry.”
“Ik begrijp het.”
“Ik wil je best wel nog eens zien.”
“Ja, echt?”
“Per ongeluk.”
“Dan doen we dat.”
Ze gaf haar lippen opnieuw aan zijn wang. Het was een tactiel oneerlijke transactie die goedgemaakt werd door de onverwachtheid van de daad die erop volgde. Ze wreef even over zijn hand. Hij kon niet echt bepalen of het per ongeluk was, of niet.
“Tot dan.”
Maal twee.

Hij keerde naar zijn grote huis terug om op te merken dat hij er alleen was. Hij vond het niet zo erg. Hij was een wat bizarre man.

Hij had een gigantisch kanon in zijn broek.

zondag 14 juni 2009

Froekoe zwap

Froekoe zwap

Damme damme gisse / djap
hajne hejne dasse / gip
Hikke Hiccu drinne / nap
Pana manna danna / hjip

Boerkoe nip
dippertje dap
geulie bip
Froekoe zwap!

Froe koezwap!

donderdag 11 juni 2009

La reine (de la literature Flamande) Margot

Jullie favoriete cynicus geeft het grif toe: hij is een klein wraakzuchtig eikeltje. De schrijfster en journaliste Margot Vanderstraeten, momenteel wellicht het bekendst als de controversiële opvolgster van ouwe bleitknar Bernaar, schopte ooit vrij hard tegen zijn ego en nu kan hij het mens niet meer luchten. Het liefst zou hij de bovengenoemde vrouw, vanaf hier toverkol, met haar billen bloot aan haar kuiten aan een lantarenpaal langs de E17 richting Oostende zien bengelen. Bij voorkeur tijdens een verlengd weekend, zodat de kindjes op weg naar zee een pedagogisch waardevolle les bijgebracht kan worden. ("Nee Pieterke, voor culturele hoeren kennen wij hier in de Vlamen geen genade. Die moeten allemaal kapot. Je moet niet wenen jongen, ze had erom gevraagd.") Tussen droom en werkelijkheid staan gelukkig luiheid en beleefde voorzichtigheid en deze schuchtere knaap is uiteindelijk veel te lief om zich te vergrijpen aan zijn dwaze rancunes, maar het is mijn inziens niet keurig om objectiviteit te simuleren waar er te veel emoties in het spel zijn. Dus: ontplof objectiviteit, ik haat Margot Vanderstraeten.

Ik las “Alle mensen bijten”, de met de Vlaamse Debuutprijs bekroonde roman van de toverkol, met een mélange van afschuw en hilariteit. Het is een melodramatisch verhaal over een zekere Lydia. Lydia is een vrouw die het moeilijk heeft. Uiteraard. Vrouwen hebben het in de metafysica van Margot, als we al zo stout een woord mogen gebruiken, zonder uitzondering moeilijker dan de doorsnee Iraakse vluchteling. Margot is ogenklaarblijkschijnelijk een volgeling van de psycho-analyse (dan wel niet die van Freud of Lacan, maar eerder een versie van Dunaldy) want de seksuele en emotionele trauma's uit de jeugd van het personage zijn allesbepalend voor haar latere leven. Haar moeder is alcoholiste, haar vader is een hoerenman en ze wordt op haar kostschool verkracht door een bende rigide nonnen. (Helaas vermeldt Margot niet of het al dan niet met strap-ons gebeurt en of er al dan niet video-opnamen van het evenement zijn.) Hierdoor groeit ons lieftallige flat charactertje Lydia op tot een bikkelhard mannenhatend teringwijf, wiens misandrie door de schrijfster overduidelijk erg sympathiek wordt bevonden. Eind goed al goed. Ik vraag me af wat ze nog op VijfTv spelen. Misschien wel iets met Yasmine Bleeth. Dat zou echt te gek zijn.

Maar wacht eens even? Ik hoor iets!
Kreunde daar iemand? Hoor ik in gedachten Hugo Claus zachtjes grienen in zijn graf omdat de literatuur in Vlaanderen nu echt gestorven is of zit Bernaar weer een potje te huilen op mijn stoep omdat hij alles te mooi vindt?

