zaterdag 3 september 2011

Vast

Beweging en lawaai,
een mimetisch spel,
Verandering sluipt,
Al liggen jullie keikoppen niet,
In een rivierbedding,
Ze eroderen, toch, desalniettemin.

De besneeuwde vijvers van mijn oude heem,
Eronder, in doorsnee, een bescheiden woeker,
Zonder vrucht en licht, drinkend van het water,
Groeiend, en verder niets.

Huil, huil, huil,
Mijn lieve wolven,
Jullie botten werp ik weg,
Bedelf ik in lichaamsdiepe aarde
Wat leeft moet,
Janken, janken.

zondag 28 augustus 2011

Een unieke sales pitch OFTEWEL wandeling voorbij de wondertuin over de magische trap der...eu... magie!

Ik kwam Albion tegen op de trap, een grote kronkelende constructie van hout en steen die naar buiten ging en langs alle mooie en schone vergezichten van het landschap leidde , en hij was aan het afdalen en ik zei tegen hem dat ik wel een keer met hem mee zou willen afdalen om met hem eens een gesprek te hebben over de kunst en meer bepaald de kunst van het schrijven, en hij vond dat goed. Hij vertelde mij dat “het schrijven de laatste tijd meer en meer vroeg om een unieke sales pitch” en hij scheen dat heel erg vanzelfsprekend te vinden, maar ik, ik wist eerlijk gezegd niet wat dat was, zo’n sales pitch, dus ik zei hem maar dat hij een zot was, een lelijke halvegare die niet goed wist waar hij over sprak, en hij zag ook wel aan mijn gezicht dat ik maar aan het zeveren was en dus legde hij zo goed en zo kwaad uit waar hij het over had, hij zei:

“Kijk Frank, schrijven is een beetje gelijk als tandpasta maken. Ge kunt gij wel tandpasta maken en dat kan supergoeie tandpasta zijn en ge kunt gij daar zelf van denken, “amai, godmiljaar, wat een lekkere tandpasta heb ik hier gemaakt, en ze is nog goed voor uw tanden ook”, maar de eerlijke waarheid is dat niemand daar eigenlijk een fuck, een kanker of een reet om geeft. Weet ge waarom?”

Ik haalde mijn schouders op en ik wreef aan mijn neus want al had je mij doodgeslagen, ik wist bij de goede gratie van onze lieve heer, God de Vader, niet waar hij het over had, en ik dacht dat twee keer zeggen dat hij een zot en een charlatan was misschien wat te veel van het goede was. Ik was serieus verbouwereerd maar voordat mijn bek helemaal met zijn onderklep tot tegen de grond kon vallen ging hij verder met zijn verhaal.

“Het kan de mensen geen kloten schelen dat uw tandpasta goed is omdat het de mensen niet kan schelen wat gij doet. Gij schept trots in uw daden, maar zij geven daar niet om. Gij werkt gij maar en ge doet uw best en ge voedt gij uw gezin, als ge al zo gelukkig zijt om niet helemaal alleen op de wereld te zijn, want het is godverdomme een miserie om met iemand samen te leven die ge dan ook nog eens graag ziet en om daar iets mee op te bouwen, maar dat is nog een ander verhaal. Maar hoewel dat voor u helemaal niet vanzelfsprekend is dat ge al die dingen doet en dan nog probeert om een beetje vrolijk rond te lopen en een goede mens te zijn voor andere mensen beschouwt iedereen dat als de normaalste zaak van de wereld.”

Ik knikte een beetje willekeurig met mijn hoofd want ik vond dat hij daar toch wel heel ware dingen aan het zeggen was, maar ik wou hem ook niet te veel gelijk geven omdat ik zelf ook wel vond dat ik zulke analyses kon maken en ik niet echt van plan was om toe te geven dat hij veel snuggerder was dan mijnzelvense persoonlijkheid. Albion is altijd al een clevere kerel geweest, maar hij is toch ook een beetje zot in zijn kop en hij heeft niet de klare kijk op de dingen die ik wel heb, zoals ik zelf graag geloof. Hij scheen niet echt op mijn knikken te letten, en ging weer verder met zijn verhaal.

“Nee nee, ofwel zijt ge een inspiratie voor het volk, voor jan en alleman, heeft zelfs den onnozelste proleet al van uw naam gehoord, ofwel kunt ge voor hun part aan uw darmen aan één of andere knotwilg gaan hangen.”

Ik begreep nu toch ook niet echt meer waar hij naartoe aan het gaan was met heel zijn redenering en mijn voeten begonnen zeer te doen van het stappen langs die prachtige vergezichten op die vreselijk lange trap en ik wou toch eigenlijk ook gewoon naar huis gaan om in mijn hof te gaan zitten en naar de bloemen op mijn Japanse Kerselaar te kijken, of ervan te dromen want zo laat in de zomer stonden er al lang geen bloemen meer op dat ding, wat me godverdomme deed wensen dat het één van plastic was geweest, dan had ik er tenminste nog iets aan gehad.

“Als en éénmaal ge natuurlijk een inspiratie voor het volk zijt kunt ge alles verkopen, dan moet uw kop maar op een tube tandpasta staan, al is ze gemaakt van vissenschijt, ze zal verkopen. Snapt ge het?”

Ik zei dat ik geloofde dat ik het snapte maar dat ik toch ook niet goed begreep hoe je dan een inspiratie voor het volk kon worden als niemand ooit een fuck, een reet of een kanker gaf om wat je deed, in de eerste plaats. Het was al zo moeilijk om promotie te maken met een leger van nepotisten aan je zijde en het leek me echt onmogelijk om het op je eentje te doen, met niemand die van je hield, en desnoods geweld wou gebruiken om je aan een positie of een jobke te helpen. Daar had hij een simpel antwoord op.

“Er zijn twee manieren. De eerste manier is de volkomen willekeur. Ge wordt gewoon bekend en geliefd en geprezen omdat ge meer ‘piet’, meer chance hebt dan de volgende sukkelaar in het grote systeem.”

Ik vroeg hem over welk systeem hij het had maar dat vond hij een belachelijke vraag, dus hij ging, niet zonder al te veel schimpscheuten, over naar het volgende deel van zijn intussen al magnifieke exposé.

“Maar dat is natuurlijk geen echte methode, die eerste methode. Dat is meer gewoon chance hebben, een gelukzak zijn. Het is een beetje zoals gans uw leven aan de lopende band sigaretten paffen en toch geen kanker krijgen: ge moet er een beetje piet voor hebben. Er zijn verschillende soorten van zulk geluk. Ge kunt bijvoorbeeld een rijke of bekende papa hebben en zo al direct bekend zijn. Of ge kunt gewoon een dikke fluit hebben waar iedereen op trapt. Ge vergeet niet rap een vertrapte fluit, kan ik u verzekeren. Snapt ge het?”

