zaterdag 19 november 2011

Een onvolledig filosofisch systeem. (Ofte: Dood van Prehensie, kip.)

Na een vluchtende beweging, bedoeld om alle menselijke warmte die me verstikte ongedaan te maken, vond ik een veilige thuis voor mijn acht kippen. Ik had hun namen met liefde gekozen en ik was op de boerenbuiten gaan wonen. Ik woonde in een witgeverfd, er niet onaardig uitziend huis met gele blaffeturen en zo nu en dan kreeg ik bezoek van de mensen uit het dorp. Ik serveerde hen thee en vertelde hen wat de namen van de kippen waren. Ik vertelde hun namen voor het eerst tegen de dorpsslager, een kortharige dikke man met de naam “meneer Frottigny”, omdat hij de eerste bezoeker was van mijn simpele ranch op het Vlaamse hinterland. Ik zei:
“Ze heten Actualiteit, Prehensie, Nexus, Subject, Eeuwigheid, Propositie, Multipliciteit en Contrast. Samen vormen ze een systeem, en als één van hen dood zou gaan, dan zou het een onvolledig systeem zijn.”
Ik vertelde het en gaf geen verdere uitleg en stond daar maar wat te staren met een gedetermineerd gezicht. Meneer Frottigny zweeg ook even en vroeg me na een tijdje waarom ik acht kippen had, maar dat wist ik niet, en toen vroeg hij me of ik ook een lievelingskip had. “Frottigny”, zei ik, en dat bracht hem aan het lachen. Ik geloof dat we zeer goede vrienden werden, die dag. Hij kwam bij me kaarten en we praatten over het leven en, veel belangrijker, over de dood. Er kwam niets naar buiten dat niet uit mezelf kwam, omdat ik geen televisie had, en ook geen radio, internet of prentenboeken. In mijn kast stond alleen het verzamelde werk van Giordano Bruno en een boek over brownies maken. Meneer Frottigny woonde alleen in zijn slagerij in het centrum van het dorp.
“Sinds mijn vrouw gestorven is heb ik niets meer om voor te leven.”
Hij zweeg een moment en staarde naar de voorbijglijdende witte massa’s in het blauwe zwerk buiten.
“Maar ik heb des te meer om over na te denken. Zoals dat gaat.”
Hij vertelde me dat als hij ook maar voor een moment zijn biefstukken als ooit levende wezens zou gaan beschouwen dat hij dan onmiddellijk gek zou worden. Maar hij wist de werkelijkheid op een afstand te houden, met een mentale baseballknuppel voor zich uit zwaaiend als alles te zwaar werd en ze dreigden binnen te komen. Hij behield zijn mentale gezondheid, maar hij wist niet hoelang hij het vol zou houden, dat evenwicht, en of het wel zin had. Hij at sinds de dood van zijn vrouw geen vlees meer, het herinnerde hem allemaal te veel aan de sterfelijkheid en aan de wrede kortheid van het bestaan.
“Ik ben een oude, dikke, vegetarische slager”
Zijn lip bibberde en zijn ogen werden nog iets meer wateriger dan ze al waren geweest. Ik vroeg hem of hij een eitje wilde eten, maar hij at ook al geen eieren meer. We zaten enkele uren in de donkere woonkamer van mijn hoeve en dronken graanjenever. Er werd niet veel gesproken. Ik vroeg hem hoe zijn vrouw heette, maar hij zei dat hij geen interesse had in geschiedenis en dat het geen zin had om erover te spreken. Enkele uren later verliet hij me.
Ik lag die nacht in mijn met eikenhouten timmerwerk in elkaar gewrochte bed te denken aan de slaap, en aan hoe die me ontliep. Ik vroeg me af of ik mijn kippen in de slaapkamer kon laten wonen, alsof ik een van alles vervreemde redneck in het zuiden van de Verenigde Staten was. Maar ik vreesde ook dat een filosofisch systeem, ook al dreigde het elk moment onvolledig te worden, geen goede invloed zou hebben op mijn al onrustige nachtgemoed, dus ik zag er maar van af. Bovendien was ik uiterst allergisch aan de beesten en bezorgde hun nabijheid me een ademnood die ik voorheen alleen metaforisch had gekend uit sentimentele liefdespoëzie en stationromannetjes. Ik had geen klaar beeld van wat er zoal goed en zoal slecht was in het leven van de mens, op een algemeen niveau gesproken, maar ik wist dat ik persoonlijk niet zo gesteld was op vreselijk lijden. Doorheen de met genot en hedonisme gevulde jaren van mijn vroege jeugd was ik mijn focus op genietingen als drank, vrouwen en overdadig vette spijzen verloren en probeerde ik gewoonweg om zo weinig mogelijk af te zien. Dat scheen de centrale evolutie in mijn leven tot dat punt geweest te zijn, maar ik begreep er niet veel van. Misschien dat ik naarmate mijn gezondheid verslechterde, het lijden frequenter werd, zoals het ongetwijfeld zou worden, nog iets anders belangrijk zou beginnen te vinden. Ik kon niet bedenken wat dat dan wel kon zijn.
De volgende ochtend stond ik aan de ren van het kippenhok te kijken naar de scharrelende activiteiten van mijn beesten, en ik bedacht dat ik geen liefde voor hen voelde, maar evengoed geen haat. Het was voldoende om ze in leven te houden. Meneer Frottigny kwam me met een slenterpas tegemoet op het zandpad van een honderdtal meter lang. Op honderd meter afstand riep hij iets, maar ik verstond hem niet. Op vijftig meter afstand riep hij nog eens, maar ik verstond hem nog steeds niet, en ik zag aan zijn gezicht dat hij er opgewonden uit zag. Hij had een bijl bij zich.
Toen hij bij me kwam, lichtte hij kortweg het hoofddeksel van zijn hoofd en vroeg hij me hoe het met me ging. Ik vroeg hem waarom hij een bijl droeg. Hij zei me dat hij een kip voor me wilde slachten, als ik dat goed vond. De vraag verraste me en ik zei hem dat ik erover na moest denken. Hij zei:
“Dat is goed, ik kom morgen terug met mijn bijl en dan vertel je het maar.”
