zondag 28 februari 2010

Twee volstrekt willekeurige ontmoetingen.

Het was alweer winter. Ik liep de tuin in en zag de dode bladeren van de herfst. Ik dacht: “Kutbladeren, dat is ook elk jaar hetzelfde.” Ik ging weer naar binnen, stapte in de keuken en nam een fles melk uit de koelkast. Ik dronk een slok en belde naar mijn moeder. Ze nam niet op. Ik liep de trap op en ging op bed liggen. Ik sloot mijn ogen en zag lichtflitsen in de duisternis. Het canvas van mijn geest was een leeg projectiescherm waarop alleen onzin werd getoond.
Het was zondag en er viel geen zak te beleven. De dag ervoor was ik goed doorgekomen dankzij de fysieke afleiding die mijn kater me bood. De dag voor die dag was ik goed doorgekomen door de mentale afleiding die mijn dronken baldadigheid me bood. De tijd is minder vergevingsgezind als je geen whisky als ontbijt hebt. Ik beleefde een schijtdag, alleen op mijn bed, alleen in mijn kamer, alleen, alleen. Schijt, ik was alleen. Schijt.

Twee dagen daarvoor, in volle dronkenschap, sprak ik in een bar een man aan. Hij bleek geen specifiek idee te hebben over wat hij aan het doen was. Hij dronk een Westmalle Tripel, zijn vijfde. Hij was van plan om een zesde te bestellen. Het kon me geen zak schelen of hij het deed of niet, maar omdat ik hem wel sympathiek vond bestelde ik er één voor hem. Hij vertelde me dat zijn vrouw hem steevast lastigviel wanneer hij van een zware dag werken thuiskwam. Hij werkte voor één of andere televisiedistributiegroep. Hij vond dat grappig, hoewel hij zei dat het zinloos en frustrerend werk was. Ik zei hem dat vrouwen niets anders deden dan klagen en liefhebben en dat mannen geen enkel ander doel dienden dan die dubbele behoefte te beantwoorden. Daar werd hij triest van, maar hij vond me een wijs man. Ik kon hem niet wijsmaken dat ik niet wijs was. Mensen hebben zo hun ideeën en probeer ze daar maar eens vanaf te brengen. Daar komen al vlug bajonetten en musketten aan te pas.

Hij klopte op mijn rug en ik op de zijne en we bereikten die affectie die heteroseksuele mannen maar bereiken als ze dronken genoeg zijn, een gevoel van wederzijdse appreciatie en de bereidheid om de ander niet onmiddellijk de kop te willen inslaan. Daarna ging ik weg, omdat je ook niet hoeft te overdrijven met die appreciatie en ook omdat ik te dronken was om nog te spreken zonder te braken. Ik braakte in mijn tuin, keek naar mijn braaksel en weerstond de drang om het weer op te eten. Dat had ik alvast voor op honden, zoals ik besloot.

De dag daarop werd ik wakker met hoofdpijn en waadde door mijn huis als een slak door een diepe kom gelei. Uiteindelijk werd het laat genoeg om ofwel weer te gaan drinken ofwel om mijn maag te vullen met vettige prut. Ik koos voor het laatste en reed op goed geluk met mijn fiets de straat op om frieten te kopen. Ik vond een frietkot, parkeerde mijn tweewieler tegen de gevel, ging binnen en deed vriendelijk tegen de baas. Erger nog dan onbeantwoorde liefde is onbeantwoorde vriendelijkheid. Ik rekende af, hing het plastic zakje aan mijn stuur en reed naar huis.

Na een vijftal minuten fietsen hoorde ik een stem naar me roepen. Op het voetpad stond een kleine bibberende man van een 55-tal jaar oud. Ik remde en vroeg hem of hij me geroepen had. Op dagen waarop mijn katers zo groot zijn kan het gebeuren dat ik me dingen verbeeld die er niet zijn, mini-psychoses in een wereld waarin elke fysieke beweging pijn doet. Hij antwoordde affirmatief op mijn vraag. Hij vroeg me waar het ziekenhuis was, alwaar hij iemand wilde bezoeken, een Liliane of een Juliette of een Paulette. Ik zei hem half lachend dat het ziekenhuis gigantisch groot voor ons uittorende als hij even naar rechts keek. Hij zag het niet en bij nadere inspectie bleek hij helemaal niets te zien. Toen ik hem vroeg hoe dat kwam zei hij dat hij het niet wist. Het was enkele dagen geleden begonnen. Ik besloot om hem naar het ziekenhuis te leiden, ondanks mijn honger en mijn steeds kouder wordende frieten. Diep vanbinnen voelde ik me al een held. “Hypocrisie en zelfwaan zijn de grondslagen van alle moraliteit”, antwoordde ik hem toen hij me bedankte. Dat begreep hij niet, of hij had geen zin om erop te reageren. Ik overwoog of ik op zijn smoel zou slaan en zijn geld zou nemen. Hij zag er niet erg rijk uit. Ik zag af van kwaadaardigheid en volhardde in mijn goedheid.