Ik zei dat ik dacht dat ik geloofde dat ik het begreep, en toen ik even verder over de dingen nadacht wist ik zeker dat ik dacht dat ik geloofde dat ik het begreep, alvast dat zei ik toch. Albion ging verder, hij kwam intussen op een polemische snelheid waarvan een kruisraket zou beginnen zweten zijn, mochten kruisraketten ooit iets anders doen dan arme sukkelaars die het niet verdiend hebben naar de verdoemenis knallen.

“De tweede methode is dat ge een unieke sales pitch hebt, iets waarmee dat gij opvalt boven al de rest, en ook al is het nog zo absurd, het maakt echt niet uit wat het is, als ge maar iets hebt. Ge kunt bijvoorbeeld de enige tandpasta in de wereld hebben die volledig gemaakt is uit gerecycleerde kippensnavels. Of een tandpasta hebben die behalve een hygiënemiddel ook nog eens een goed huisdier is, als ge ze niet na den twaalven eten geeft, want anders zouden de dingen wel ne keer gevaarlijk kunnen worden. Snapt ge…”

Ik kwam vlug tussen en ik zei dat ik het wel snapte en dat hij dat niet altijd moest vragen en tegelijk keek ik naar buiten over de groene velden en naar de grote waterval en ik dacht aan de gratie waarmee de donkerpaarse spaagmakrelen door de rivier zwommen. Ik moet zeggen dat ik bijna begon te bleiten, van aan zoveel schoonheid te denken, het is echt waar. Albion, de ongevoelige mens die hij was zijnde, en niet dus de niet ongevoelige mens die hij niet zijnde was wezende, ging gewoon door met zijn verhaal alsof ik niet de diepste en schoonste natuuremoties over spaagmakrelen aan het voelen was die er te voelen waren.

“Awel”, zei hij en daarna, “awel, ge snapt nu waarschijnlijk niet wat dit allemaal met de belletrie, ofte het schrijven van heel schone geschriften te maken heeft?”
Ik moest in alle eerlijkheid toegeven dat ik er niets van snapte en ik gaf meteen ook toe dat als ik er wel iets van gesnapt zou hebben dat ik het dan niet eerlijk zou zeggen. Albion zei me dat hij mijn eerlijkheid daardoor nog meer apprecieerde en we hadden efkes een moment van innige vriendschap, een echt teder moment, dat door de ongevoelige aard van Albion volledig aan hem voorbijging, maar daarom niet minder oprecht was. Hij zei:

“Ook in de schoonschrijverij hebt ge dus een unieke sales pitch nodig, want het kan de mensen geen kloten schelen dat ge schrijft en het kan ze nog veel minder een hol schelen dat ge goed schrijft en dat ge daar een stuk van uzelf in steekt als ge schrijft. Ze willen bij u gewoon iets lezen waardoor ze hun muil opendoen en dan “aaaah” zeggen of iets waardoor ze hun muil sluiten en zachtekes binnensmonds gaan slikken of huilen of hoe dat ze dat ook doen want in alle eerlijkheid bleit ik nooit en ik vind het voor sukkels en losers en moeders van gehandicapte kinderen.”

Ik gaf toe dat vooral die laatste groep recht had om te bleiten aangezien ze waarschijnlijk een moeilijk en zwaar en vooral onderschat leven hadden, vooral als ze dan ook nog eens beschoten werden door kruisraketten, zoals Albion ook nog opmerkte.

Ik zei dat het tof was dat we het eens waren maar hij zei “bwoa ik weet het niet” en ging verder met zijn betoog.

“Bijvoorbeeld. Als ge nu iets gaat schrijven over uw heel grote gevoelens die ge hebt bij de verschrikkelijke hypocrisie en gemakzucht van het menselijke intellect kunt ge niet zomaar iets opschrijven over de gemakzucht en hypocrisie van het menselijke intellect. Ge gaat dan iets moeten schrijven over iets anders waarin dat verwerkt zit. En dat “iets anders” moet dan uniek en/of meeslepend zijn en hen doen lachen of bleiten of hen gewoon heel kwaad maken of liefst alledrie tegelijk.”

Nu zag ik dus echt niet in hoe je zoiets kon bewerkstelligen en ik was bovendien niet heel erg aan het nadenken over zulke dingen aangezien we langs glazen panelen passeerden waarachter zich een ondoordringbaar en met wonderen gevuld regenwoud bevond. Een goudkleurige kikker met een bronzen foef kwam voor de ruit staan, deed met zijn linkerpoot zijn kroon van zijn hoofd en zei: “patsjoelie” waarna hij wegsprong en nooit, maar dan ook nooit meer terugkwam. Allez, eigenlijk weet ik dat niet want we stonden hooguit vijf minuten aan de venster daar, maar ik moet ook in iets geloven want anders stort alles in elkaar. Ik zei alleszins tegen Albion dat de natuur prachtig was, en hij was verbaasd omdat ik normaal gezien niets dan minachting voor de natuur heb en voortdurend op planten en bomen loop te fluimen. Albion zag door de verwarring die volgde op zijn verbazing de kans om nog even verder te gaan met zijn argumentering over de schoonschrijverij.

“Ge kunt dus niet gewoon schrijven “mensen zijn dom en hypocriet en gemakzuchtig”, want dan gaan de mensen al na de eerste woorden afhaken of ze gaan ze lezen en denken, “ja so what hé” en gewoon verder aan hun fluit gaan trekken of op hun muis gaan klikken, verzeild in een eindeloos spelletje computerpatience. Ge moet een kaderverhaal maken en de mensen intrigeren met complete overbodige bullshit om dan slinks en heimelijk zo langs de kantlijn en tussen de lijnen door uw boodschap duidelijk te maken. Ge kunt bijvoorbeeld een verhaal schrijven over een kolibrie die kan praten en die nog gediend heeft in de tweede wereldoorlog, maar voor de verkeerde kant. En die kolibrie heeft dan een minnares en die is gewoon bij hem omdat ze gehypnotiseerd is door de snelheid van zijn vleugels. Dan spint ge één of ander verhaal uit over die stomme kolibrie met zijn dwaas wijf en ge laat hen constant domme dingen doen en gemakzuchtig zijn en hypocriet zijn en dan op het einde laat ge ze in een ravijn vallen en zegt ge “ha ja, schoon dingen, eigen schuld, et cetera.” Zo kunt ge dan de mensen in de val lokken om dat wat ge geschreven hebt te laten lezen.”