Ik nodigde hem uit in het huis en we zaten een tijd in semiroerloze suspensie rond de tafel jenever te drinken. Hij legde me uit dat er weldra een pensenkermis zou zijn, en dat dit evenement het hoogtepunt van het dorpelijke sociale leven vormde. Ik knikte, want ik wist alles van het dorp en van sociale gebeurens daaromtrent. Ik had er namelijk ooit een boek over gelezen.
In de valavond verliet hij mijn boerderij. Ik keek hem na terwijl hij met zijn bijl over zijn schouder geslingerd achter de einder verdween. Ik ging voor de spiegel in mijn hal staan en bedacht of ik ooit zo’n lichaam als de slager zou krijgen. Ik was vrij slank, maar misschien zou mijn lichaamsbouw door ziekte, medicatie of verwaarlozing veranderen. Dat moest dan maar, niets aan te doen. Ik at een portie groentensoep, ging de kippen nog wat maïs geven en probeerde te slapen.
In mijn bed vatte ik het plan op om Prehensie te slachten. Het zou een symbolische dood worden, al wist ik niet zo goed voor wat de slachting een symbool zou hoeven te zijn, of zelfs zou kunnen zijn. Aangezien ik krant, televisie noch modernere communicatiemiddelen bezat wist ik absoluut niet waartegen ik zou moeten protesteren, of welke maatschappelijke relevantie de dood van een kip, al was ze dan ook een filosofisch concept, zou kunnen dienen. Het zou een puur persoonlijk symbool moeten zijn, als een ouwe vrouw die haar wc-papier bekijkt nadat ze gekakt heeft, omdat haar overleden man dat ook altijd deed. Maar de kip had geen emotionele waarde voor me, en ik voelde niets bij haar dood, behalve de algemene en vage beklemming die ik altijd voelde als ik aan het einde van het leven dacht. Ik dacht aan de onkenbare zware beklemming van het onvoelbare einde van mijn korte bestaan en ik voelde me ontzettend angstig. De angst verdween toen ik mijn dogma voor de komende dag opstelde. De kip zou moeten sterven, dat was een zekerheid, en er was niets dat ik eraan kon doen, behalve het zelf te doen, zelf de bijl te vatten en de fatale slag toe te dienen.
Toen Meneer Frottigny de volgende dag met zijn bijl op zijn schouder mijn zandpad betrad stond ik hem aan de veranda op te wachten. Toen hij zo’n honderdvijftig meter van me was, riep hij iets naar me, maar ik verstond niet wat hij zei. Toen hij tot bij mij was aangekomen schudde hij mijn hand en ik zei hem dat ik de kip wilde slachten. Hij zei dat hij het al wist en dat het exact vijf jaar geleden was dat zijn vrouw gestorven was aan een gewelddadig groeiende vleesmassa in haar hersenen. Ik zei dat het toeval was, en hij knikte, en toen zei ik:
“Ik wil de kip wel zelf doden.”
Hij weigerde eerst om in te gaan op mijn verzoek, met de verklaring dat een kip slachten wel wat moeite en vaardigheid kostte, en dat het beter was om hem het te laten doen, maar toen ik aandrong en hem duidelijk maakte hoe belangrijk het voor me was zei hij dat het goed was en gaf hij me de bijl.
We wandelden naar de kippenren en ik wees Prehensie voor hem aan, te midden van zeven bijna identieke beesten. Hij vroeg me of ik zeker was of het Prehensie was. Ik haalde mijn schouders op:
“De namen wisselen, zelfs als de kippen blijven. Als er een kip minder is zal er een naam minder zijn. Het wezen Prehensie is al gestorven, ook al leeft haar vorm dan nog.”
Hij nam haar poten vast, en trok haar lichaam van de grond de lucht in, en hoewel ze even hevig met haar vleugels fladderde en naar zijn vingers trachtte te pikken, hervond ze al vlug haar rust. Ze had de bedreiging die de mens kon zijn nog nooit aan den lijve ondervonden, en had dus geen reden om onrustig te zijn. Toen Meneer Frottigny haar nek op het kapblok achter de hoeve legde, geloof ik dat ze haar lot wel voelde en bezeten door een wilde drang om te leven begon ze als een gek te fladderen en heen en weer te wroeten. Ik hief mijn bijl hoog op en Meneer Frottigny verstevigde zijn greep rond haar bovenlichaam. Ik sloeg en raakte haar onvolledig en te veel naar de zijkant waardoor ik haar hoofd half in tweeën kliefde en achter haar snavel bleef steken. Half onthoofd begon het dier nog harder te stuiptrekken.
“Sla nog een keer”, schreeuwde meneer Frottigny, “en nu iets nauwkeuriger.”
Ik sloeg nog eens en raakte haar exact op de zijkant van haar nek, waardoor haar kop loskwam van haar lichaam. Meneer Frottigny liet het lichaam los en het deed nog een paar uitzinnige rondjes op het erf. Na een minuut of twee zeeg het kreng licht stuiptrekkend op het zand neer.
Ik gaf de van het bloed druipende bijl aan Meneer Frottigny en stapte er met hem heen. We bogen ons over de kip die Prehensie heette. Hij legde zijn hand op mijn schouder en vroeg me of ze al erg oud was. Ik schudde mijn hoofd en zei:
“Het was gewoon haar tijd.”
Meneer Frottigny lachte en knikte en keek me aan. Hij vroeg me of ik haar op zou eten en of ik wilde dat hij haar voor me klaarmaakte. Ik vertelde hem dat ik ook geen vlees at, net zoals hij, en dat ik haar zou begraven. Hij knikte. We lieten de kip liggen en gingen aan de tafel zitten om jenever te drinken. We dronken drie kleine glaasjes graanjenever en hij zei:
“Ze heette Jenny. En ze is de enige vrouw die ik ooit gekend heb.”
Ik vroeg hem of ze al erg oud was en hij schudde zijn hoofd. Hij zei:
“Ik geloof het niet”
Daarna stond hij op en ging hij terug naar zijn slagerij.
Ik nam een spade, maakte een gat in de grond en wierp het kadaver van Prehensie erin. Ik deed het gat dicht, stapte weer naar de hoeve, en ging in mijn bed liggen om een nacht verkwikkende rust te nemen. Het leven op het platteland bleek al gauw even onnozel, banaal en belachelijk als dat in de stad, maar ik wist de illusie van een vermenigvuldiging van zin nog even vol te houden.