Na veel gedraal en gezoek en gezeik vond ik de ingang van het ziekenhuis en ik leidde hem met mijn hand op zijn rug de steile steiger op. Rolstoelpatiënten zouden onmogelijk op het ding kunnen geraken aangezien het meterslang en –hoog was en ik besloot dat het een soort van fascistisch ziekenhuis voor de toch al gezonden moest zijn. Mijn vooroordeel werd bevestigd toen de receptionist, een grote grijze kerel met een ouderwetse bril en een kop waarop een zure gelaatsuitdrukking stond getatoeëerd me niet binnen wilde laten. De halfblinde stakker had blijkbaar nog al aan de deur gestaan en was dus niet alleen halfblind maar ook in de war. Zijn vriendin bleek in een ander ziekenhuis te liggen. De receptionist wilde wel een taxi bellen. Ik zei hem dat hij zijn taxi in zijn hol kon steken, waarop hij met enige wrevel reageerde. Ik verliet het ziekenhuis en vertelde hem dat mijn frieten koud werden. Hij scheen daar begrip voor te hebben. Ik draaide hem in de juiste richting en vertelde hem dat hij onderweg nog maar eens de weg moest vragen. Dat zou hij doen, zei hij, en hij bedankte me nog eens. Ik liet hem achter als een hond aan een ketting in een bos vol wolven. De abstracte voorstelling van zijn lichaam onder een voortdenderende vrachtwagen was minder sterk dan het zeer concrete beeld van mijn frieten die met een rotvaart in mijn keel verdwenen. Ik bleef even staan en zag hoe hij zich steeds verder van me verwijderde, een dwerg met een groene jas, een hoofd dat rechtstreeks op zijn romp leek te staan en ogen die wanhopig maar tevergeefs naar herkenbare vormen zochten.

Ik ging naar huis en at mijn frieten op. Na drie happen had ik al maagpijn. Ik nam nog één moeizame hap en kapte de overschot in de vuilbak. Ik ging naar de tuin, keek naar de maan en vloekte. “Het is ook altijd hetzelfde met die schijtmaan.” Ik liep naar binnen, ging naar boven, kleedde me uit en ging op mijn bed liggen. Ik ging dood en het was alsof ik nooit geleefd had, maar dat kon helaas ook niet blijven duren.

maandag 22 februari 2010

Tanka

Quite astute
a cunningly stubborn girl.

Prod the crevasse
In your temporal lobe.

A sudden change of mind.

maandag 15 februari 2010

Sinopisme (9)

Deel 9 van de kroniek over Diogenes. Deel 10 verschijnt op donderdag 25 februari.

De gebeurtenissen van mijn jeugd begonnen aan hun slotstuk toen de Perzische opstand in alle andere stadsstaten van Asia Minor uitbrak. Eén voor één vielen alle vrije gemengd Grieks-Perzische besturen en op televisie zagen we avond na avond een amorfe stroom voddige vluchtelingen met gammele karren naar het noorden vluchten. Gewapende mannen keken hen van de periferie dreigend aan. Kleine kinderen wierpen stenen naar hun leeftijdsgenoten, die te bang waren om zelfs maar op te kijken. De volgende nacht werden in Sinope 4 pro-Griekse parlementsleden in hun huizen vermoord door Perzische huurmoordenaars. De dag erna werd een bejaarde senator voor het bouleuterion op de agora en voor het oog van zijn kinderen, vrouw en enkele honderden anderen doorzeefd met messteken . In de hoofdstraat bengelde een Griek aan zijn nek aan een touw. Voor zijn lichaam had iemand een bord met het opschrift “Kyon” gehangen. De Baksteen verdreef alle zonen van Dana uit het openbare leven en de politiek. Waar het voorheen nog mogelijk was om overdag normaal te functioneren gingen de lynchpartijen nu overdag verder, na gruwelijke nachten, met schreeuwen en gejammer gevuld. Het vuur vulde onze vochtige ogen en verbrandde onze harten.

De magi Hoosmand arriveerde in de stad en nam met plechtstatigheid en vertoon het bestuur van de stad in de handen. Er waren geen verkiezingen. De democratie werd afgeschaft, bouleuterion en senaat werden gesloten en de theocratie deed zijn intrede. Massale vervolgingen vervingen de lynchpartijen. Het officiële verdrong de woede van het volk, met ongeveer dezelfde gevolgen.
Griekse immigranten werden mestkevers en honden genoemd en er werd opgeroepen tot vernietiging van het ‘inferieure ras van de Bosporus’. Ook veel niet-Griekse Grieksgezinden werden gevangen gezet.


Alle Griekse radio- en televisiezenders werden uit de ether gehaald. Vanaf dan zagen we geen vluchtende mensen meer, alleen schreeuwend optimistische tulbanden. Op de Perzische televisie heerste er een sfeer van nationalistisch triomfalisme.

De sfeer in ons huis werd steeds grimmiger. Mijn vader betonneerde zijn zwijgende aard. Hij zweeg van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat. De stilte en de constante dreiging dreven me tot wanhoop en ik kon mijn geest slechts door seksuele exploratie en fantasmen rustig maken. Manes was de pleister die mijn wonden verbond, ik wist dat hij me zou redden. Ik heb daarin uiteindelijk gelijk gekregen, ook al moesten daar eerst vreselijke dingen voor gebeuren. Om gered te worden moet men eerst verloren zijn.

