vrijdag 24 april 2009

HV I

Druppels in de zon
Tuinen van smaragd,
Gekraak van gevels,
De gangen leeg,
De vloer is glad en stil,

Moeder zoogt ons,
met gekloofde tepels.

donderdag 9 april 2009

Rit naar Messier 24.

Vervolg van Wake-up call

Download het hele verhaal als Epub: Hier

Met zijn handen in zijn zakken, en diezelfde handen in die zakken omzwachteld met zware plastic verbanden, wachtte Blaffetuur Argwanend op de Pony-express van half zeven. Het dikke synthetische materiaal van de interstellaire stationsbuis stelde hem gerust.
“Ik ben toch wel tevreden om in de rijkste van alle rijke staten te leven”, dacht hij, “ook al is het er vaak droger dan in de kut van een woestijnwijf in haar menopauze.”

Het stationsgebouw was afgesloten met een driedubbele stalen deur met oog-, vingerafdruk- en silhouetidentificatie. In feite was je leven niet echt veilig na zes uur ’s avonds op de straten van de megametropool Durbuy. Het hordengeweld, de atavistische stammentwisten waaraan de rijke snobs met woedepillen zich na werktijd vergrepen, was de laatste maanden hevig uit de hand gelopen. Er werden bijna geen technologische wapens meer gebruikt tijdens de vele schermutselingen en meelees, alleen nog knotsen, buizen en stenen, en naar verluidt hadden velen ook de drugs die hen in een woedende trance brachten geheel en al uitgebannen. Puur op puur eigen chemische krachten geweld begaan was natuurlijk nog illegaler dan het gesteund door de pillen van de farmaceutische giganten te doen. De allianties waren willekeurig en schenen alleen gesloten te worden om het geweld en de eigen macht te maximaliseren. Er was met andere woorden geen sprake van oprechte allianties die iets met broederlijkheid of vriendschap te maken hadden. De clansleden handelden enkel uit sangui-politiek opportunisme.  De nieuwe Goddelijke Wind, een clan van door klassieke Aziatische oorlogsgeschiedenis geïnspireerde intellectuele snobs was op dat moment het sterkst, maar het viel nooit te voorspellen wie er in deze gewelddadige stadsarena de leiding over zou nemen. De overheid kende alle leiders, maar liet hen begaan, want ze wisten dat de ene hiërarchie al vlug overging in de andere en dat iemand arresteren alleen tot de onmiddellijke eliminatie van de leiderloze groep zou leiden. Voor de eerste keer sinds de Grote Droogte wisten de leiders van de federatie en de stadsbesturen van de Gouden Vier niet wat doen. Repressie zou hier niet werken en gezien de omvang van het fenomeen en de positie van vele clansleden zouden executies een catastrofe voor de economie betekenen. De wijze Ohm en zijn Stroombestuur, het hoogste orgaan van de hele federatie, zaten met de handen in de simulatiealgoritmes van hun virtuele haren.

Er was nog wel meer aan de hand dat niet in orde was in de Megalopool en daarbuiten. Het holonieuws berichtte constant over de rebel Briargh, een zwarte halfgod die zijn fortuin had verworven door de door de overheid gesubsidieerde speculatie op financiële transfers. Hij ageerde vanuit een geheime locatie en predikte een geheimzinnige ideologische leer waarvan de inhoud nooit onthuld werd. Blaffetuur sympathiseerde met Ohm, omdat hij verplicht de empathiemodule aan de basis van zijn schedel diende aan te klikken tijdens het holonieuws.

Blaffetuur wenste innig dat hij meer dan vijf keer gemasturbeerd had voor hij zijn eenmansflat, de enige soort die nog bestond, verliet. Maar de geschiedenis mocht dan niet onwankelbaar vast liggen in het behoorlijk solide krentenbrood van de ruimtetijd en het lag in de technologische mogelijkheden om kleine gebeurtenissen in het verleden aan te passen, het was burgers sowieso maar één keer per week toegestaan om het verleden te manipuleren. Blaffetuur had die maandag zijn krediet al opgebruikt via het auto-bio-netwerk (abn) toen hij zijn geschiedenis vervalste met drie boterhammen met bonenkaas drie uur eerder omdat hij honger had en geen zin had in vertering. Hij was nerveus als gevolg van zijn lange seksuele abstinentie en hij voelde de lust om zichzelf enkele neurotranquillizers, wat pretpillen of zo, toe te dienen mits een tongklik in zijn kaakwand. Maar zijn voorraad was nogal laag dus hij deed het maar niet, want hij wilde helder blijven. Zijn stress vuurde hem aan en hij had een vertrouwen in de obsolete methoden van de natuurlijke pretechnologische mens dat hem zowel bizar als irrationeel toescheen. Maar seksuele spanning was niet het enige dat hem voortstuwende angsten bezorgde.