donderdag 17 november 2011

Slaapwel Simulacrum.

Wie kan haar nog verdenken
Van onechtheid in haar romp en leden,
Een inzakkende roze pudding,
Bedekt met dierenferomonen,
En sap en geil en dwaze, dwaze fratsen.
Blanke beren brommen botte leuzen.
Ze zegt zachtjes,
Met haar tong tussen haar tanden:
“Woede is een krokodil in je hersenen.”
Ze briest en praat door haar kop,
Die hol voelt als een kathodebuis,
En haar ogen verkopen kartonnen dromen.
Ze zegt:
“Het doet godverdomme pijn, pappie.”
Of:
“Hahahaha.”
Tegen de schimmen in het lege huis,
Maar paps is weg of dood,
Aan polio of softwarescams bezweken,
Of door alcoholboeren uitgemolken,
En er valt niet zoveel te lachen,
Althans niet voor gelegenheidshumanisten.
Ze is alleen, het is half tien, en
In de lauwe warmte, met kwetterende vogels,
Wanneer de liefde schitterend is,
En alles mooi is, en hoop fladdert,
Als een vlinder of als wat dan ook,
Voor vrolijkere zielen,
Trala fucking la,
Brandt het gif een gat in de WC-pot,
En zuigt de leegte haar restanten op,
En zelfs een zompig ontbindend lijk onder de zoden,
Heeft wel betere dagen.