Ik zei tegen Albion dat ik het een heel cynische manier van denken over het schoonschrijven vond die hij daar hanteerde en dat ik dacht dat het toch allemaal om diepgang en oprechtheid ging. Hij lachte heel luid nadat ik dat had gezegd, niet omdat hij het grappig vond wat ik zei, maar omdat hij me belachelijk wilde maken, of het kan ook dat hij ergens in de tuin iets grappigs zag. Hij zei:

“Oprecht! Diepgang! De mensen willen op hun gat van een bloody mary drinken en verhaalkes lezen over een tovenaar die dingen uit zijn hol trekt en er dan wijven mee naait! Mensen willen toch geen diepgang en oprechtheid? Hun leven is zo al deprimerend genoeg. Als ze oprechtheid en diepgang willen kijken ze wel naar de pepe die van kop tot teen vol tumoren zit en daar al een paar weken ligt te sterven. Wat gaat gij met uw boekskes dan diepgang geven, ge komt nog niet eens tot milde ernst, vergeleken met wat er allemaal gebeurt in de armzalige klotelevens van al die sukkelaars!”

Ik vond het een interessante gedachte, die Albion daar opperde en ik wilde er net iets dieper op ingaan toen ik mij daar toch mistrapte en zo pardoes naar beneden viel van de trap, vierhonderdduizend treden diep. Ik brak mijn nek en was steendood en Albion ook want die had ik meegesleurd, zoals ik voor de geloofwaardigheid misschien beter direct had gezegd, maar ik dacht “kom ik zal eerst over mijzelf praten en dan zullen we wel over iemand anders praten, ik ben toch uiteindelijk de protagonist van dit verhaal”. Ik was op slag dood na mijn val, en Albion ook, zoals ik niet naliet van op te merken, en daardoor was het gesprek over de schone letteren zowat afgelopen, zoals dat gaat. Maar goed, mijn voeten deden gelukkig geen zeer meer, en dat was toch ook al iets.

Postmodernistische noot: dit is allemaal morgen gebeurd, en vertakt in de breedte.

zaterdag 13 augustus 2011

Vlees

Vreemd hoe na het betreden van het derde tijdperk,
Niet kind, niet jeugd, een plekje verder van het verleden,
Alle obers zo op jonkies leken,
Die zo weinig over het existeren weten,
Heel erg vreemd,
Zeker hier, zeker nu,
Net toen we onszelf tijdloos achtten.

Ik bestelde lever, jij bestelde nieren,
We vraten onze portie dooie beesten,
Met een vork en zonder wrok,
We waren onschuldenaren met propere handen,
We hoefden onze handen niet te wassen.
Ik sliep zeven nachten met mijn blote vingers op je schoot,
Daarna vertelde ik aan mijn moeder dat je mijn vrouw was,
Voor altijd als de tijd het wou,
Een met de realiteit onverzoenbaar verzoek,
Dat vond ze goed,
Zomaar.
Het mens kent ook geen schaamte,
gelukkig.

Ze weet ook niet meer wat het voor me betekent,
Het is te lang geleden, toen wij samen jong waren,
Ik en mijn moeder, mijn lieve moeder,
Ze is al bijna gras en grond en vlees, een laatste mengsel,
Ik zal haar weldra opzoeken en naar de stenen kijken,
We moeten allemaal heel erg triest worden, dan.

Met de riem van mijn kamerjas nog rond mijn hals,
Lig ik in stukken op de grond, meer levend dan dood,
Helaas,
Wat weten wij hier nog over lijmen, in dit land?
Zullen ze zeiken over mijn broze bebloede botten?
Zullen ze liggen op mijn doorlachwonden?
Mijn spieren doen pijn van het giechelen,
wanneer ik eraan denk.

Ik bestelde vlees van het gat, van de reet,
Want het dode lichaam, dat is mals,
Jij was een zoete taaie brok vol leven,
Je was als een thriller,
Of als een schone deerne,
Je bleef beklijven,
Je plotte zonder einde,
Maar alle listen moeten falen,
En zoals komieken en bellettristen weten.
Gaat het om leeg lopen en vol vreten.

Ik ben rauw,
Willen jullie me godverdomme opeten,
Eet me dan godverdomme op,
En houd jullie muilen stil en zwak,
Zwijg toch, oh filosofen en proleten,
Die dwaze genen,
Die zich al te veel te zeer roeren,
Want wat is,
Moet verteerd worden,
Maakt niets uit wanneer,
Of waarom.

zaterdag 23 juli 2011

Zo gaat het goed.

Ik draai de douchekraan open en laat het warme water over mijn pijnlijke slapen lopen. Ik sluit mijn ogen om beter na te kunnen denken. De geprojecteerde vlekken op mijn retina blijven dansen, in zilver met grijze strepen, bewegend als hallucinogene wolken. Ik ben een miserabel wezen, maar ik ben niet alleen, we zijn met zovelen, wij veel-te-velen. We zijn allemaal naar de kloten, verdoemd tot niet-bestaan of op weg erheen, niets te koningen van de schepping, niets te bestierders van een betere wereld. Onze vernietiging zit in onze breinen en lichamen ingebakken, ze is hardwired, er is geen ontsnappen mogelijk, we moeten eraan geloven. Vandaag schoot een klootzak negentig mensen neer, jonge mensen, mensen die nog lang hoorden te leven. Kan je het godverdomme geloven? Bestaan is het enige geschenk dat je ooit krijgt, het is een vergiftigde gift,verzwaard met lijden en ziekte, maar het is al wat we krijgen, daarna is het punt gedaan afgelopen. Die schutter, die onbenullige moordenaar, dat is er één die niet in zijn eigen sterfelijkheid gelooft. Ik heb een hekel aan mensen die iets te bewijzen hebben. Ze hebben altijd ongelijk. Je kan niet winnen in het leven, je kan even voorstaan, een puntje scoren, maar het is altijd tijdelijk.

Ik kan wel janken, gelukkig valt het niet op, hier in de douche. Ik denk dat ik het maar doe. Het maakt niets uit.

Ik hou van je mijn lief. Van je stem en van de woorden die je ermee spreekt, van je strelingen, van je zachte ogen in je amandelvormige gelaat, van je krullen en je lach en je witte tanden. Ben je uit een Colgate-reclame gestapt? Je bent dol op me en je bent een godverdomde biologische hoogstand, het is echt waar, niemand kan het ontkennen. Maar moeten wij ook niet vergaan tot restanten van onszelf en wrakken worden en crashen en kapotgaan en uiteindelijk loslaten en wenen en wenen en wenen tot we beiden grote bergen onbeweeglijk dood snot zijn? Waarschijnlijk.