Het, godbetert, met een debuutprijs bekroonde boek leest als een flauw afkooksel van de eerste de beste soap. De personages verdrinken in obviousness, de dialogen geven nooit de indruk van dialogen maar zijn anderzijds ook niet literair genoeg om andere kwaliteiten te hebben en van spanning heeft de toverkol geen kaas gegeten. Heinz Konsalik, de overbekende Duitse schrijver van stationsromans, springt spontaan in onze gedachten. Je neemt wat romantiek, een verhaallijn die rammelt ("Maar wat zou het ook, ik sta daarboven", moet Marge gedacht hebben), nog wat oppervlakkige personages. Je kruidt het geheel met een lauwe saus van kwaadaardigheid en moeilijk te overwinnen obstakels en klaar: je hebt een boek als een Iglo-menu, klaar in vijf seconden en flets. Ja flets. Maar wel klaar in vijf seconden. De prulletjes van Konsalik zijn volgens deze formule geschreven maar, in tegenstelling tot de romans van Margot, razend populair en wel nog een beetje spannend. Bovendien schreef hij er om en rond de 150 van, soms wel vijf per jaar. Hij was ook geen arrogante hoogdravende vrouweikel. Margot schreef drie boeken in zes jaar (en dat is geen aansporing om er meer te schrijven), verkocht extreem weinig exemplaren van haar eerste twee romans (de derde zal door een meer uitgekiende marketing wel beter lopen vermoed ik) en haar schrijfsels zijn even opmerking als een potje muilen met Martine Tanghe. En ja, ze is ook een hautaine vrouweikel. Tegen ons verzuchtte ze ooit dat 'het toch wel vervelend was om aan de top te staan' want 'dat je dan nooit geen kritiek meer kreeg'. Wel, daar kan ik dan even een handje helpen, geloof ik.

Kijk, Marge, schatje. Geen probleem als je voor de ‘Flair’ of voor ‘Goed Gevoel’ wil schrijven. Je zou kunnen uitblinken in het genre ‘harde eerlijke vrouwen die op een stilistisch povere manier door mannen in de harige lippen worden getrapt’ als je nog een beetje oefent. Doe maar. Leef je uit, geef de meiden iets om naar uit te kijken. Het drieledig ontaarde rijk van het kwaad, Roularta, Sanoma en Corelio, verdient het immers ook om te blijven bestaan en je zou voor de duistere Triple Alliantie een geniale bijdrage kunnen leveren door het schrijven van amusante pulp. Maar beweer dan niet dat je een serieuze schrijver bent, Midge, zuurtje van mijn gal, want daar krijg ik de Rikiki van.

Het is altijd een slecht idee om als schrijver verliefd te worden op je hoofdpersonage en ik hoef geen lang betoog te houden om te bewijzen dat je in ieder geval autobiografische elementen in je personages legt als je over ze schrijft en ze dingen (meestal gebeurtenissen, maar in het geval van Margot ook vaak non-eventen, pun intended) laat meemaken. Een schrijver kan dan ook niet zonder een zekere dosis zelfhaat, ook al is hij de meest larmoyante romanticus die oprecht in het heroïsme van zijn hoofdpersonage gelooft. Als je de boeken van Margot leest kan je je jezelf niet van de indruk ontdoen dat ze het gewoon heel de tijd over zichzelf heeft en wil bewijzen hoe speciaal, uniek en vrijgevochten ze wel is. Goed dan Wil iemand haar in godsnaam vertellen dat ze speciaal is? Ze zit intussen alweer aan haar derde kutboek, het is welletjes.

Deze dekselse vrouw, deze absurd ongetalenteerde verwerkelijking van de menopauze staat nu elke twee dagen met haar schrijfsels op de voorpagina van wat één van de meest intellectueel voorname kranten van Vlaanderen zou moeten zijn. Gelukkig staat het me vrij om de krant niet meer te kopen als ik haar kop of naam zie verschijnen. Maar dan mis ik zoveel! Ah nee, wacht, ze hebben iedereen van belang ontslagen. Oef.

Ik geef jullie nog een uitsmijtertje mee, want als de VRT het mag, dan… Ja dan mag VTM het ook! (Fuck you lezer, fuck you.)
In het onderstaande filmpje vertelt ze geheel in haar onnavolgbare stijl (want ik wil best toegeven dat ze onnavolgbaar is) de grootste en meest prachtige wijsheden die ik in lange tijd gehoord heb.
Margot heeft net een boek gelezen en wat blijkt? Ze is trots als een kind op haar prestatie en het biedt toch wel ook nog eens daarbovenop en plus extra en voor niets de oplossing voor alle wereldproblemen zeker! Oblomov, als in het hoofdpersonage van het boek van Gontsjarov, had de economische crisis helemaal voorspeld! En wij hebben dat niet gelezen! Domme mensen, we hadden al die financiële miserie kunnen voorkomen als we gewoon wat meer romans hadden gelezen. Nou moe.

Klikkie

zondag 7 juni 2009

Hooikoorts

Ik ben een elegante man.

Laat ik dat even preciseren. Ik zou graag een elegante man zijn, maar ik ben wellicht gewoonweg ijdel.