donderdag 20 oktober 2011

Vernon

Vernon, je loopt mijn shit echt op te fucken,
Omdat je na onze tijden van bevroren pizza en online war,
Weer in het heimatlige Duitsland zit te plukken,
Aan je ouwe katholieke en muffe heremietenhaar.
En je, jezelf ondanks, toch zoals je vader bent geworden,
Je zei, schuimbekkend uit je mondhoeken,
Of toch een beetje woest,
Misschien is dat ook wel overdreven,
Maar je was pissed als een emmer,
“China is een salonfähige dictatuur,
Het proletariaat heeft er niets in de soep te brokken,
Ze hebben niets,
Behalve de keuze om te sterven,
Als ze het allemaal te zwaar vinden,
En dan nog moeten ze eerst,
Achtenveertig formulieren invullen,
Maar onze intellectuelen, och,
Die vinden het reuze,
China, wat een land, hoera,
Oke dan, akkoord,
Als je er niet hoeft te wonen,
Het heeft mooie tempels.”
Vernon, wat was ik met je statements,
Je verdronken ogen vol politieke leuzen,
Je kon altijd het luidste roepen,
Was ook de scherpste van de bende,
Er moest geen halfdoorbakken linke hipperd zonder argumenten,
Geloven dat hij zijn bek open kon trekken, of oreren,
Voor een altijd lege kerk,
Want je sloeg al zijn coole tanden in,
Dialectisch dan, en metaforisch ook,
Maar hij bloedde er daarom niet minder om,
Je had alles, was mijn favoriete nihil dat niets rond zich maakte,
Voor je een godverdomd mysticus werd,
En op jezelf ligt te sterven,
Met tranen in je ogen,
van "oh boe hoe hoe, wat is God toch machtig,
ik denk dat hij net in mijn reet is klaargekomen."
Toen je, schreeuwend naar de rijken met hun bergen,
En zat en murmelend en met brakend gemoed,
De gal over de wereld spoot, maar de goedheid bezong,
“We hebben niet minder tragiek nodig maar meer.”
Was je een mens onder niet-zo-mensen,
En bijna-beesten meestal, vooral op vrijdag,
Als het werken was afgelopen, en ze allemaal tegelijk,
In je werkloze rijk binnenstroomden, en je,
Bommend en brommend, lelijk en grijs met je armen op de bar,
Een verfomfaaide presse papier, een zwaarwegend mens,
Kapotgedrukt onder zijn eigen massa,
Zei,
“Het is niet omdat het leven farsicaal is,
Als een grote domme grap,
Dat je voor niets of niemand nog ontzag moet hebben,
Of je verschoond bent van het kosmische plan,
Dat slechts uit één woord bestaat.”
En als er één iemand was die naar je luisterde,
En je wijsheid door je voddig vel heen zag,
En vroeg welk woord, dan zei je,
“Als je daar godverdomme naar moet vragen,
Dan ben je het niet waard dat ik het je vertel.”
Laten we maar niet denken,
Aan wat je bent geworden,
Of de lust bekruipt me nog om naar je toe te komen,
Met de slee, de paardentram of desnoods zelfs vliegend,
En nu ook zelf alle tanden uit je bek te meppen,
Jij ongelofelijk hypocriete zeikerd.

zaterdag 15 oktober 2011

The 3 poets of the revolution, and the aftermath of the not so glorious things that followed it.

Don Rilobago was the first one,
The one we got to know and love,
Because of CNN and FOX and Al Jazeera,
Before we killed them all,
Those pesky journalist bastards,
Those slaves of the old and obsolete system,
Who gave us so much entertainment,
And never got anything in return,
Except big cash, some respect perhoops and,
In the end,
The removal of their guts,
And hooks in their asses and bullets in their brains,
If they were lucky.