De moorden van die domme man in het Noorden maken allerlei primaire en egocentrische gewelddadige sentimenten in me los. Misschien is dat iets natuurlijks. Ik heb de natuur nooit vertrouwd, dus het zou wel kunnen. Ik ben geen bijbels man, maar wie aan jou raakt is zijn ogen en zijn tanden en het merendeel van zijn interne organen kwijt, de hoogmoed van mijn kunde in gramschap kent geen grenzen. Ik klink als mijn vader, maar dat geeft niet, met zijn goede ziel, ik heb in zijn ogen gekeken en mezelf erin gezien. Dat moet iets betekenen, of misschien ook niet. Ik zal voor het goede vechten als een donkere krijger. Waarom? Is dat wel rationeel?

Bah nee. Redeneringen zijn voor wiskundigen en journalisten, voor de apollinische bouwers van een samenleving die zichzelf van nature steeds maar afbreekt, als een entropisch proces. Ik ben een danser, een roeswezen. Ik ben een spuwer en een zuiger. Ik ben een lachlied en een smartlap. Ik heb altijd pijn en moet altijd onbedaarlijk lachen, mijn liefde is oneindig groot en mijn haat is als torens hoog. Ik ben niet gemaakt om te bouwen, hoogstens om te pissen. Goedheid is niet rationeel, het is het allerbelachelijkste dat er bestaat. Het is een dwaze lach en het zijn hormonen en neurotransmitters die zich roeren. Goedheid is de beste psychische afwijking die er is, volgens elke circulaire redenering die ik maar kan bedenken.

Ik droog me af met een blauwe handdoek. Ik stap de trap op en doe de deur van mijn kamer open. Het is een koude, vochtige julimaand. In mijn bed liggen twee kussens, een symbool dat me altijd gewichtig voorkomt, maar het natuurlijk niet is. Ik slaap gewoon liever met mijn hoofd wat hoger. Ik doe het licht uit en sluit mijn ogen. Dansende zilverkleurige vormen verlichten de duisternis, amorfe amoebes uit oudere tijden, misschien. Nietsbetekenende signalen van mijn vermoeide neuronen veeleer, ik bibber. Ik wil je lichaam voelen, hoofd, armen, borsten, benen, voeten. In het eeuwige heden kan niets ons ontglippen, geloof ik. Het zijn al die projecties die ons gek en ziek maken, verleden, toekomst, een zee van vroeger en straks waarin het heden verdrinkt en uiteindelijk verdwijnt. Slaap zacht mijn lieve vrienden.

dinsdag 12 juli 2011

Leefreflexen voor betere regels.

Ik kook een ei in vijf minuten,
Ga pissen met de deur op slot,
Het plafond is laag en het stinkt
Naar het ozon van de diepe nazomer.

Geen kaars verlicht de kamer,
Er heerst elektrisch licht,
We moeten niets ontberen, maar
Dat kan je ook van lijken zeggen.

Is echte goedheid niet,
Ondanks helse pijnen,
Jezelf negeren,
En met kauwen doorgaan?

Slijm en ongeboren leven aan m’n lippen,
Ik grijns buiten mijn wil,
Ik ben een walgelijke parasiet,
Rondlopen is verspilde ruimte,
Er is geen adem buiten mijn plaats.

(Door mijn plaats,
die nergens is, ben ik heimloos.
Dooddoener in mijn taal,
Zelfmoordenaar van mijn denken,
De vader, de zoon en de heilige banaliteit.)

woensdag 29 juni 2011

Karma de kosmische koe.

“Voor M., aan wie ik niet veel kan geven behalve mijn tijd, mijn aanwezigheid en het allerkleinste, dat wij onder elkaar niet hoeven uit te spreken.”

Toen ik nog een kleine jongen was, maar net iets groter dan drie appels hoog, kreeg ik op een dag een vreemde kwaal. Ik begon een beetje te kuchen, Ik rolde met mijn ogen en ik werd erg bleek, hoewel ik nooit al erg veel kleur had gehad. Er werd een spoedoverleg georganiseerd tussen mijn ouders, waarbij het ene argument werd aangehaald en dan het andere, maar er kwam niet echt een conclusie van. De tijd tikte door en ik werd alsmaar bleker en ten einde raad besloot mijn moeder uiteindelijk om met mij naar een zeer geleerde meneer te gaan, zo één die alles wist van kinderen en waarom ze ziek werden.

We stapten in de auto en mijn moeder voerde me naar het huis waar de grote geleerde woonde. Het had witte gangen en de properste kamers die ik ooit gezien had. We wachtten eeuwen voor de geleerde ons kon zien. Het konden ook wel vijftien minuten zijn, mijn tijdsbesef was wellicht verstoord door de onmetelijke reinheid van de steriele ruimte waarin niets bewoog. De grote geleerde wenkte ons uiteindelijk en zei ook nog dat we binnen mochten komen, om alles superduidelijk en klaar aan ons over te brengen. Hij wees naar een metalen stoel en gebood me om te gaan zitten. Hij zei:

"Daar!"

Daar bekeek hij me, deed hij mijn mond open en scheen hij erin met een licht. Hij voelde aan mijn pols en klopte op mijn voorhoofd, alsof het een eitje was dat hij graag wilde breken. Daarna besloot hij:

“Hmm, de jongen is erg ziek. Erg ziek!”

Mijn moeder knikte, en de geleerde heer die alles van kinderen en waarom ze ziek worden wist knikte ook en door al dat geknik werd de sfeer wel heel knikkend, dus knikte ik ook maar, uiteindelijk. Toen mijn moeder en de heer me zagen knikken stopten ze met knikken en fronsten ze. Ik fronste. De geleerde heer slaakte een zucht en oordeelde nogmaals:

“erg ziek”

Hij schreef me voor om plat op mijn rug te rusten en om zeker onder geen beding nog buiten te spelen. Hij zei waarschuwend dat we zijn gebod niet mochten overtreden, want:

“Als hij buitenspeelt zou zijn hoofd wel kunnen ontploffen! Als een prikballon!”

Dat vond mijn moeder een schrikwekkend idee. Toen we buiten stonden, op de straat waar mijn hoofd hoorde te ontploffen peperde ze me in dat ik absoluut niet meer buiten mocht spelen. Ik was maar een kleine jongen en hoewel ik huilde en probeerde om tegen te spreken kende ik niets van de geavanceerde technieken van de burgerlijke ongehoorzaamheid of van de guerrillastrijd. Ik gaf mijn moeder haar zin: het mijne zou voortaan een bestaan verscholen van de atmosfeer zijn.