Ik bekijk mezelf voortdurend in spiegels, winkel- en autoruiten en volg tijdens het stappen mijn bewegende silhouet zorgvuldig. Ik heb daarbij geen achting voor de oordelen van andere mannen. Ik minacht de oordelen van andere mannen actief. Ik denk: “Wie zou er nu zoiets willen missen?” Wanneer andere mannen zichzelf in ruiten bekijken dan denk ik: “jeannet.”

Al jaren lijd ik aan hooikoorts. Wanneer ik moet niezen (soms valt zo’n kriebel gewoonweg niet tegen te houden) dan kijk ik na de laatste stuiptrekking onmiddellijk rond me in de hoop dat niemand me gezien heeft. De gêne is groot als ik plots merk dat iemand inderdaad mijn snotterige hand en/of mouw in de gaten heeft. Meewarig kijkt hij of zij naar mij en denkt daarbij waarschijnlijk: “Nu ja, die jongen heeft hooikoorts.” Mededogen dat ik altijd voor spot verwar. Het is het grootste probleem in mijn volwassen bestaan. Het is een interpretatief probleem. Valt wel mee, ik weet het, ik kon ook de kanker hebben, maar het is toch een probleem.

Er zit iets komisch in de nies van een mens die ondanks zijn interne problemen met zijn alledaagse bezigheden bezig is. Hij niest om zichzelf te bevrijden van de kriebel maar haalt zich daardoor iets veel vervelender op de hals, hij wordt plots het luidruchtige punt van alle aandacht.
Zijn gezicht gaat in een grimas, zijn halsspieren gaan stram en stijf staan en hij klapt zowat half voorover. Het niezen heeft hem overvallen, hij had geen tijd om zijn zakdoek te nemen, het slijm hangt zowat overal. De omstanders maken zich, half proestend, uit de voeten. Hij doet alsof het hem niet stoort, snuit even en gaat door met wat hij deed (of vuurt eerst nog even een nieuw salvo af), maar vanbinnen hoopt hij: “alsjeblieft niet meer, jeuk ga weg, vade retro.” Hij beweegt zijn neus als een soort van schichtig konijn. Zijn hele lijf is geconcentreerd op het tegenhouden van wat er toch gaat komen, een vijandige en gewelddadige neusejaculatie.

Hij niest opnieuw. Mensen lachen. Hij mompelt iets verontschuldigend, zijn zakdoek voor de zekerheid in de aanslag houdend. “Je maakt het alleen maar erger, gek. Blijf van je neus.” Als hij even zou pauzeren zou niemand erover vallen, maar hij negeert het probleem hardnekkig.
Het niezen maakt hem kwetsbaar, het is ongewild exhibitionisme en maakt de omstanders tot voyeurs die moeten lachen om zelf geen schaamte te voelen.

Het ‘hatsjoe’ is het ongewilde gebed van de onmachtige die zichzelf op het toneel van de ander projecteert. Het vraagt: ‘wil me niet aankijken, want ik ben maar een lichaam, vatbaar voor alles, ik ben zwak’. Het rukt zelfs de grootste ijdeltuit of egotripper uit zijn egotrip.

Niezen is als onbeantwoorde liefde. Het gevoel is niet voluntaristisch maar breekt door tijdens een trip met de auto als je alleen bent. Je denkt aan haar gezicht en iets dat ze zei en er trekt plots een regen van zijden messen door je lichaam. Je wilt haar aanraken maar je hoopt dat ze je geaffecteerdheid niet zal zien als je bij haar bent.

Gelukkig: niets dwingt je om te niezen en om jezelf op die manier te verraden. Er gaat geen fysiologisch onbedwingbare kriebel mee gepaard. Je kan het voelen, de emotie die door je lijf giert maar het is hooguit te merken aan wat extra zweten, stamelen en je stem die nu en dan omslaat.

Misschien is de eerste onuitgesproken verliefdheid het mooiste moment, want wie zegt dat ze straks op je gebeden in zal gaan? De kans is groot dat je straks met snot in je handen voor haar staat en dat je hoopt dat je verder zal kunnen zwijgen. Maar eens de stortvloed is begonnen is het nog maar moeilijk om hem weer te stoppen.

Ze denkt vast “Nu ja, die jongen is verliefd.” of toch "Wat een domme sukkel?" Je wilt spot noch mededogen, dus het maakt niet echt uit. Je zou willen dat ze je lichaam bespringt en je geest zou gaan bewonen. Ze doet het niet.