Elf dagen na het losbreken van de revolutie werd er om vijf uur ’s ochtends bij ons aangebeld. Toen de bode niet onmiddellijk opendeed werd de voordeur met geweld opengebroken en een troep in het zwart geüniformeerde zwaarbewapende mannen stroomde ons huis binnen. Ik werd wakker door het lawaai van de versplinterende voordeur en het daaropvolgende aanhoudende geschreeuw, verliet gedesoriënteerd mijn bed en liep in paniek naar de woonkamer. Paniek was in die tijd ietwat van een gewoonte van me geworden, maar het gevoel was deze keer sterker dan de andere keren. Rillend stapte ik de trap af en ging in het deurgat van de woonkamer staan. Mijn vader stond wijdbeens tegen de schouw, met zijn handen achter zijn rug vastgeboeid. Over zijn hoofd had hij een zwarte zak, gemaakt uit een glanzende stof. Toen ik dichterbij wilde komen kreeg ik van één van de uniformen een harde klap in mijn gezicht. Mijn vader werd voor mijn ogen weggeleid. Pas twaalf dagen later kreeg ik nieuws van hem. Ik ontving een brief met de vriendelijke vraag of ik wilde getuigen op het proces dat de overheid tegen hem aanspande wegens landverraad. Ik vond dat vreemd, want Sinope was niet eens een land, maar een stadstaat. Ik geloof dat ik toen erg naïef was, zoals jonge mensen zijn voor ze verbitterd worden. De brief was ondertekend door de advocaat van mijn vader, van wiens bestaan ik tot voor die dag nooit gehoord had. Hij had een Perzische naam.

vrijdag 5 februari 2010

Sinopisme (8)

Deel 8 van Sinopisme, het volgende deel verschijnt op donderdag 11 februari.

Ik kende Manes al langer dan die dag, sterker nog, hij was een protagonist in al mijn natte dromen. Hij werkte bij ons in de bank als koerier en vervulde ook vaak de functie van dienstbode bij ons thuis. Mijn vader had hem gekocht op de slavenmarkt van Amastris, een stad ten westen van Sinope. Hij kwam over als een vlijtige, beleefde en schuchtere jongen. Hij sprak niet vaak maar ik vermoedde dat hij veel verbeeldingskracht had en net zoals ik vooral in zijn eigen fantasieën leefde. Het was een totale verbazing voor me toen hij plots al worstelaar voor me stond. Voor ik naar de worstelwedstrijd kwam richtte mijn ontluikende seksuele aandacht zich al een tijd op het lichaam van de jongen en ik vergreep me in uitgebreide fantasieën aan zijn lichaam. Nadat ik hem die dag tot mijn grote verbazing, gekleed in een roze spandex pakje, in de achtertuin van een stel vadsige worstelfanaten had gezien, veranderden mijn erotische dagdromen in marathonafruksessies.

Manes kreeg als slaaf de tijd noch de ruimte om zichzelf intellectueel te ontwikkelen, maar zijn pezig gespierde lichaam was een indrukwekkend schouwspel. Wanneer hij zware lasten torste zwol alles op en kwamen zijn spieren vanonder zijn schaarse kledij naar boven. Als hij rende verloren zijn haarloze kuiten hun urnachtige vorm en werden ze het dynamische onderdeel van een gestroomlijnd landschip. Na de middagpauze laste ik steeds vaker masturbatiesessies in het kantoor van mijn vader in. Ik wachtte tot mijn vader een klant ging bezoeken, sloop naar zijn kantoor en deed de deur ervan op slot. Ik ging op de massieve koude fauteuil met zware eiken leuningen achter zijn bureau zitten, en ik sloot mijn ogen. In mijn gedachten was mijn op- en neerwippende hand de mond van Manes. Fellatie was sinds het in mijn geest opduiken van de handeling enkele weken daarvoor een even plotse als originele gedachte geweest, hoewel ik het woord niet kende. Sinds mijn inval ontwikkelde ik een uigebreid netwerk aan seksuele gedachten die met de oraal-genitale handeling verband hielden. Manes die me afzoog op de bureaustoel van mijn vader was één van mijn favorieten. Ik kwam klaar en bleef nog een tijd met mijn broek op mijn enkels en mijn ogen wijdopen in het kantoor van mijn vader staren. Half luidop las ik de titels van de fiscaal-economische turven op zijn kasten, terwijl het zaad van mijn handen droop. Dat was mijn lievelingsmoment, ik was geen triest dier na de coïtus. Ik snokte aan mijn instrument tot het ontvleesd, verweesd en blauwig naar me staarde als een zielig stuk misbruik.

De backyard-worstelkamp verliep ongeveer zoals ik me had kunnen inbeelden, mocht ik er de mentale moed voor gehad hebben. Een stel vadsige idioten dronken enorme kwantiteiten bier waarna ze elkaar in waanzinnig belachelijke outfits te lijf gingen met tafels, stoelen, vuilnisbakken, glas, prikkeldraad en alle mogelijke combinaties van die elementen. Na vier minuten lagen beide kanten van de corpulentenwedstrijd hevig bloedend en buiten adem over elkaar te klauteren. Eén dikzak droeg een rood pak met een flamencomotief en had een sombrero met scheermesjes in de rand op zijn kop. Elke keer als hij iemand sloeg riep hij “Olé” en wanneer hij door een man die ik alleen kan beschrijven als een kruising tussen een rabiaat konijn en een frisco gevloerd werd riep hij “aye aye aye”. Een andere vetklep had zichzelf letterlijk in een bowlingbal verkleed en probeerde zijn tegenstander gewoonweg omver te rollen. Dat bleek een slecht idee, want zijn tegenstander had een doos punaises mee, waarvan er al gauw enkele in zijn oog terecht kwamen. Exit bowlingbal.