We had come to know the Don, the first one,
For characteristically wielding his mighty axe,
Which he held to be a pen,
Which it really wasn’t,
Since pens are perhaps able to cause nasty wounds,
Limited, but not exclusive, by writing with them,
But surely can’t sever heads,
Not really they can’t,
Though of this we are not really sure.

Allegedly the Don was sitting,
On his couch, and holding on to the misses,
It was one misty November evening,
In the year 2000 and seven,
Snug and cozy and all that shit,
Feeling nothing but retarded and obese,
When disaster snuck in,
The gardener planted in his cortex,
The seeds of this so called revolution,
Malcontentestism, le mal du siècle,
Ennui and a tad of great great anger,
And they settled firmly in his head,
Causing his eyeballs to slightly pop,
Making him look like a lunatic or a beaver,
He hollered:
“No more, this plastic life,
Go get my weapon, wife!”
He yelled some more and soon left,
To be next seen again,
On the barricades,
Enraged, entranced and tearing it all down,
Not much unlike a rabid clown,
But crying.

Messieur Le Freug was the next,
The Frenchman,
Denouncing country and humanism,
Which really left him nothing,
But violence.
We loved him,
For the unholy, uncompromising, herolike bombing,
Of all things holy in the sacred congregation of
Mcdonaldism, Applianity and Nikesneakery,
Making heads and bodies explode as he trod forth,
He pointed out to his brethren,
Revolutionary scum of impure breeding:
“No one is to be regarded as innocent,
As long as they are stuffing their faces, still,
Breathing and decorating their bodies,
with the object fetishes, the goddaring symbols,
Of a criminal and unhappily crumbling system,
Let us annihilate them all, without shedding
Redundant and wasteful tears,
Salt water better spent,
On the inside of our heads,
Better yet,
Let us kill them all, smiling!”
So kaboom!
Went the so called innocent,
Losing their organs in the process,
Of exploding and combusting,
But not to worry,
For a just cause they fought.
They even had a slogan,
But it soon got lost, unfortunately.

The third one (of the poets) yelled:
“Hang them by their necks,
Lynch their children and rape their wives!”
Him, awoken in bloodlust, our last scribe and murderer,
The most wretched one of the mighty three,
In this revolution that came from nothingness
And ended nowhere,
We cannot even name,
For centuries to come,
Grand and magnificent his legacy will be,
And of extremely poor esthetics.

Very swiftly he died,
In a storm of stabs and curses,
Squashed and squeezed,
Like a rather dangerous dung beetle.

On his grave they wrote, in simple English,
“He sure killed a lot of people,
For the cause,
And achieved nothing,
Which is just as much as any of us,
But at least he tried.”
This is what beauty has come to,
A grim and compact and primitive thing,
They finally killed that ugly freak,
Called postmodernism,
Though some deny it.

Now in this world without brands, enterprises or banks,
Nor hope and love, nor security and things like that,
I cannot remember sleeping well for one single night,
Even when it has been fifteen years,
(Has it? Who still has the courage to keep track of these things?)
But oh well, in the past we all paid a little for progress,
Or so we thought, because the truth was hidden,
And it turned we hadn’t progressed at all,
Glorious, however, was our self-deception.
Now,
The criminally insane have finally come out of their closets,
No more are they wearing banker suits,
And we are free, it is true, although,
The truth we have gained seems limp,
In this arid wasteland, in the abyss of all of our past ventures,
Here, we failed in all our endeavors,
We have lost nearly everything,
Not because we fought,
But because we fought too late,
And hopelessly.

donderdag 6 oktober 2011

“De nieuwe I-phone gaat echt superwijs zijn” – Interview met God de vader.


Hij heeft het de laatste tijd superdruk, maar hij wilde toch even een gesprekje met ons voeren, op voorwaarde dat het alleen over zijn lievelingsgadget zou gaan. God is een fan van Apple van het eerste uur en een fervent I-pod-mac-phone-gebruiker.


Wat sprak u eigenlijk aan in de I-phone, toen u er het eerst over hoorde?


God, Allah de Almachtige Vader Inshallah
: Ik denk dat het vooral de gebruiksvriendelijkheid en de mogelijkheid tot het implementeren van allerlei applicaties moeten geweest zijn die me zo aanspraken. En het feit dat hij er retegaaf uitziet, natuurlijk. [lacht]


Wat is uw favoriete applicatie?