Gelukkig: niets dwingt je om te niezen en jezelf op die manier te verraden. Maar wat, als ze toch ja zou zeggen? Wil je die kans dan wel missen? En ach je kent jezelf, je bent immers zo’n ijdele man, die maar wat graag aan zijn hand iets moois in de spiegels ziet voorbijglijden.

zondag 31 mei 2009

Kort leven, nu bellen. (in de TT)

Ik zal je handen wassen, ik zal je voeten laven en ik zal je honger van je wegnemen.
Ik zal niet versagen, ik zal roemrijk ten onder gaan.
Ik zal a en b zijn en c,d en e vergeten tot de z.
Ik zal je naam met affectie spellen.
Ik zal geen steen onomgekeerd en geen boom onbeklommen laten.
Ik zal als vissen in je poelen zwemmen.
Ik zal je diertje zijn en je poesje te eten geven (ik ben allergisch voor feleinen).
Ik zal geen seksueel getinte metaforen gebruiken.
Ik zal een stoute jongen en een brave bengel zijn.
Ik zal linguini met je eten. Ik zal nooit de verjaardag van je mama vergeten.
Ik zal schreeuwen, roepen en ook wel praten tot je ruft me in het gezicht raakt maar.
Ik zal daar niet over klagen.
Ik zal je haren kammen en je huid bedwingen.Ik zal aan je ruiken tot morgen en.
Ik zal je niet als ik het wel kan en.
Ik zal je niet als ik wel moet.
Ik zal geen verplichtingen kennen. Ik zal je wilde jaren mennen.
Ik zal oud zijn en ik zal denken.
"Ik zal nog één keer met haar vrijen."
Ik zal me opbergen en ik zal er vreselijk uitzien en ik zal vergeten worden.
Ik zal je niet ontzien. Ik zal je pijn doen.
Ik zal je spijt ontzeggen en.
Ik zal in je lachen.

vrijdag 15 mei 2009

Toen bleef ik staan.

Nasaal en verkouden en misantropisch en beleefd nam ik nog een cracker en verliet ik het grote feest, de deur met een smak achter me dichtplakkend. "Die zitten mooi voor altijd opgesloten", dacht ik. Maar och, "wat is de wereld kil en blauw en gemaakt van caoutchouc. Dan kan je maar liever aan de binnenkant zitten, in het vlees, tussen de levende lijken. Daarbinnen.", bedacht ik te laat. Al te laat, want het temporele heeft de neiging om de dingen die uitmaken ver achter zich te laten. Meer nog dan het harige heden en de tandenloze toekomst herdenken wij de ruimtes waarin wij het genot beleefden. Onze ervaring is volstrekt spatiaal, tijdloos tot het einde van de duur. Zo zijn we dan ook weer wel.

In het holst van de nacht zoog ze me op met rode ogen, bloederige emulsieve poelen, purper niet door het schreien maar ook niet uit lust. Ik betrad haar benen, maar enkel in gedachten, dus ik lachte met haar moppen en haar triestigheden en hervond me in haar dromen. Ik stond stijf van de hemoglobine, het schoot alle kanten uit.
"Je hebt hele mooie dromen", wilde ik haar zeggen, of misschien "Ik vind dat je zo leuk en schattig lacht, als je lacht" maar zelfs dat durfde ik niet. Ik ben een dorstig en angstig wezen, ik durf niet veel, ondanks die kurkdroge bek van me. Ik droeg de jas van de vrouw die ik ooit beminde, ik was beschermd tegen ziekten, een bruine lap rond mijn roze lenden.
Ik dronk en zij dronk: we dronken.
Ik wilde haar vertellen dat ze mooi was maar vroeg mezelf af of daar geen betere formulering voor was. Het was een dwaas verlangen, want wat de fuck kunnen woorden. Ik zei: "Misschien moeten we eens opkrassen". Toen bleef ik staan.
Stilstand is niets zonder de gedachte aan de verscheuring, hompen vlees voor de raven, mijn met honing ingesmeerde buik en een griezel-y-beer.
Ze vertelde me dat het niet kon, en ook "Eén leven is nooit genoeg" en dat was de waarheid, of iets dat daarbij in de buurt komt en ik verbood haar om ooit spijt te hebben. Ik had zelf wel spijt: de waarheid heet banaal te zijn, maar doet daarom niet minder pijn.