Na een viertal kampen verscheen Manes met zijn gespierde jonge lichaam in de ring. Het was, nogal letterlijk, een gigantisch contrast met de kilo’s spek die net daarvoor uit de ring waren gesleurd. Hij droeg zijn roze spandex kostuumpje met trots, vocht en kreunde. Het bloed stroomde over zijn gezicht, maar dat deerde hem niet en hij verkrampte zelfs niet toen zijn tegenstander , een Duits ogende vadsige bodybuilder met een spleet tussen zijn tanden, hem in de grand finale op de mat pinde en hem met een grote ijzeren voorbindlul sodomiseerde.

In de extase van het finalemoment schreeuwde ik mee met de idioten, ik tierde en brulde als een idioot. Manes (gracieus terneergeslagen) en zijn kompaan (lafhartig victorie krijsend) verdwenen uit de ring en nog voor de volgende kamp begon kwam er een enorm gevoel van schaamte over me. Ik wilde niet de Manes me zou zien zitten tussen die bende gestoorde oelewappers, naast die vieze Griekse nicht, die elk flapperen van het vlees opat alsof het een langoustine van een paellaschotel was. Tot mijn grote vrees leek de vastgepinde Manes recht mijn kant op te kijken. Ik bedacht vlug een excuus, gaf mijn mecenas een kus op zijn mond om hem het zwijgen op te leggen en vluchtte weg van de wedstrijd. Ik sloot me huilend in mijn kamer op. Ik vreesde dat Manes niets meer met zo’n laag stuk voyeur als ik te maken zou willen hebben en verloor daarbij uit het oog dat hij het was die zich voor tientallen personen door een dikzak liet nemen. Och, hoe de jeugd en de verliefdheid blind maken, hoe dwaas was ik toen. Toch zou ik alles geven om naar die tijd terug te gaan en mezelf weer te kunnen verliezen in de aanbidding van het ene met onderschikking van al de rest.

dinsdag 26 januari 2010

Sinopisme (7)

Deel 7 van Sinopisme, het volgende deel verschijnt op dinsdag 2 februari.

Na de baksteen kwam het vuur, omdat de Perzen ruiten stuksmijten plots niet genoeg meer vonden, omdat ze het beu waren of misschien omdat ze het te vermoeiend vonden. Vuur is dynamischer dan steen, het gaat minder vlug vervelen, het heeft de kracht die dromen vervult en het potentieel om ze ook weer kapot te maken. Nacht na nacht werden er huizen en winkels van Grieken in brand gestoken. De meeste mensen in de stad vonden zo een brandende winkel een spektakel en er kwam dan ook heel wat volk op de publieke brandhaarden af, zelfs ’s nachts.

Op een nacht kon ik niet slapen en besloot ik om de gebarricadeerde isolatie van ons huis te verlaten en, met gevaar voor eigen leven, een ritje met mijn fiets te maken. Het is een vreemd gevoel om in je eigen buurt rond te rijden en niets te herkennen. Ik voelde me als een toerist in een oorlogsgebied, een observator in een veranderend domein. Het gaf me een tijdelijk gevoel van onkwetsbaarheid en als bij wonder werd ik ook niet afgerost, aangerand of kaalgeschoren.

In de buurt van de hoofdstraat zag ik dat er meer mensen op de been waren dan op dat uur gebruikelijk was. Ik vroeg me af wat er aan de hand was, sloeg de hoek om en reed met mijn fiets bijna in een mensenmassa. Voor me spreidde zich een grijze drom boze starende gezichten uit. Ze keken allemaal in de richting van een brandend gebouw, een Griekse barbier, zoals ik al snel opmerkte. De toeschouwende meute bestond uit nationalistische militanten, ramptoeristen en miseriemelkers, uit opportunisten en professionele rentenieren van de menselijke ellende. Ik herkende ook enkele Grieken die uit nieuwsgierigheid, uit masochisme of misschien zelfs uit leedvermaak naar de brand kwamen kijken. Ze bleven doodstil, uit angst om te worden doodgeslagen, een angst die niet helemaal denkbeeldig was. Men kon hen hun apathie niet kwalijk nemen. Iets dichter bij het brandende huis zat er een man op zijn knieën, met zijn mond halfopen en zijn handen in zijn schoot. Hij had een gezicht met wijde, donkere gaten, mond, ogen, neusgaten en oren. De schaduwen dansten vrolijk als etherische gieren om zijn gebroken lichaam.
“Zijn vrouw en kinderen zijn daarbinnen”, zei iemand op neutrale toon, alsof hij aan de kassa van de supermarkt stond. Er was geen brandweerman te bekennen.
Ik kreeg het er ijskoud van, niet in te tomen rillingen liepen door mijn lichaam en mijn geest klapte dicht onder de zwaarte van mijn gedachten. Ik fietste vlug naar huis, snel, om aan de wereld te bewijzen dat de traagheid geen vat op me kreeg.

Toen ik thuiskwam stond vader me in de deuropening op te wachten.
Hij vroeg me waar ik gezeten had. Hij zag er ongewoon morsig uit, vermoeid ook. Het viel me op dat hij een oude man werd. Ik vertelde hem dat ik niet kon slapen en dus maar was gaan fietsen.
“Je bent naar de branden gaan kijken.”
Hij sloot zijn ogen en met zijn ogen nog gesloten krabde hij zich in de haren.
“Mijn zoon is geen gier.”
Hij opende zijn ogen en keek me aan.
“Je zult niet meer naar de branden gaan.”
Ik knikte en liep naar binnen, waar niemand me opwachtte, een vertrouwd gevoel.