Doordat ik niet meer buiten mocht spelen had ik voortaan erg veel vrije tijd die ik binnen, onder het dak en tussen de vier muren, door diende te brengen. Mijn moeder was bezorgd maar zij wist als gezonde huisvrouw goed wat verveling was, dus ze deed één keer in de week een even verwoede als nutteloze poging om de sleur en verveling van mijn binnenleven te breken. Eén keer per week stapte mijn moeder met me in de auto, en eens ik daar veilig in mijn zitje zat, met de verwarming aan om me te beschermen tegen mijn vreselijke ziekte en om hoofdontploffingen tegen te gaan, reed ze met me naar de bibliotheek. Wel, grote hoera. In de bibliotheek koos ik een hele stapel boeken, die ik daarna mee naar huis nam en één voor één uitlas.

Ik las en ik las en ik las, en ik zat altijd maar binnen op mijn kamer en ik kreeg zo weinig zonneschijn op mijn huid dat ik nog bleker werd, en dat sterkte de grote geleerde in zijn zekerheid dat ik toch wel erg ziek was en dat ik zeker, wat er ook gebeurde, niet buiten mocht spelen.

Maar ik was niet ontevreden, tot jullie grote verbazing, misschien. Ik was tevreden want ik leerde als vervanging voor echte mensen de meest fantastische verzonnen personages kennen. Ik las over een Spaanse ridder die tegen molens vocht, over een jongen die in het oerwoud met de dieren praatte en over een metafysisch wezen dat een kerel dwong om veertig jaar door de woestijn te dwalen en hem dan doodleuk liet doodvallen. Ik vond het allemaal superspannend! Ik dacht:

"Wie wil er nog met kleine Jan van de bakker spelen als hij in de aanwezigheid kan zijn van een ridder die draken bevecht en met een heel mooie jonkvrouw zoent, zomaar op haar mond en in haar hals? Of wie wil er nog in de tuin spelen als je met de teletijdmachine een reis kan maken naar een wereld die honderdduizend jaar geleden bestond en waarin er gigantische beesten rondliepen, levensgevaarlijk maar niet in staat om je te raken of te schaden?"

Ik geloofde dat niemand met zijn verstand op de juiste plaats zulke fantastische wezens, mensen en plaatsen zou willen inruilen voor de plaatsen en figuren uit get alledaagse leven van een blanke bleke knaap. Ik was een antiheld, sowieso slecht in rennen en samenspel, wat zou ik doen met de stoere boerenknullen van de kleine plaats waar ik woonde, behalve door hen geplaagd worden en de zwakste zijn in elk spel? Ik overwoog dit alles en ik las en sloot de wereld buiten mijn boeken buiten en de wereld binnen mijn boeken binnen.

Ik voelde me desondanks soms wel eenzaam, en ik wou soms dat ik een vriend had om mee te spelen. Maar er viel niets te veranderen aan mijn eenzaamheid, want niemand wilde spelen met een dodelijk ziek kind dat van pret alleen al een ontploffend hoofd kan krijgen, of dat nu binnen of buiten was. Niemand, geen kind en geen volwassene, houdt van stukjes hersenen op zijn kleren als hij aan het ravotten is.

Op een dag voerde mijn moeder me naar de bibliotheek, nadat ze dubbelgoed gecheckt had of de verwarming wel aanstond en of ik wel goed vastgesnoerd in mijn autostoeltje zat en of ik niet aan het spelen was in de auto, want in de auto spelen leek toch wel erg goed op buiten spelen en ze wilde het gebod van de grote geleerde niet overtreden. Eens we voor een kwartier stil naast elkaar hadden gezeten in de brommende machine en we in de bibliotheek waren aangekomen, deed ik tussen de rekken en stapels boeken een ontdekking.

Ik was op zoek naar een interessant boek over een interessant onderwerp, en het liefst ook nog één met een interessant verhaal, maar ik kwam al vlug tot de conclusie dat ik elk boek al gelezen moest hebben. Een beetje verveeld trok ik dan maar een oud boek over de prehistorie dat ik al kende uit de kast maar ik struikelde, en viel tegen de kast waardoor er een boek op mijn hoofd viel. Gelukkig had mijn moeder niets gemerkt van mijn ongelukje want anders was ze onmiddellijk komen aanlopen en was ze vast met me naar de grote geleerde gelopen en hadden ze misschien weer moeten vaststellen hoe vreselijk ziek ik was en hoewel het pijn deed aan mijn hoofd probeerde ik om niet te huilen, om geen volwassenen te alarmeren en om ze uit mijn buurt te houden.

Het boek dat op mijn hoofd gevallen was heette “het ontstaan van de kosmos: het ware verhaal!” en tot mijn verbazing stelde ik vast dat ik het niet kende en het nog nooit eerder gezien had. Op de hoes van het boek stond een grote glimlachende wit met zwart gevlekte koe te midden van de sterren in de hemel. Ik vond het maar een rare hoes, maar ik nam het boek toch mee omdat ik elk ander boek toch al gelezen had.

Het boek beschreef de scheppingsdaden van een grote kosmische koe, dat wil zeggen van een koe in de ruimte, of nog juister, van een een koe die nog groter was dan de ruimte of die de ruimte zelf was.

Denk bijvoorbeeld maar eens na over hoe je als je een huis, een bloem of een dier of zo tekent, dat het dan altijd op iets anders getekend is. Je tekent op een blad papier, bijvoorbeeld, of als je niet braaf bent op de muren van het toilet, of als je echt stout bent op het voorhoofd van je vader terwijl hij slaapt. Je hebt dus altijd een plaats nodig om iets op te tekenen, wat we dan ‘een ruimte’ noemen.

De kosmische koe was enerzijds het blad papier waarop alles getekend werd. Maar ze was tegelijk ook het blad papier, het materiaal voor de tekening, de kleurpotloden of de verf zeg maar, de tekenaar en de tekening zelf. Ze was eigenlijk alles en alles was in haar.