Buiten en.
In de verte hoorden we Damascus en zijn slakken. Duizend afgebeulde ijskoude lijken van werkers in ruil voor een lila hoed voor Leo X. Een jood met sluik haar droeg een kruis naar zijn slaapkamer, een moeilijk af te schudden gewoonte sinds jaren, we zagen het door zijn ruiten. De wereld binnen leefde alweer, als ecoli in de darmen. De nucleaire woestenij begon op anderhalve meter van mijn armen. Ik bazelde wat als "Ik ben radeloos en buiten mijn zinnen." en beet op mijn tong om te kunnen zwijgen. De passie vliegt per chartervliegtuig heen naar warmer oorden. Een tel en het is over en in het moment vindt de hele geschiedenis zijn concentratie en wat maakt het uit dat ik een man ben en jij een vrouw, als dit niet kan of mag gebeuren? Er gebeurde niets minder dan veel maar er lag een twijfelwoord in al onze zinnen.

Ik zit als Diogenes in zijn ton, maar dan op een stoel en zonder ton, en ik hoor inderdaad de honden blaffen naar de put in mijn genenziel. Larmoyant misschien, maar het is niet anders. Ik ben hier alleen, en wat niet dood was is in die nacht dan maar gestorven. Gecrepeerd.

donderdag 14 mei 2009

Illyricus Blaaskorst

De Belgische dichter Illyricus Blaaskorst (1889-1933) schreef, tijdens een bui van hevige inspiratie bij het lezen van een bundel van de hermeticus Mallarmé, wel twee en een halve onvolledige gedichten. De gedichten waren van een ongekende genialiteit ondanks hun gargantueske betekenisgeslotenheid en blonken vooral uit in het zeggen van het niets. Moeten we niet, op het einde van de dag, gelegen op onze buik, en misschien met een maes pils in de hand, allemaal "een 'pintje' gaan pakken" zoals de dichter suggereert? Wie zal het zeggen, het mysterie ligt vooral in het raadsel en nooit daarbuiten, in het park bijvoorbeeld, waar de zon schijnt. Geniet van deze literaire parel, exclusief op delaatstecynicus.blogspot.com en ook op youtube, enzo.

video

vrijdag 24 april 2009

HV I

Druppels in de zon
Tuinen van smaragd,
Gekraak van gevels,
De gangen leeg,
De vloer is glad en stil,

Moeder zoogt ons,
met gekloofde tepels.

donderdag 9 april 2009

Rit naar Messier 24.

Vervolg van Wake-up call

Download het hele verhaal als Epub: Hier

Met zijn handen in zijn zakken, en diezelfde handen in die zakken omzwachteld met zware plastic verbanden, wachtte Blaffetuur Argwanend op de Pony-express van half zeven. Het dikke synthetische materiaal van de interstellaire stationsbuis stelde hem gerust.
“Ik ben toch wel tevreden om in de rijkste van alle rijke staten te leven”, dacht hij, “ook al is het er vaak droger dan in de kut van een woestijnwijf in haar menopauze.”

Het stationsgebouw was afgesloten met een driedubbele stalen deur met oog-, vingerafdruk- en silhouetidentificatie. In feite was je leven niet echt veilig na zes uur ’s avonds op de straten van de megametropool Durbuy. Het hordengeweld, de atavistische stammentwisten waaraan de rijke snobs met woedepillen zich na werktijd vergrepen, was de laatste maanden hevig uit de hand gelopen. Er werden bijna geen technologische wapens meer gebruikt tijdens de vele schermutselingen en meelees, alleen nog knotsen, buizen en stenen, en naar verluidt hadden velen ook de drugs die hen in een woedende trance brachten geheel en al uitgebannen. Puur op puur eigen chemische krachten geweld begaan was natuurlijk nog illegaler dan het gesteund door de pillen van de farmaceutische giganten te doen. De allianties waren willekeurig en schenen alleen gesloten te worden om het geweld en de eigen macht te maximaliseren. Er was met andere woorden geen sprake van oprechte allianties die iets met broederlijkheid of vriendschap te maken hadden. De clansleden handelden enkel uit sangui-politiek opportunisme.  De nieuwe Goddelijke Wind, een clan van door klassieke Aziatische oorlogsgeschiedenis geïnspireerde intellectuele snobs was op dat moment het sterkst, maar het viel nooit te voorspellen wie er in deze gewelddadige stadsarena de leiding over zou nemen. De overheid kende alle leiders, maar liet hen begaan, want ze wisten dat de ene hiërarchie al vlug overging in de andere en dat iemand arresteren alleen tot de onmiddellijke eliminatie van de leiderloze groep zou leiden. Voor de eerste keer sinds de Grote Droogte wisten de leiders van de federatie en de stadsbesturen van de Gouden Vier niet wat doen. Repressie zou hier niet werken en gezien de omvang van het fenomeen en de positie van vele clansleden zouden executies een catastrofe voor de economie betekenen. De wijze Ohm en zijn Stroombestuur, het hoogste orgaan van de hele federatie, zaten met de handen in de simulatiealgoritmes van hun virtuele haren.