Mijn vader was een door en door onpolitiek man en hoewel hij door zijn werk gedwongen werd tot een stellinginname probeerde hij om altijd genuanceerd te blijven. Dat hield in dat hij nooit in het openbaar “Hoera voor Hellas” riep en geen exclusief wit-blauwe combinaties droeg. Hij vervloekte de oorlog omdat die zijn werk moeilijker maakte, maar deed dat alleen achter gesloten deuren.

Er waren in die tijd heel wat verschillende soorten valuta in omloop in Sinope, waaronder de Griekse munteenheid, de Drachme. De Perzische muntslagers en kapitaalkrachtigen stimuleerden de politieke onrust om de Griekse munten in diskrediet te brengen en hen te devalueren. Door bepaalde buitenlandse geldschieters werd als tegenreactie de waarde van de Perzische munt symbolisch tot nul gereduceerd, wat wil zeggen dat ze alleen nog terugbetaling in drachmen en talenten aanvaardden. De financiële speculanten en oorlogszoekers waren fundamenteel onpolitieke mensen, opportunisten die op elke politieke stroom dreven om zichzelf te verrijken. Met hun onverschilligheid voor menselijk lijden als drijvende kracht wonnen de Perzische radicalen, idioten die in dwaze symbolen als de Baksteen geloofden, nog aan kracht.

Ik denk niet dat mijn vader erg van die financiële opportunisten verschilde. Voor de revolutie dreef hij vooral handel met Grieksgezinden, hoewel hijzelf geloof ik niet echt een voorkeur voor de ene of de andere etne had. Hij was pro-Grieks omdat de meeste van zijn klanten buitenlanders waren. Maar verder dan dat ging zijn politieke interesse niet. Mocht er een Griekse revolutie geweest zijn, dan zou hij er het beste uit proberen te halen en zou hij wellicht onverschillig gestaan hebben tegenover het lijden van de Perzen. Maar het waren niet de Perzen die leden, het waren de Grieken en hij leek met hen mee lijden, dus ik gaf hem het voordeel van de twijfel.

Mijn vader was dan wel een cultuurloze pragmaticus, maar ik was stiekem altijd een lezer gebleven en ik vroeg vaak aan klanten om me een boek mee te brengen als ze naar Griekenland gingen. Eén bijzonder vrijgevige klant gaf me het verzamelde werk van Parmenides cadeau, een dik papier van meer dan duizend bladzijden. Zijn geschenken waren wellicht niet zonder bijbedoelingen, want ik was een wat bleke, maar desondanks knappe jongeman geworden en hij had een voorliefde voor jonge knapen. Ik aanvaardde zijn geschenken met de koele minachting van diegene die de jeugd heeft en niet weet hoe het is om aan de andere kant te staan. Ik moest het smachten nog ontdekken, maar dat zou vlug genoeg gebeuren.

Ik las over Socrates en over hoe hij door zijn demon bezeten urenlang in de kou stond om na te denken. Ik vond hem een geniale figuur, maar ook een dolleman. Het leek me waanzin om te ver te gaan voor je idealen, om je eigen integriteit en lichaam ervoor op te offeren. Maar het was alvast beter dan de leiders van de Perzen, die de lichamen van anderen opofferden en zelf vadsig en traag over de wereld bleven sluipen. Ik bewonderde zijn vastberadenheid om alle alledaagse conventies aan de wijsheid op te offeren. Socrates combineerde zijn grote intellect met een ongelooflijke strijdvaardigheid en fysieke pezigheid die ik met mijn geldwisselaargeest en mijn ziekelijk bleke lichaam ontbeerde. Hij was niet geliefd hoewel iedereen van hem hield en hij werd tot de dood veroordeeld. Hij dronk het gif uit zijn beker zonder morren en stierf zonder zuchten. Het besef hun grootste monument gedood te hebben deed alle Grieken huilen, als een mensheid die zijn eigen heiland doodde.

Mijn bewondering voor de Griekse cultuur was geen onbekend gegeven onder de werknemers van ons bankkantoor.Ik veronderstel dat mijn vader dus ook wel wist van mijn interesse in de geschriften van het volk dat in de straten van Sinope meer en meer de vijand werd genoemd. Mijn vader interesseerde zich niet in de persoonlijke levens van zijn werknemers zolang ze hun werk goed deden. Hij sprak me op het werk met onze familienaam aan, zodat het leek alsof hij zichzelf riep. Ik was niet meer dan een gewone werknemer.