De waarheid was dat hij de avond na het immateriële telefoontje van de zich ontvoogde Wendy, zijn favoriete hologram, zijn nummer één, al behoorlijk in paniek geslagen was. Het telefoongesprek dat zich ontrolde was simpel, romanesk en ontechnologisch. Wendy vertelde hem, natuurlijk, dat ze van hem hield en dat ze van hem wegging, dat ze haar eigen pad ging volgen, net omdat hun liefde nooit zou slagen, omdat hun relatie, zoals zij die wou, onmogelijk was in dit gestel, in deze wereld, met die toekomst. Hij zei: “Nou, ja.” Daarop had ze de verbinding verbroken. Een noodoproep naar de holo-centrale, drie tranquillizers en twee virtuele masturbaties verder lag hij al in een diepe maar onverzadigende slaap. Hij droomde dat hij een eekhoorn was, hoewel er nergens bomen te bespeuren waren, en hij droomde van de liefde, voor het eerst, alhoewel hij ze niet zo benoemde, en ze ook niet begreep. Hij voelde zich gewoonweg angstig. Hij werd wakker met twee bloedende sneden in de palmen van zijn handen. Zijn lakens en zijn lichaam waren besmeurd met bloed. Hij wist plots zeker dat hij ergens moest zijn. Op een plaats ver van waar hij was. Hij richtte zich op, iemand had een getal op zijn muur geschreven. Het was 1024, in Romeinse cijfers, een m, twee keer x, een v en een streep ervoor. Had hij dat dan gedaan? Had hij dat geschreven?

“Dit moet de heftigste schijt zijn die ik ooit heb meegemaakt.”, zei hij luidop en hij klikte zich een angstremmer in zijn brein.

Toen hij gekalmeerd was, en na de nodige masturbatie, die hij nodig had als een chocolaverslaafde zijn witte crunchybar, een chocoladesnoepje met 98 procent cacao, bitter, niet eens lekker en zeker ongezond. Kortom: overheerlijk.

“1024.”, dacht hij, “Het jaar duizendvierentwintig? Een antieke pixelresolutie? Een ïtiegeheugenformaat in bits. Dat lijkt onwaarschijnlijk.” Hij werd plots geholpen door de sterke intuïtie dat hij diende te vertrekken. “Een plaats? Een coördinaat?” Wat als de M nu eens geen deel van het getal is, fluisterde hij zichzelf in, alsof hij een dwaas inlichtte. M24. Sterrenstelsel M24. Hij wist zeker dat dat het was, de ontcijfering van de randactiviteiten bij zijn nacht in coma, maar hoe kon hij zo zeker zijn van iets waarvoor helemaal geen evidentie was? Hij haalde zijn schouders op.
“Ach ja, jij hebt het natuurlijk zelf geschreven dus natuurlijk weet je het zeker, kutkop.”

Hij boekte een ticket naar de parallelle aarde in sterrennevel M ‘Messier’ 24.
Messier 24 was voor het grootste deel onherbergzaam en werd bijna nooit bezocht, zeker niet door de verwende inwoners van de Groot-westerse federatie op aarde. Er waren vrijwel geen vakantieparadijzen, zoals in de andere nevels van het stelsel steeds wel het geval was. De meeste planeten waren barre onbewoonbare plaatsen en werden zelfs met de meest geavanceerde terraformingtechnieken buiten het bereik van de menselijke agricultuur geacht. De zogenaamde ‘parallelle aarde’ was een relatieve uitzondering op die regel en bereikte extrema in temperatuur die slechts honderd graden van elkaar lagen. Dat was weliswaar een groot verschil maar niet gigantisch als je het met de andere planeten vergeleek. De replica van een Noord-Amerikaanse mijnstad in het verschroeiend hete zuiden van Messier 24 uit de 19e eeuw was er de grootste trekpleister. Het was er een heuse drukte, met zijn 13 bezoekers per vijf jaar.