Er was nog wel meer aan de hand dat niet in orde was in de Megalopool en daarbuiten. Het holonieuws berichtte constant over de rebel Briargh, een zwarte halfgod die zijn fortuin had verworven door de door de overheid gesubsidieerde speculatie op financiële transfers. Hij ageerde vanuit een geheime locatie en predikte een geheimzinnige ideologische leer waarvan de inhoud nooit onthuld werd. Blaffetuur sympathiseerde met Ohm, omdat hij verplicht de empathiemodule aan de basis van zijn schedel diende aan te klikken tijdens het holonieuws.

Blaffetuur wenste innig dat hij meer dan vijf keer gemasturbeerd had voor hij zijn eenmansflat, de enige soort die nog bestond, verliet. Maar de geschiedenis mocht dan niet onwankelbaar vast liggen in het behoorlijk solide krentenbrood van de ruimtetijd en het lag in de technologische mogelijkheden om kleine gebeurtenissen in het verleden aan te passen, het was burgers sowieso maar één keer per week toegestaan om het verleden te manipuleren. Blaffetuur had die maandag zijn krediet al opgebruikt via het auto-bio-netwerk (abn) toen hij zijn geschiedenis vervalste met drie boterhammen met bonenkaas drie uur eerder omdat hij honger had en geen zin had in vertering. Hij was nerveus als gevolg van zijn lange seksuele abstinentie en hij voelde de lust om zichzelf enkele neurotranquillizers, wat pretpillen of zo, toe te dienen mits een tongklik in zijn kaakwand. Maar zijn voorraad was nogal laag dus hij deed het maar niet, want hij wilde helder blijven. Zijn stress vuurde hem aan en hij had een vertrouwen in de obsolete methoden van de natuurlijke pretechnologische mens dat hem zowel bizar als irrationeel toescheen. Maar seksuele spanning was niet het enige dat hem voortstuwende angsten bezorgde.

De waarheid was dat hij de avond na het immateriële telefoontje van de zich ontvoogde Wendy, zijn favoriete hologram, zijn nummer één, al behoorlijk in paniek geslagen was. Het telefoongesprek dat zich ontrolde was simpel, romanesk en ontechnologisch. Wendy vertelde hem, natuurlijk, dat ze van hem hield en dat ze van hem wegging, dat ze haar eigen pad ging volgen, net omdat hun liefde nooit zou slagen, omdat hun relatie, zoals zij die wou, onmogelijk was in dit gestel, in deze wereld, met die toekomst. Hij zei: “Nou, ja.” Daarop had ze de verbinding verbroken. Een noodoproep naar de holo-centrale, drie tranquillizers en twee virtuele masturbaties verder lag hij al in een diepe maar onverzadigende slaap. Hij droomde dat hij een eekhoorn was, hoewel er nergens bomen te bespeuren waren, en hij droomde van de liefde, voor het eerst, alhoewel hij ze niet zo benoemde, en ze ook niet begreep. Hij voelde zich gewoonweg angstig. Hij werd wakker met twee bloedende sneden in de palmen van zijn handen. Zijn lakens en zijn lichaam waren besmeurd met bloed. Hij wist plots zeker dat hij ergens moest zijn. Op een plaats ver van waar hij was. Hij richtte zich op, iemand had een getal op zijn muur geschreven. Het was 1024, in Romeinse cijfers, een m, twee keer x, een v en een streep ervoor. Had hij dat dan gedaan? Had hij dat geschreven?

“Dit moet de heftigste schijt zijn die ik ooit heb meegemaakt.”, zei hij luidop en hij klikte zich een angstremmer in zijn brein.

Toen hij gekalmeerd was, en na de nodige masturbatie, die hij nodig had als een chocolaverslaafde zijn witte crunchybar, een chocoladesnoepje met 98 procent cacao, bitter, niet eens lekker en zeker ongezond. Kortom: overheerlijk.

“1024.”, dacht hij, “Het jaar duizendvierentwintig? Een antieke pixelresolutie? Een ïtiegeheugenformaat in bits. Dat lijkt onwaarschijnlijk.” Hij werd plots geholpen door de sterke intuïtie dat hij diende te vertrekken. “Een plaats? Een coördinaat?” Wat als de M nu eens geen deel van het getal is, fluisterde hij zichzelf in, alsof hij een dwaas inlichtte. M24. Sterrenstelsel M24. Hij wist zeker dat dat het was, de ontcijfering van de randactiviteiten bij zijn nacht in coma, maar hoe kon hij zo zeker zijn van iets waarvoor helemaal geen evidentie was? Hij haalde zijn schouders op.
“Ach ja, jij hebt het natuurlijk zelf geschreven dus natuurlijk weet je het zeker, kutkop.”