Mijn bejaarde Griekse mecenas bleef zich bij me opdringen, stelde me bijna elke dag voor om met hem naar het theater te gaan, tot ik hem uiteindelijk zijn zin gaf, om van zijn gezeur af te zijn en omdat het theater me wel wat leek. Ik vroeg hem welke Grieken er eigenlijk zo gek waren om nog theater te spelen, met de Perzische terreur die in de stad de ronde deed.
“Het is niet echt theater persé, waar we heen gaan.”
“Wat is het dan wel?”
“Euh, meer een soort van lichaamskunst. Je zal het wel zien.”
Ik bleef in het midden van de straat staan.
“Neemt u me mee naar een orgie?”
Ik verhief mijn stem toen ik dat vroeg waarop hij een haastig gebaar maakte en ongerust om zich heen keek. Sodomie was officieel nog niet illegaal, omdat het Perzisch recht nog niet heerste. Officieus maakte dat natuurlijk niets uit. Officieus kreeg je een staak in je darmkanaal tot hij er via je mond weer uitkwam.
“Sjjt, sjjt, nee, nee, wees toch stil. Het is iets anders, het is een worstel kamp.”
“Een worstelkamp?”
“Ja, backyard extreem worstelen, met prikkeldraad, enzo. Een bloederig spektakel. Echt de moeite van het zien waard.”
Omdat ik al zover met hem meegekomen was besloot ik om er maar niet vandoor te gaan, hoewel dat worstelen me een barbaars en saai gebeuren leek.

Maar het liep allemaal anders dan ik me had voorgesteld en toen ik weer naar huis ging was ik verliefd. Zijn naam was Manes.

dinsdag 19 januari 2010

Sinopisme (6)

Deel 6 van Sinopisme, het volgende deel verschijnt op dinsdag 19 januari.

Ik was ongeveer zeventien jaar toen de oorlog van de Perzen tegen de Hellenen zich voor het eerst openlijk in Sinope manifesteerde. Het begon onder het mom van een revolutie tegen de jarenlange economische onderdrukking door de Griekse etnische minderheid. Het Perzische rijk groeide gestaag en de macht van koning Darius had zich in de loop der jaren over grote delen van Ionië uitgebreid. De eenzame Hellenistische havenstad Sinope had jarenlang haar ogen gesloten voor de wereld en opende ze maar wanneer het te laat was, als een wandelaar die blindelings een mijnenveld binnenloopt en zijn vergissing maar inziet als hij de doffe klik van het ontstekingsmechanisme hoort. De Perzische voorstanders van de sultan hielden plots nationalistische marsen door de stad: een eindeloze stoet baardige mannen met frygische mutsen en kribbelige leuzen op hun spandoeken. De eerste betogingen ontaardden steevast in orgieën van sektarisch geweld waarin winkels van Grieken met bakstenen, keien en rotsjes bekogeld werden.

De extremisten kozen uiteindelijk de baksteen als het officiële symbool van de Perzische revolutie in de stad. De verkiezing van het ding tot opperobject verliep niet zonder wrijvingen. De rotsen, hoewel ook zij hun nuttigheid bij het breken van ramen en gezichten hadden bewezen, kwamen niet in aanmerking voor de metaforische hegemonie en vormden aldus geen punt van discussie. Sommigen meenden echter dat de kei de beste kandidaat voor het symbool van de Perzische revolutie was
De Zoroastrische magi Hoosmand, een spiritueel leider uit het Perzische rijk, hoorde van de twijfels over keien, twijfelde niet aan bakstenen en schreef een vlammende brief naar de revolutionairen van Sinope:

“De blasfemie is mij ter ore gekomen en werkelijk, ik vermoed in deze polemiek de hand van de kwade demiurg. Sommigen opteren voor de kei als symbool van ons verheven strijden, anderen kiezen voor de baksteen en nog anderen denken dat het ene niet beter is dan het andere. De eersten en de laatsten zijn fout, en slechts de middelsten mogen zegevieren, want zij hebben de steun van het Licht. Men mag de baksteen, de kei en ook de rots niet zomaar aan elkaar gelijkstellen. Het onderscheid begint al op het niveau van de vormen. De kei is rond, glad en gepolijst terwijl de baksteen een bijna archetypische rechthoek is, ruw en met hoeken, maar afgemeten. Rotsen zijn grilligger, die kan je niet zomaar aan één vorm verbinden. Rotsen zijn het resultaat van chaotische krachten, terwijl keien uit harmonie geboren worden. Bakstenen zijn perfecte rechthoeken, door de kracht van mensen geconcipieerd en van al hun starheid en onbuigzaamheid voorzien. Bakstenen zijn groepsobjecten. Ze zijn lelijk in eenzaamheid, maar lelijk en onbreekbaar in de kudde. Wij moeten in deze revolutie hard, lelijk en onbreekbaar zijn. We mogen niemand sparen. Van keien kan je nooit goede huizen bouwen, keien zijn niet eendrachtig, keien zijn harmonieuze maar onnuttige individuen. Waren keien mensen, dan zouden het Grieken zijn. Laat onze lichamen als bakstenen zijn, onze geesten als de mortel die ze aan elkaar verbinden en laat Ahura Mazda het licht in onze harten schijnen. Weg met de barbaren, volgend jaar dineren wij in Athene!”
De perzen maakten geen grapjes over symbolen, daar kon elke gebroken Griekse schedel van getuigen. “Het geweld escaleert vlug”, zoals men een tikkeltje eufemistisch op de Griekse televisie beweerde.