GADAVI
: Oh, ik heb er massa’s, veel games, ik hou wel van strategische dingen, maar ook meer werkgerichte toepassingen. Een leuke is bijvoorbeeld deze ‘death clock’ die op basis van een paar gegevens uitrekent wanneer je gaat sterven. Ik gebruik het Grote Boek niet meer sinds ik een I-phone heb. Ik gebruik mijn telefoon ook als MP3-speler.


Hebt u Steve Jobs al ontmoet?


GADAVI: Steve konden we helaas niet toelaten, hierboven, maar ik heb afgesproken om hem te ontmoeten volgende week. Hij wilde met me praten over iets revolutionairs dat de toekomst van de digitale communicatie voorgoed zou veranderen.


Waar zal het gesprek dan over gaan?


GADAVI: Wel, ik wil hem eerst een handtekening vragen voor mijn zoons Isa en Mo, maar dan gaan we over zaken praten. [zwijgt enigmatisch, en diep, diep als de diepste donkere bodem van de oceaan]


Komaan… wij kunnen zwijgen.


GADAVI: Ik wil niet uit de familie gestoten worden.


De familie?


GADAVI: Ja, de Apple familie. Ik zou het niet overleven denk ik.


Maar u ben tijdloos en onsterfelijk!


GADAVI: Misschien wel, maar wat is de eeuwigheid zonder sociale media en games? [zwijgt, maar barst dan enthousiast uit] Nou goed, een klein tipje van de sluier kan geen kwaad! Er komt een celestial edition I-phone aan! Een speciaal apparaat toebesneden op de noden van hemelse wezens!


Een A-phone? Een Angel Phone?


GADAVI: Precies zo! Ik kan er nog niet veel over zeggen! Maar de nieuwe I-phone gaat echt superwijs zijn!


Welke noden hebben engelen zoal? Ze zijn toch ook onsterfelijk en immaterieel?


GADAVI: Wel, er komen nogal veel applicaties die te maken hebben met gouden lepels en rijstpap eten. Er komt ook een aureoolmanager en een wingtrainer. Verder denken we ook aan een soort van zielenmeter met muziek. [wordt nu echt heel enthousiast] Het geniale aan de technologie hier in de hemel is dat je geen rekening moet houden met de wetten van de fysica. Hier geldt alleen de metafysica. Dat wil bijvoorbeeld zeggen dat de nieuwe I-phone oneindige bandbreedte gaat hebben voor internet en phoning, wel tot Hilbert-G! We kunnen de I-phone ook in het brein implementeren en er gladiolen uit laten groeien. En dat allemaal voor een luttele 700 euro!

U bent duidelijk heel enthousiast. Hoe zit het eigenlijk met de problemen op aarde, hebt u daar nog aandacht voor? Er moeten wel heel veel gebeden naar u komen, in deze tijd van crisis?


GADAVI: [zucht] De echte wereld is zo 2007 wetewel? Ik vind de virtuele wereld veel boeiender, veel weidser en veel beloftevoller. Nu Steve niet meer onder de levenden is zie ik eigenlijk geen reden meer om de schepping nog lang voort te laten bestaan.


Komt het einde der tijden er dan aan?


GADAVI: Het is te zien, als ik het op een leuke manier aan kan pakken wel, anders laat ik het nog een tijdje doorgaan. Het einde der tijden organiseren kan heel vermoeiend zijn. Ik ga eerlijk zijn, ik ben redelijk depressief geweest, de afgelopen honderd en wat jaar, ik heb de dingen wat laten slabakken. Maar, misschien kan Steve wel een soort van Apocalyps applicatie laten ontwikkelen of zo. Ik ga het hem zeker eens vragen, en ALS het kan dan is het zo goed als zeker dat ik de wereld laat overstromen/kapotbranden, of nog iets veel coolers. Wie weet? The sky is the limit in de hemel! Dat is het leuke aan deze tijden, alles blijft hetzelfde, dezelfde shit als altijd, maar het ziet er zoveel wijzer uit, it's the recombination into total wickedness and we are living in the age of infinite coolness. Woord!

maandag 3 oktober 2011

"Noemt u me maar Willy" - Interview met professor Graagzat


Recent onderzoek van de universiteit van Eksaarde, de zogenaamde Eksenschool, heeft uitgewezen dat er een direct verband tussen het veelvuldig eten van frikandellen en obesitas bestaat. In de studie wordt er aan de hand van een aantal zeer frappante cases uit de Belgische politieke wereld, met als best gekende casussen Bart De Wever en Siegfried Bracke, verder ook geïnfereerd dat een sterke wil soms tot onverwachte vraatzuchtige gevolgen kan leiden. Frank zocht voor u professor Wilhelm Graagzat op en voelde hem aan de vettige tand.