Hij boekte een ticket naar de parallelle aarde in sterrennevel M ‘Messier’ 24.
Messier 24 was voor het grootste deel onherbergzaam en werd bijna nooit bezocht, zeker niet door de verwende inwoners van de Groot-westerse federatie op aarde. Er waren vrijwel geen vakantieparadijzen, zoals in de andere nevels van het stelsel steeds wel het geval was. De meeste planeten waren barre onbewoonbare plaatsen en werden zelfs met de meest geavanceerde terraformingtechnieken buiten het bereik van de menselijke agricultuur geacht. De zogenaamde ‘parallelle aarde’ was een relatieve uitzondering op die regel en bereikte extrema in temperatuur die slechts honderd graden van elkaar lagen. Dat was weliswaar een groot verschil maar niet gigantisch als je het met de andere planeten vergeleek. De replica van een Noord-Amerikaanse mijnstad in het verschroeiend hete zuiden van Messier 24 uit de 19e eeuw was er de grootste trekpleister. Het was er een heuse drukte, met zijn 13 bezoekers per vijf jaar.

Ondanks deze kleine geosociale aantrekkingskracht was de aandrang om erheen te gaan te groot om te weerstaan voor Blaffetuur. Hij verklaarde de neiging tot vertrekken door een niet-lokaal krachtveld. In de twintigste eeuw ontdekten wetenschappers al dat sub-microscopische deeltjes elke geografische afstandbarrière konden overwinnen om een invloed op elkaar uit te oefenen, mits ze samen ontstaan waren. De deeltjes namen simultaan dezelfde beslissing, zonder daarbij een boodschap naar elkaar te sturen. Men wist zeker dat de deeltjes niet communiceerden op een gekende manier, want gezien de tijdsspanne en de snelheid van het licht was daar geen tijd voor. Later ontwikkelde men methoden om veel grotere systemen elkaar niet lokaal te laten beïnvloeden. De verklaring voor het mechanisme van die onmiddellijke globale impact van een factor bij een object op een factor bij een ander object was echter nooit gewonnen en bleef een mysterie voor elke onderzoeker, die er dan ook steevast de tanden op kapot beet. Niet-lokale beïnvloeding kon dus geïnduceerd worden, maar men wist niet waarom het gebeurde als men het veroorzaakte. De enige voorafgaande vereiste aan de procedure was dat het systeem dat gesplitst werd ooit één systeem was geweest en eenzelfde origine deelde. Tweelingen bleken de ideale proefpersonen en in de vroege periode van de quantumbiologische experimenten ontstond er daarover de nodige ethische controverse. Wetenschapper werden door het slijk gesleept, beschimpt en voor dr. Mengeles versleten. Eén wetenschapper liet, gegrepen door de arrogantie die de zwaarwichtigheid van onderzoek omringt, zijn eigen twee zoons aan een experiment onderwerpen. Het experiment verliep prima maar de man verloor al vlug zijn verstand en ging in witte gewaden op een berg in Tibet zitten. Ze vonden hem met zijn reet aan zijn stoel gevroren terug, zo dood als lazarus voor Jezus Christus de hartmassage uitvond. Zoals dat gaat verloor men (de media, ook wel de mensen, ook wel de publieke opinie, in die tijd al volledige synoniemen) echter al vlug de interesse en onderzoekers werden met rust gelaten. Gestaag vorderden ze naar het niet-lokaal beïnvloeden van de menselijke geest. De experimenten gingen ver, en de causaliteit werd sterker maar het gezamelijke ontstaan bleef een niet te omzeilen obstakel.

Maar ook al schreef Blaffetuur zijn verlangens stiekem aan niet-lokale krachtvelden toe, dat wilde niet zeggen dat hij het ook geloofde of dat hij zijn gissingen rationeel vond. Hij was geen tweeling met Wendy of ze waren niet op een andere manier samen ontstaan. Meer nog, hij was een mens, een uitspuugsel van de levende natuur, en zij was een hoogst geperfectioneerd programma van de soevereine menselijke geest, ook wel het epifenomeen van de levende natuur. Wendy was maar een programma, niet eens echt in biologische zin, dat ze “verliefd”, wat dat dan ook wilde zeggen, zou worden was absurd. Dat hij verliefd op haar zou zijn was nog absurder.