Ook de misogynie van de Perzen liep met een rotvaart uit de hand. In het begon volstond het de heren revolutionairen om de Griekse vrouwen gewoon te verkrachten, maar het volk smeekte om stenigingen. De relatieve emancipatie van de Griekse vrouwen was al eeuwen een aanstootgevend taboe in de door preutsheid geil geworden geesten van de Perzische mannen in de heterogene smeltkroes die Sinope steeds was geweest. Griekse vrouwen hadden steeds in het openbaar gewerkt, zoals de mannen. Ze lachten ook zomaar in het openbaar en bij het wandelen flapperden hun jurken soms, waardoor je hun enkels kon zien. Dat was natuurlijk een schande. Perzische vrouwen zag je niet buiten, die zaten thuis, en of ze daar lachten wist niemand behalve hun mannen. Men zou zelfs niet zeker hebben geweten of ze wel kutten hadden, als ze niet gemiddeld 1 kind per jaar zouden gebaard hebben. Griekse vrouwen waren hoeren, die slechts bakstenen verdienden en als ze zo stom waren om ’s nachts alleen over straat te lopen werden ze door bendes gegrepen, verkracht en bekogeld tot hun schedels in tweeën spleten. Elke avond na zonsondergang barricadeerden ik en mijn vader ons in onze huizen en we kwamen er maar uit om tegen de ochtend naar de bank te gaan. Op weg naar het werk speurde ik naar nieuwe bloedsporen en schudden mijn hoofden in geschokte schaamte als ik er één vond. Mijn vader keek niet één keer naar beneden, hij hield zijn brein draaiend met cijfers en symbolen, een matrix om de werkelijkheid te verdoezelen.

Op een nacht werd ik wakker door lawaai van buiten. Ik keek door mijn raam en zag een groep Perzische jongelui die in draf voorbij ons huis liepen, in de richting van het centrum van de stad. Ze waren opgewonden, hadden geagiteerde gezichten en riepen met schrille stem dingen die ik niet verstond naar elkaar. Ik hoorde ook een vrouw schreeuwen, maar kon niet uitmaken waar het geluid vandaan kwam. Ze jammerde alsof ze haar in tweeën spleten. Ik probeerde om er niet te veel over na te denken, haalde mijn schouders op, als voor een onzichtbare toeschouwer en ging weer in bed liggen. Ik kon de slaap niet vatten en toen ik weer naar buiten keek zag ik overal in de stad rookpluimen. Ik liep mijn kamer uit en stormde de keuken binnen, waar ik mijn vader in zijn kamerjas aantrof. Hij dronk melk uit een glas. Hij keek even op toen ik binnenkwam maar keek onmiddellijk daarna weer naar de tafel.
“We mogen van geluk spreken”, zei hij.
“Waarom?”, vroeg ik.
Ik was, uiteraard, doodsbang.
Mijn vader lachte even en tikte met zijn vingers op de tafel.
“Kom jongen, ga slapen. Je moet morgen werken.”
“Vader…we moeten”, drong ik aan.
“We moeten wat jongen?”
“Ik…”
Ik dacht aan actie, maar had nog nooit een wapen in mijn handen gehad. Ik had naar buiten willen lopen om mijn eigen bloederige revolutie te beginnen. Maar ik durfde niet. Ik kreeg plots de aandrang om te huilen, om mijn hoofd tegen mijn vader zijn borst te smijten en “het is niet eerlijk, het is niet eerlijk” te schreeuwen. Mijn vaders diepe emotionele inertie kennende zou ik dat echter evengoed tegen een Atari2600-console kunnen doen, dus ik liet het maar uit.
“Ga slapen”, zei mijn vader opnieuw.
Met vader viel niet te discussiëren. Ik ging in mijn bed liggen en sliep, ondanks de omstandigheden, omdat het de meest resolute actie was die ik durfde te ondernemen.

Die nacht was de bloedigste van de Perzische revolutie in Sinope. Meer dan 200 winkels werden in de as gelegd en 35 Grieken werden zomaar vermoord, neergestoken in hun slaap. 17 Vrouwen werden verkracht en gestenigd.
“Beter dan levend verbrand worden”, zei mijn vader toen hij het nieuws op het kantoor hoorde. Hij had gelijk, maar wat een schijtig iets om in het bijzijn van je zoon te zeggen. Hij ging zijn kantoor binnen en bleef er de hele ochtend.

zaterdag 16 januari 2010

Brief aan Flair

Van: Frank Ivonne Isidoor D'hanis (wieldope@hotmail.com)
Verzonden: vrijdag 15 januari 2010 1:18:32
Aan: flairsec@flair.be


Beste redactie van, wat ons voor deze mail betreft, het beste blad van heel Vlaanderen,

Wat ik u zal vertellen is een verhaal, te schokkend om te geloven, een diepgaand romantisch-pessimistisch epos dat u zal verbazen en vraag na vraag bij u zal doen rijzen. Een postmoderne liefdessaga die zijns gelijke in het westen en de wereld niet kent. De gebeurtenissen die zich de afgelopen dagen in mijn leven ontvouwden zijn zo ontwrichtend en zo bizar dat ik nog steeds moeite heb om ze te geloven. Toch is elk woord dat ik zal spreken waar en terwijl ik dit schrijf voel ik het diepe pijnlijke bonzen van mijn gebroken hart.

Ik en de Ronny ontmoetten elkaar vier jaar geleden en het was meteen raak. Ik was met een paar vriendinnen naar de kermis in Vloerebbe-zwevegem gegaan en ik vroeg om een suikerspin, vooral omdat ik daar zin in had, maar ook omdat ik geloof dat er een diepere metaforische waarheid zit in de uiterlijke verschijning van de suikerspin. Dat geloof ik echt.