Ze heette karma en ze was erg eenzaam in de oneindige leegte van de donkere ruimte. Daarom besloot ze om met één van haar zes kosmische uiers een tekening te maken met haar kosmische melk. Op de eerste dag spoot ze de melk uit haar eerste uier en de duisternis verging en alles ontplofte in duizend schitterende brokstukken en licht overstroomde haar grote koeienlichaam. Karma liet het licht over haar lichaam stralen en lachte en loeide tevreden. Ze zag dat het goed was en ging tevreden slapen.
De volgende dag echter werd het koeiengemoed van Karma weer onrustig en ze bekeek haar ontwerp en bedacht dat het toch maar wat saai was, zo’n oneindige zee van licht. Daarom besloot ze om er een zee van vocht aan toe te voegen door met haar tweede uier in één van de lichtgevende brokstukken te spuiten. Door de koele melk spatte de ster uiteen in zeven kleine koele brokstukken en zij vulde één van de brokstukken volledig met water, waardoor er een waterplaneet ontstond. Aldus geschiedde en ze baadde haar onderlichaam in het water, terwijl ze haar bovenlichaam in het licht hield. Ze voelde zich behaaglijk in de lauwe warmte van het water en met het licht van de sterren boven haar hoofd. Ze ging slapen terwijl het licht langzaam verdween en ze zag weer dat het goed was. Karma was een blije koe.

De derde dag werd Karma echter weer wakker met een trieste geest. En omdat er geen grote geleerden bestonden die konden vertellen waarom koeiengeesten triestig worden besloot ze om haar problemen zelf maar op te lossen. Ze richtte zich op uit het water en bekeek de grote blauwe vlakte rondom haar, die haar plots ook erg monotoon voorkwam. Ze spande haar derde uier in en spoot die helemaal leeg tot hier en daar in het water grote landplekken waren ontstaan. Zo kon ze uit het water stappen en in de behaaglijke warmte van het licht warm worden tot zij weer afkoeling in het water kon vinden. Zij was tevreden met wat ze gemaakt had en ging weer slapen. Dat was het einde van de derde dag. Zij droomde van een grote blauwe wereld met hier en daar wat land, en van een tevreden koe die erop sliep. Ze loeide naar de lichtgevende brokstukken in de hemel die zij ooit was geweest.

De vierde dag werd Karma echter wakker en voelde ze een grote onrust in haar hoeven en poten. Ze begon over het land te wandelen en ze keek rondom zichzelf tot ze doodmoe was. Het was een dor en kaal land met nergens iets dat leefde behalve zijzelf en ze besloot al vlug om daar verandering in te brengen. Zij spoot haar vierde uier leeg en waar de melk landde rezen er bomen, planten en allerlei andere gewassen op. Zij droegen de heerlijkste vruchten en vochten met elkaar om elke vrije plek van de aarde te bedekken. Karma besloot dat deze strijd voor het bestaan nodig was, zodat er geen verveling meer zou bestaan en alles altijd in beweging zou zijn. Want waar er strijd is om te bestaan is er beweging, en kan men zich niet vervelen. Verveling was een ziekte tot de dood, besloot Karma, wat ik die nooit buiten mocht spelen, maar al te goed begreep, hoe klein ik ook was. Karma at wat gras en een paar blaadjes van een struik en besloot dat het goed was. Ze legde zich comfortabel neer in een weide aan een beekje met wat water en sloot haar ogen, tevreden en doodmoe van al het creëren.

De vijfde dag werd Karma echter wakker en voelde ze zich vreselijk eenzaam. In haar hart en in haar grote koeienmagen bonsde het verlangen om een koe onder koeien te zijn, om haar verlangen, haar smachten en haar blijdschap met iemand te delen. Ze spoot haar vijfde uier leeg en alle beesten ontstonden, insecten, vissen, amfibieën, vogels, reptielen, koeien, paarden, alle zoogdieren en ook de mens, als allerlaatste. Er ontstond meteen een hevige strijd tussen alle beesten, een strijd voor het bestaan, en de mens deed ook mee aan deze strijd, als een deelnemer onder de anderen, niet winnend of verliezend, maar niemand klaagde en alles kende zijn natuurlijke verloop, er werd gegeten wat er gegeten moest worden en er werd genomen wat er genomen moest worden, maar niemand verstoorde het evenwicht dat Karma gemaakt had, en zo was alles goed. Karma had de keuze tussen strijd en verveling gemaakt, maar te veel strijd zou weer tot verveling leiden omdat er dan op de lange duur niets meer om over te strijden zou zijn en iedereen tot verstarring en stilte zou vergaan. Karma ging slapen en droomde van alle dieren en alle planten, en van het licht en van het water, en van hoe alle dingen hetzelfde waren, maar toch anders.

De zesde dag werd Karma wakker in de wereld zoals ze die altijd had gewild. Het was een bruisend harmonieus dal met beweging en vertraging, warmte en koelte, met leven en dood, met vreugde en verdriet en geen enkele helft van deze paren kon zonder de andere bestaan. Ze wenste werkelijk om niets meer te veranderen aan haar schepping en was van plan om voortaan hele dagen in haar koele weide te blijven liggen tot de dag weer voorbij was en tot haar leven ook zou eindigen, want ze werd ook al een oude koe, en niets mag en kan voor eeuwig duren.

De mens kwam echter op haar af en begon meteen tegen haar te klagen. Hij klaagde dat hij het niet begreep. Waarom moest hij toch lijden en doodgaan? Waarom moest hij zich verdedigen tegen wilde beesten en zich verwarmen tegen de koude die ’s nachts kwam? Waarom was zijn leven zo kort, en wist hij niet wat er gebeurde als het eindigde? Kon dat niet allemaal wat beter geregeld worden? Maar Karma was ook maar een goddelijke kosmische ingenieur en ze wist ook niet waarom de dingen werkten zoals ze werkten. Het verdroot haar dat ze de mens niet kon helpen, haar eigen creatie die het zichzelf zo moeilijk maakte met al zijn vragen, en in haar poging, in haar wanhopige poging om hem te helpen maakte ze een vergissing.

Karma loeide en draaide met haar ogen en ze spoot haar zesde uier op hem leeg. Ze gaf hem een brein om te begrijpen en een hart om te voelen. Het licht flakkerde op in de ogen van de eerste mens met een brein en een hart en hij hield plots enorm veel van Karma en begreep daarom waarom zij deed wat zij deed. Hij aaide de grote ouwe koe over het hoofd en vertrok. Karma stond daar nu op de wei met haar zes lege uiers en ze had al wat ze kon geven gegeven, zelfs haar scheppingskracht was nu op, maar ze was tevreden. Ze sloot haar ogen en ging slapen en droomde van de mens, die niet eens haar evenbeeld was, maar aan wie zij alles had gegeven.