Het was allemaal erg verwarrend en hij liet de schilden voor zijn oogbollen zakken om in afwachting van het verplaatstuig naar een interessante documentaire te kijken op de Rollende-oogbeweging-projector. Het voordeel van deze vorm van vermaak was dat je je dromen kon sturen zodat je tijdens je slaap de uren nuttig en prettig vulde met documentaire, drama en komedie. Het nadeel was dat je vaak opstond met barstende hoofdpijn. Blaffetuur koos voor een info-pornofilm, een populair genre in zijn tijd, over de opkomst van de door de clitoris gedreven verhaallijn in de kinderliteratuur van de laat 22e eeuw. Hij sloot zijn ogen en dommelde weg met de nieuwe wiegende prikkels.

Hij stapte op en zocht zijn weg in het tuig. De verschillende afdelingen van de sterrenkoets hadden van die leuke plaatjes om makkelijker je weg te vinden, pictogrammen zoals je in archaïsche systemen ook had. Hij ging zitten in coupé 5A-Y567IK, ook wel de coupé met het prentje van Alpha Centauri. Er zat maar één persoon, en Blaffetuur ging rechtover hem zitten, zij het ietwat diagonaal met zijn gezicht naar het raam, waarachter al een oneindige hoeveelheid aan grijze materie vlakbij de koets voorbijzoefde, als een monotone stoet 2dimensionele betonwanden. Het deed Blaffetuur denken aan de inrichting van zijn appartement. Hij moest ondanks zichzelf en zijn zenuwachtige staat glimlachen, trots als hij was om de ongekende gezelligheid van zijn woonst.

 Het uitzicht ging echter vervelen en hij overwoog of hij even zou masturberen. Eventueel kon hij aan de andere man vragen om hem te vervoegen in een of andere erotische module van één of ander holoprogramma. Vanuit zijn ooghoeken bekeek hij de man. Hij droeg een standaard synthetische plastic broek en een dik synthetisch t-shirt met lange mouwen en wanten van polyethyleen, aan zijn voeten had hij geen schoenen, aangezien hij gemodificeerde prothesen had met grijpklauwen. De klauwen deden vermoeden dat hij een klimmer was, een stevig sporter, maar zijn lichaamsbouw verried niets van die aard. Het was natuurlijk onmogelijk om op basis van uiterlijke biologische kenmerken te bepalen hoe oud hij was, want alle uiterlijke kenmerken van veroudering behoorden tot een ver verleden. Te beoordelen aan de vele anorganische prothesen en hulpstukken was hij een al wat oudere man, iets over middelbare leeftijd, zo rond de 160 zonnewendejaren. Daarmee was hij een stuk ouder dan Blaffetuur, die maar 47 jaren oud was.

Terwijl hij deze bemerkingen maakte en geheel en al als het ware aan een schelpvormig madeleinekoekje overgeleverd zijn eigen gedachten hun gang liet gaan kreeg hij een oproep op zijn communicatie-interface. Tot zijn verbazing belde de man rechtover hem nu naar hem. Zou hij soms zijn gedachten gelezen hebben? Dat was niet onmogelijk maar erg onwaarschijnlijk: de technologie was iets te illegaal om zomaar in het openbaar in een koets te gebruiken. Hij klikte de telefoon aan met zijn tong en stelde de modus af op ‘smalltalk’, wat inhield dat er maar keuze was tussen het overbrengen van enkele verschillende boodschappen met een triviaal karakter. Zinnen als ‘mooi weer vandaag hé’ en ‘reist u ver?’. Blaffetuur hoopte hierdoor duidelijk te maken dat hij niet erg veel prijs stelde op een gesprek. De man hield zich echter niet aan de protocolregels, boog op één of andere manier de beperkingen om en sprak hem aan met zijn voornaam. Blaffetuur reageerde heftig, aangevuurd door zijn zich in een staat van neuralgie bevindende perifeer zenuwstelsel, met andere woorden door zijn hoofdpijn. 

“Als u illegale programma’s gebruikt om mijn naam te weten dan zou ik willen dat u daarmee kapt.”
De man lachte luidop, een uiterst eigenaardige reactie in deze situatie, vond Blaffetuur.
Hij sloot de verbinding af, hij had geen behoefte aan de eigenaardige spelletjes van een excentriekeling. De man zocht meteen terug contact en Blaffetuur maakte een fysiek gebaar waarmee hij aanduidde dat hij geen verbinding zou maken.

“Die vervelende vent weet van geen ophouden”, dacht Blaffetuur toen het duidelijk werd dat de vervelende vent van geen ophouden wist en hij maakte contact om hem eens goed zijn vet te geven. De man wist hem te sussen met één enkele zin. Hij sprak met een vette stem alsof hij metalen stembanden had die ingesmeerd waren met olie, wat bij nader inzien waarschijnlijk ook het geval was.

“Wendy stuurt me.”

Lees verder: Moderne Luddieten.