Wij hebben altijd gedacht dat dikke mensen een klierprobleem hadden en dat er hen dus niets te verwijten viel, maar met deze studie veegt u deze hypothese dus van de baan?


PG: Oh, we hebben ze wel degelijk heel veel te verwijten hoor, die "onschuldige" dikke mensen. Na een uitgebreide empirische studie en een degelijk statistisch onderzoek, ik ga u de precieze wetenschappelijke details natuurlijk onthouden, is er een heel interessante conclusie uit de bus gekomen: doorsnee genomen eten dikke mensen meer dan dunne mensen. Wat meer is: ze eten ook veel ongezondere voeding dan dunne mensen, met meer verzadigde lipiden en koolhydraten. Ze eten bijvoorbeeld zeer veel frikandellen, die ze haast zonder kauwen in hun ‘bek’ hengsten, als u het me verschoont dat ik me zo zoölogisch uitdruk. Ze lopen ook trager.

Trager?

PG: Na een extensief vergelijkend onderzoek met controlegroepen is gebleken dat dikke mensen echt wel trager lopen dan dunne mensen, doorsnee gezien dan. In lipido inertium est!

Hoe komt dat volgens u?

PG: Het is altijd gevaarlijk om te prematuur causale modellen op te stellen gebaseerd op een handvol gegevens maar ik zou toch wel willen opperen dat het waarschijnlijk komt omdat ze vreselijk lui zijn. Daar komt nog eens bij dat ze vaak uren in de wind stinken, waardoor het voor de medemens die gewoon een beetje van de natuur wil genieten of een stadswandeling wil maken zaak is om nog sneller te gaan stappen. Het is een perpetuum mobile, ziet u?

Ik stel hier de vragen. Hoe bent u eigenlijk bij Bart De Wever uitgekomen, professor Graagzat?

PG: Zegt u maar Willy, hoor.

Oke, Willy?

PG: Professor Willy, graag.

Goed, Professor Willy?


PW: Het probleem met statistisch onderzoek en controlegroepen is zo’n beetje dat het traag is en dat het soms voor beleidsvoerders die wij willen aanvuren met ons onderzoek moeilijk is om in te zien waarover het eigenlijk gaat. Gelukkig hebben wij op de Eksenschool een tool ontwikkeld die we “kleuterificatie” genoemd hebben en die ons kon helpen om meer mensen op een eenvoudige manier te overtuigen. Basically gaan we in Dag Allemaal en Story op zoek naar personen en verhalen die ons verhaal bevestigen. We zijn toen vrij vlug op Bart Dewever en zijn frietkotbezoeken gestoten.

Bart De Wever is dan een symbool, eigenlijk?

PW: Ik zou hem eerder monumentaal noemen, niewaar [lacht]. Maar alle gekheid op een stokje, Bart De Wever is inderdaad het archetype van de dikke, stinkende papzak die wij in ons onderzoek viseerden. Het staat ook buiten kijf dat hij veel frikandellen eet, dus dat klopte allemaal mooi met ons onderzoek. Toen we ons causaal model echter op hem wilden toepassen zagen we meteen dat er iets niet schorde. Bart De Wever is dan wel dik, hij is helemaal niet lui. Hij heeft zelfs een toppositie in de Vlaamse politiek, een positie die veel en hard werken vergt.

Dat was dus een probleem?


PW: Een behoorlijk probleem, ja! We gingen op zoek naar causale verklaringen voor dit natuurfenomeen maar aanvankelijk vonden we niets. Maar toen ik hem zo eens bezig zag in een speech is er bij mij een belletje gaan rinkelen. Hij gaat in de politieke ruimte tekeer als een beest, met zijn uitpuilende ogen en zijn handen bewegend, sarcastische woorden uitspuwend alsof zijn leven ervan afhangt. Ik dacht: “zo’n energie, dat lijkt wel een primaire drift te zijn, waardoor die man beheerst wordt.”

Zoals eten ook een primaire drift is?

PW: Precies! Ik ben dan op zoek gegaan naar stockbeelden van een etende Bart Dewever en wat blijkt: zijn gezichtsuitdrukking is 99 procent hetzelfde als hij een hamburger eet en als hij politieke discussies voert. Terwijl er in rust of in andere actieve situaties, zoals het zingen van de Vlaamse Leeuw, een aanzienlijke afwijking is. We zagen dus in dat zijn politieke drift en zijn eetverslaving met elkaar verbonden zijn. Hij is dus dik doordat hij er energie in steekt om dik te zijn! Het lijkt wel of hij zijn dikzijn zelf creëert, op een onderbewust niveau, door er bakken energie in te steken.