Maar Karma had de mens een brein gegeven zoals het hare, maar minder groot en het dacht bovendien niet in de juiste richting, en een gevoel zoals het hare, maar minder groot en het voelde vaak verkeerd, en de mens die eerst zo tevreden was begon steeds meer te twijfelen over alles. Hield hij echt van Karma? Had zij hem niet in de luren gelegd en hem veroordeeld tot dit ellendige bestaan? Was het niet zijn eigen taak om zijn eigen geluk te creëren? De mens besloot om gelukkig te zijn wat de prijs daarvan ook was voor anderen. En in zijn twijfel over de ware orde der dingen die hij ooit zonder brein vatten kon en in zijn angst om te sterven en om niet te overleven begon hij steeds grotere dingen te creëren. Hij maakte grote plaatsen om in te wonen, vergaarbekkens voor mensen, en hij noemde ze steden, hij gebruikte planten en dieren om zich te voeden alsof ze zijn bezit waren en hij noemde het landbouw en hij onderzocht de dingen en gebruikte zijn bevindingen om zichzelf machtiger te maken en noemde het wetenschap. Hij eigende zich alles toe met zijn brein en vergat dat hij ook een hart gekregen had. Hij bestond en bleef bestaan, maar vergat waarom hij bestond en dacht dat alles om hem draaide.

Toen Karma op de zevende dag wakker werd wilde ze deze laatste dag heilig verklaren, haar grote dag van het rusten verzekerend voor iedereen tot het einde der tijden. Maar ze had geen stem meer om te spreken, want die was in haar slaap door de mens weggesneden en zij en haar soortgenoten, de andere koeien en dieren bevonden zich in gevangenschap van het ontspoorde wezen, dat als een grote koning met een kroon op de kruin over de hoofden van iedereen staarde. Hij moordde en plunderde en vrat en deed duizend wrede dingen en noemde het vooruitgang en zijn geboorterecht. Zij probeerde zijn blik te vangen en hem te wijzen op het leed dat hij aanrichtte. Op de slachthuizen, de nutteloze oorlogen, op zijn technologie om van zichzelf een kosmisch wezen te maken, maar de mens keek haar niet in de ogen. Hij was bang dat het gevoel in zijn hart de tirannie van zijn bange brein zou breken. Dus leidde hij Karma naar de slachtbank, zette haar een ijzeren pin op haar hoofd en doodde haar door haar schedel te breken en haar brein te doorboren. En toen zei hij: “dat zal haar leren, om ons zo te laten lijden.” Dat was het einde van het onstaan van de kosmos: het ware verhaal.

Laat in de avond sloot ik het boek en ik voelde me triestig, ik staarde lange tijd voor me uit in de steeds donkerder wordende kamer. Ik stond op en ging naar mijn moeder en vertelde haar dat ik niet ziek meer was, maar daar wilde ze niets van geloven. Ze gaf me aardappelen met worst te eten, en ik kauwde en dacht aan Karma.
Die nacht lag ik in bed en kon ik de slaap niet vatten. Het was een warme avond en mijn raam stond een beetje open. In de verte baadde de weide van een boer die vlakbij ons woonde in het maanlicht. Ik sloot mijn ogen en probeerde mijn slaap te forceren. Plots hoorde ik echter geloei, luid en duidelijk alsof het vlak naast me in de kamer was.

Toen ik echter mijn ogen opendeed zag ik niemand. Ook toen ik opstond uit mijn bed was er niets of niemand te bespeuren. Ik ging naar het raam en tuurde in de verte. Alleen maar de weide, met daarop een paar koeien. Niets buitengewoons. Maar plots vroeg ik me iets af. Hadden daar dan vroeger geen paarden gestaan?
Ik deed mijn sportschoenen aan en sloot mijn jek. Ik kleedde me goed aan, want ik wilde niet doodgaan als ik daarbuiten in de voor mij zo schadelijke lucht kwam. Ik deed ook een muts aan en handschoenen en ik voelde me een beetje als een astronaut die voor het eerst een maanwandeling ging maken.

Ik stapte buiten, in de verwachting van onmiddellijk door mijn ziekte geveld op de grond te zullen vallen met een ontploft hoofd, maar tot mijn grote verbazing voelde het best wel goed aan, zo een beetje buitenlucht. Ik bedacht dat de grote geleerden die weten waarom kinderen ziek worden misschien toch niet alles kunnen weten.
Ik stapte naar de weide van de boer en zag dat er vier koeien in de weide stonden, drie rode en één wit met zwart gevlekte, zoals Karma. Ik ging voor het gevlekte beest staan, dat grote waterige ogen en een vochtige neus had, en streelde over haar snoet en probeerde om te ontdekken of het Karma was, of niet, want hoewel ze maar één uier had en dus niet volledig met de beschrijving van “Het ontstaan van de kosmos: het ware verhaal!” overeenkwam voelde ik aan het tintelen in mijn buik en tenen en vingers dat zij geen gewoon beest was. Ik opende mijn mond en ik piepstemde:

“Karma?”

Ze hield haar hoofd schuin, deed een onhandige halve pas achteruit en keek omhoog. Haar koeienblik tuurde boven mijn hoofd en ik keek met haar naar de volle maan die boven onze hoofden zweefde en naar de sterren maar ik begreep ook wel wat zij bedoelde. Zij was diep verdrietig over de wereld waarin zij maar als een stom beest werd gezien, maar tegelijk ook blij dat ik bij haar kwam en over haar snoet streelde. Karma was een blije koe. Ze deed nog een stap achteruit en zei:

“Meuuuuh”

Ik vond het jammer dat ik geen Koe’s sprak, maar ik knikte toch maar van “ja” want ik geloof dat ik wist wat zij bedoelde. Ik zat een paar uur naast haar en ging dan weer naar huis en sliep in mijn bed tot de ochtend even later kwam. De volgende nacht ging ik haar weer bezoeken, en de nacht erop weer. De koe werd mijn beste vriend, de eerste vriend die ik ooit had in mijn leven, en het was niet eens een mens. Misschien was dat ook wel beter, mensen kunnen zo vervelend doen en ik dacht aan de geleerde, die alles leek te weten, en aan de eerste mens, die een brein kreeg en het gebruikte om Haar te doden.

Ik wou dat ik kon zeggen dat ik tot het einde, tot vandaag, elke avond stilletjes bij Karma heb gezeten, maar we komen naar het einde van ons verhaal, en hoe kan een einde niet triest zijn, tenzij het niet echt het einde is, en dan komt de triestheid wel ergens op een onverwacht moment, als je het niet ziet aankomen. Het is zoals Karma het ook al wist, niets blijft voor eeuwig duren.