Tijdens het bestellen kwam er een donkerharige, bruinhuidige, linkerogige kerel achter me staan. Hij kwam, om preciezer te zijn, nogal dicht staan, met zijn kruis tegen mijn kont, maar ik veronderstelde dat hij ook een suikerspin, een suikerappel of suikerdruiven wilde bestellen en dacht er verder niet te veel van. Toen ik me omkeerde en weer naar mijn vriendinnen wilde rennen sprak hij me echter aan. Hij zei: "Wist je dat ze een suikerspin ook een barbe à papa noemen? Een suikerbaard van papa, dat zet je aan het denken, niet? Nessepas, zeggen ze in het Frans." Ik was meteen onder de indruk van zijn kennis en zijn buitengewone manier van chickies en babes versieren maar ik wilde me niet direct als het ware frontaal in de poes laten nemen, dus ik hield de stomige boot wat af. Hij bleef me echter een hele avond van een afstand volgen en uitchecken en toen ik naar huis ging wandelde hij in het donker op vijf meter achter me mee tot aan mijn huis. Dat vond ik erg romantisch, en ik viel als een blok voor hem.

Onze relatie was passioneel, met alle standjes, alletwee. Vanvoor èn vanachter. Het lijkt wel of we heel de tijd de liefde bedreven tijdens die eerste weken. We speelden ook nogal veel stratego. (Ik zette altijd bommen rond de vlag, wat hij een nogal mottige strategie vond. Dan zei hij: "ja wijf, knal ben kapot. Zijde content of wa? Das ook weer nie voorspelbaar, waar." en dan zei ik "Ja, en toch heb ik gewonnen", een opmerking waar hij dan nogal pissed over werd.) Het was een gelukkige tijd die ik als in een roes beleefde. Toch kwam er al vlug een schaduwvlek op onze relatie. Het gebeurde toen we met elkaar aan het bellen waren en plots de lijn wegviel. Tot mijn moederneukende verbazing hoorde ik plots een vrouwenstem. Ze zei "this connection has been broken", in wel 14 talen (of misschien ook in 3 talen, kan zijn, ik was echt geshockeerd). "Ja maar godverdomme", dacht ik en in een koleire belde ik de Ronny terug. "Wie is die vrouw?", vroeg ik hem. Ijzig koel legde hij me uit dat het niets was om me zorgen over te maken, dat het simpelweg een vrouw van het telefoonbedrijf was. "Relax, wer, zot kalf", zei hij ook nog. En ik, naïeve geit, geloofde hem: ik was verliefd.

Naarmate onze relatie langer bleef duren begon ik meer en meer negatieve kanten te ontdekken aan de Ronny. Zo was hij vijftien kilo dikker dan ik eerst had gezien en liet hij scheten op de achterkant van zijn hand, bovendien scheerde hij soms het haar van bokken in de lokale kinderboerderij en verfde hij er swastika's op, om kindjes bang te maken. Op een keer zaten we op restaurant en ging hij echt te ver, maar daar vertel ik liever niet over. Mijn poes heeft nog dagen nadien naar paëlla geroken.

Dat alles maakte dat ik me toch vragen begon te stellen bij die vrouw van in het begin, die vrouw die zogezegd 'gewoon een vrouw van het telefoonbedrijf' zou geweest zijn. Ik stelde hem er steeds vaker vragen over, en jaloezi kwam als een donkere streep altocumulus over de zonneschijn van onze relatie hangen. Hij bleef echter staalhard ontkennen dat hij iets had met de vrouw van het telefoonbedrijf. Vorige maand stapten ik en de Ronny in het huwelijkstoyotaatje. Kort daarna heb ik de waarheid ontdekt.

We gingen samenwonen als getrouwd koppel en even leek alles goed te gaan. Na een maand kreeg ik onze eerste telefoonrekening en merkte op dat die wel erg hoog was. Ik vermoedde meteen wat er aan de hand was en ik confronteerde de Ronny met mijn theorie. Hij ontkende eerst maar nadat ik (zachtjes) in zijn ballen heb geschopt met mijn bergschoenen heeft hij alles opgebiecht. De Ronny en de interrupteursvrouw van het telefoonbedrijf hebben stemseks met elkaar, en wel al vijf jaar. Mijn wereld stortte in (niet letterlijk).

Ik ben zo kapot en leeg van binnen. Een beetje als een veloband die net over de inhoud van een pot met punaises is gereden, en nergens is er een rustineke te bekennen, en er is wel een velomaker maar die woont in het volgende dorp, en wie zal er mij naartoe brengen, en zelf kan ik niet gaan, want mijn velo is kapot, en als dat niet zo was zou ik niet eens hoeven te gaan, dus ja wat is het punt dan? Zo slecht voel ik mij.

Kunnen jullie alsjeblieft in de Flair een stukje wijden aan mijn situatie? Ik zou graag in contact komen met mensen die hetzelfde meemaakten en het leed wat delen en verzachten.

Saluutjes,
Tine Verzonne

Ps Ik kan ook keigoed koken!

Date: Fri, 15 Jan 2010 13:43:59 +0100
Subject: Re:
From: FlairSec@flair.be
To: wieldope@hotmail.com
Beste Tine

Ik heb je mail doorgestuurd naar de verantwoordelijke redactrice, mocht er verdere interesse zijn, dan hoor je nog van ons.

Groetjes
Kelly

Wordt misschien vervolgd...