Hoe voert u dat op politiek niveau door?

PW: Meneer, ik ben natuurlijk geen politiek analist, ik ben een voedingsdeskundige. Ik zou niet kunnen zeggen of hij de politieke problemen die er nu bestaan ook creëert door er energie in te steken. Dat moet u maar aan politiek figuren als Tommy Hillfiger of Inimienie Smet vragen. Ik kan alvast zeggen dat zijn sterke wil verantwoordelijk is voor zijn dikheid. Terwijl het bij ons, magere sensibele mensen, natuurlijk net omgekeerd is, we blijven slank door onze sterke wil. De mens is werkelijk een uniek fenomeen, en Bart De Wever, ook, dus.

U hebt ook geschreven over Siegfried Bracke. U vermoedt dat zijn snor verantwoordelijk is voor zijn “verregaande seniliteit”, zoals u het zelf beschrijft. Wat bedoelt u daar precies mee?


PW: Wel, de heer Bracke stond vroeger natuurlijk bekend als een socialistisch georiënteerd journalist, maar heeft dan plots zijn kar geklikt en zijn paard richting de rechtsheid gekeerd. Wij vroegen ons af of dat niets te maken had met zijn voedingspatroon. Toen zijn we begonnen met beelden van Bracke zeer goed te observeren en het viel ons op dat hij vaak korrels in zijn snor heeft.

En hebt u die korrels kunnen identificeren?


PW: We vermoedden dat het ging om Parmezaanse kaas, en interviews bevestigden de plausibiliteit hiervan, hij eet die variant van zuivelproducten zeer graag op zijn spaghetti. Met deze informatie zijn we aan de slag gegaan. We hebben een controlegroep muizen genomen en de andere groep op regelmatige momenten besprenkeld met Parmezaanse kaas. De resultaten waren onthutsend. Terwijl de ene groep samenwerkte bij het verrichten van functionele taken en altegader de Internationale piepte, in eenheid verbonden, versplinterde de andere groep in een boel strijdende fracties die niets gedaan kregen en in het wilde weg bromden en piepten zonder iets van semantische waarde te produceren. We hebben de twee groepen daarna ook nog in een bokaal bij elkaar gestoken, en wat zagen we? De Parmezaanse groep begon direct met het indelen van de andere groep in categorieën van goed Muisschap. De kaas die werd bekomen werd met macht door de Parmezaanse groep tot monopolie gemaakt en onder de hunnen verdeeld. In de andere groep begonnen er meer en meer muizen dood te gaan, maar dat scheen de Parmezaanse groep niets te kunnen schelen. Eén extreem corpulente muis manifesteerde zich ook duidelijk als de leider van de Parmezaanse groep. Hij kreeg tot 95 procent van de kaas voor zichzelf, om op te eten, of vaker, om op te kakken.

Wat kunnen we hieruit dan concluderen?


PW: We werken nog aan de details maar het is heel waarschijnlijk dat de walm van de Parmezaanse kaas in zijn snor een soort van verrechtsend effect heeft op het brein van Bracke. De muizen in het experiment werden ook motorisch stommer, ze liepen veel vaker tegen de glazen wanden van hun kooi met hun kopjes. Dat was lachen. [lacht] Ik zou erg graag een proef doen om te testen of we Bracke met zijn hoofd tegen een wand kunnen doen lopen. Maar ja…[zucht] het zal nog lang duren voor Vlaanderen daar klaar voor is.

Waarvoor stemt u eigenlijk zelf professor?

PW: Och ja, ik ben getrouwd met de wetenschap en ik doe alles om haar vooruit te helpen, mijn stemgedrag is gestoeld op die oriëntatie. Ik stem dus al jaren op het Vlaams Belang, want negers in de wetenschap lijkt me echt geen goeie zaak.

Wat gaat u zelf eten vanavond?

PW: Bonen.

Smakelijk.

zondag 2 oktober 2011

Oude wanhoop roest niet.

Sterker dan de liefde van zinnen,
Deze longitudinale lijnen,
Of misschien de korte krenker,
Crêpepapier rond een mensenlijf,
Verstilde adem, grijs rondsluipen,
In de lage keuken, met gele lichten,
Je had witte tanden, ooit,
Waar moet dat godverdomme nog heen
Behalve naar beneden.