Op een nacht naderde ik de weide en zag ik alleen de drie bruine koeien staan. Hoe ik ook riep en tierde, Karma was nergens te bekennen. Ik bedacht dat er moest gebeurd zijn wat ik al vreesde dat er ooit zou gebeuren. Het was zoals in het boek dat ik had gelezen. Mensen beschouwden de beesten als hun eigendom en omdat zij niet naar hun hart luisterden zagen ze niet dat ze hetzelfde als hen waren, dat ze geen koningen of heersers of bazen waren of andere levenden, maar gewoon ook lopend vlees met een beperkte tijdsduur.

Ze hadden Karma vermoord, en ik bleef vriendloos en een beetje huilend op de weide achter, maar niet omdat ik triestig was omdat ze was verdwenen, want ik wist ook dat dit bestaan niets voor haar was en niet kon blijven duren maar omdat ik weer alleen was. Mijn eerste vriend en mijn eerste egoïstische verdriet waren beiden naar me toe gekomen, en ik besefte dat ik beetje bij beetje volwassen aan het worden was.

maandag 27 juni 2011

Kleine revolutie, grote revolutie, daar zal weer veel volk naar komen kijken.

Ik zit weer aan mijn pc, dat zoemende vervelende ding dat ik onderhoud alsof het de gans met de gouden eieren is, in mijn kot te schrijven, zoals een ziek konijn dat al veel te lang in hetzelfde hok zit en geconfronteerd met de open deur al niet meer weet dat er ook nog zoiets is als buiten, en dat als het naar buiten zou gaan bij de kloten van de godverdomde god niet zou weten waar het naartoe zou moeten gaan. En buitenkomen, wat is er mij ook aan gelegen? In de stad zijn er alleen maar overal bange kakkerkes, een spoor van stinkende excretie achterlatend, zwelgend in hun eigen zaligmakende walm, groteske wezens die na het moeizaam verwerven van hun posities in de samenleving van de grote mensen, wat meestal neerkomt op wat studeren en dan wat werken, en na het bezwangeren van hun vrouwkes, en na het kopen van hun autootjes en het lenen voor hun huizekens zo verschrikkelijk bang zijn om het weer te verliezen dat ze met hun kop en hun geest dicht en toe lopen en heel hun leven ja knikken en op voetpaden lopen met hun handen in hun zakken sprekend over een schitterende “soirée” hier of die zijn kast van een huis daar, dat toch wel de moeite is maar dat we wel goed moeten weten waar dat geld vandaan komt. Maar wel schreeuwen en tieren in hun habitat, tegen hun vette maatjes, in hun mercedeskes, in de schaduw van hun eigen grootspraak waarvan ze weten dat hij uiteindelijk ook op niets slaat, en maar roepen en tieren om niet te moeten zien dat ze leeg zijn. Een vrouw en een kind en een auto en werk en werk en werk? En doe je dat graag dat werk? En zie je ze graag die vrouw? Het zijn allemaal irrelevante vragen, omdat ze hen zo doodsbenauwd maken. En ik ben ook benauwd, ik kan soms niet slapen van de schrik en ik zit te bleiten in mijn auto als ik hoor dat een meiske van acht jaar door terroristen met haar rugzak is opgeblazen. Dan denk ik, blaas hen godverdomme toch eens op, die dikke bange kakkerkes. Ik zal er ver mee komen, met zulke gedachten.

En er is dan ook nog die andere groep, ietske donkerder van complexie misschien, en met een bijna natuurlijke schaduw over hun bestaan, een altijd maar groeiend leger van mensen die naast de kakkerkes wonen en die niets hebben en dus ook niets te verliezen hebben en die niet eens het kleine licht van in hun ogen worden gegund, omdat het toch allemaal maar marginalen en luiaards en profiteurs zijn, zogezegd. En dan is er een dikzak met puitenogen die de ongelijkheid in de hand werkt omdat hij er zelf beter van wordt, en geen mens die het doorheeft, of iedereen doet alsof het niet waar is, of die er iets over wil zeggen, want het is niet hip meer om aan politiek te doen en de enigen met nog een mening zijn de idioten die beter zouden zwijgen Het is godverdomme allemaal om van te kotsen. En willen ze een revolutie, de veel te velen, die zogenaamde onderbuik van de maatschappij(het zou wel kloppen die metafoor, behalve dat het aan een onderbuik nog warm en gezellig is)? Willen ze dat er iets verandert aan dat oneerlijk systeem dat langs geen kanten klopt? Bah nee, ze willen vlees eten, alle dagen, en met de grootste BMW rijden die er bestaat, een BMW turbo vijfduizend met superspoilers en een ingebouwde kutflipperkast, of iets anders dat een hoop corporate mannen in corporate pakken, of t-shirts of wat ze ook dragen de laatste tijd, hebben bedacht om het maximale bedrag uit de zakken van de arme sukkelaars te kloppen.

En ik zou best ook wel gelukkig kunnen zijn, of wat daarvoor doorgaat, en er gaat geen week voorbij dat mijn moeder mij niet vraagt, jongen waarom hebt gij nu toch geen rechten gestudeerd, ge zou zo ne goeden advocaat geweest zijn, en ik weet dat wel, dat ik dat kon geweest zijn. Maar waarom, waarom zou ik dat willen worden moeder, om dan ook weg te zakken in de betekenisloze onverschillige leegte van hun debiliserende bestaan, waarin ze dan poppen gaan verzamelen, of postzegels of bij een kutkoersclub gaan waar ze dan de dikste fluit van de hele hoop armetierige kakkerkes bij elkaar zijn/hebben/willen worden. Nee, nee, laat mij maar zitten op mijn kamer, als een schildpad die niet beseft dat ze al een uur tegen een glazen wand aan het oplopen is, laat mij maar schrijven, laat mij maar gerust, ik wil geen deel uitmaken van jullie systeem met jullie sociale promotie voor wie het toch niet nodig heeft, met jobsactivatie en aansporingspremies, met aansporingen voor het niets van de kleinburgerlijke hel en activeren tot het hebben van kleine en egocentrische gedachten, met subsidies voor verwende kutkunstenaars die al veel te veel hebben en die ze beter hun geld zouden afpakken en het aan de echte arme sukkelaars geven, om maar één van de vele trieste voorbeelden te geven die er constant door mijn kop flitsen. Laat mij maar zitten, laat mij maar wat schrijven, laat niemand mij maar lezen, of laat iedereen mij lezen, het kan mij niet schelen, als de mensen niet willen veranderen gaan ze niet veranderen, en we hebben wat dat betreft gans de geschiedenis van de mensheid tegen. Tant pis. Too bad. Jammer, jammer.