Ondanks deze kleine geosociale aantrekkingskracht was de aandrang om erheen te gaan te groot om te weerstaan voor Blaffetuur. Hij verklaarde de neiging tot vertrekken door een niet-lokaal krachtveld. In de twintigste eeuw ontdekten wetenschappers al dat sub-microscopische deeltjes elke geografische afstandbarrière konden overwinnen om een invloed op elkaar uit te oefenen, mits ze samen ontstaan waren. De deeltjes namen simultaan dezelfde beslissing, zonder daarbij een boodschap naar elkaar te sturen. Men wist zeker dat de deeltjes niet communiceerden op een gekende manier, want gezien de tijdsspanne en de snelheid van het licht was daar geen tijd voor. Later ontwikkelde men methoden om veel grotere systemen elkaar niet lokaal te laten beïnvloeden. De verklaring voor het mechanisme van die onmiddellijke globale impact van een factor bij een object op een factor bij een ander object was echter nooit gewonnen en bleef een mysterie voor elke onderzoeker, die er dan ook steevast de tanden op kapot beet. Niet-lokale beïnvloeding kon dus geïnduceerd worden, maar men wist niet waarom het gebeurde als men het veroorzaakte. De enige voorafgaande vereiste aan de procedure was dat het systeem dat gesplitst werd ooit één systeem was geweest en eenzelfde origine deelde. Tweelingen bleken de ideale proefpersonen en in de vroege periode van de quantumbiologische experimenten ontstond er daarover de nodige ethische controverse. Wetenschapper werden door het slijk gesleept, beschimpt en voor dr. Mengeles versleten. Eén wetenschapper liet, gegrepen door de arrogantie die de zwaarwichtigheid van onderzoek omringt, zijn eigen twee zoons aan een experiment onderwerpen. Het experiment verliep prima maar de man verloor al vlug zijn verstand en ging in witte gewaden op een berg in Tibet zitten. Ze vonden hem met zijn reet aan zijn stoel gevroren terug, zo dood als lazarus voor Jezus Christus de hartmassage uitvond. Zoals dat gaat verloor men (de media, ook wel de mensen, ook wel de publieke opinie, in die tijd al volledige synoniemen) echter al vlug de interesse en onderzoekers werden met rust gelaten. Gestaag vorderden ze naar het niet-lokaal beïnvloeden van de menselijke geest. De experimenten gingen ver, en de causaliteit werd sterker maar het gezamelijke ontstaan bleef een niet te omzeilen obstakel.

Maar ook al schreef Blaffetuur zijn verlangens stiekem aan niet-lokale krachtvelden toe, dat wilde niet zeggen dat hij het ook geloofde of dat hij zijn gissingen rationeel vond. Hij was geen tweeling met Wendy of ze waren niet op een andere manier samen ontstaan. Meer nog, hij was een mens, een uitspuugsel van de levende natuur, en zij was een hoogst geperfectioneerd programma van de soevereine menselijke geest, ook wel het epifenomeen van de levende natuur. Wendy was maar een programma, niet eens echt in biologische zin, dat ze “verliefd”, wat dat dan ook wilde zeggen, zou worden was absurd. Dat hij verliefd op haar zou zijn was nog absurder.

Het was allemaal erg verwarrend en hij liet de schilden voor zijn oogbollen zakken om in afwachting van het verplaatstuig naar een interessante documentaire te kijken op de Rollende-oogbeweging-projector. Het voordeel van deze vorm van vermaak was dat je je dromen kon sturen zodat je tijdens je slaap de uren nuttig en prettig vulde met documentaire, drama en komedie. Het nadeel was dat je vaak opstond met barstende hoofdpijn. Blaffetuur koos voor een info-pornofilm, een populair genre in zijn tijd, over de opkomst van de door de clitoris gedreven verhaallijn in de kinderliteratuur van de laat 22e eeuw. Hij sloot zijn ogen en dommelde weg met de nieuwe wiegende prikkels.

Hij stapte op en zocht zijn weg in het tuig. De verschillende afdelingen van de sterrenkoets hadden van die leuke plaatjes om makkelijker je weg te vinden, pictogrammen zoals je in archaïsche systemen ook had. Hij ging zitten in coupé 5A-Y567IK, ook wel de coupé met het prentje van Alpha Centauri. Er zat maar één persoon, en Blaffetuur ging rechtover hem zitten, zij het ietwat diagonaal met zijn gezicht naar het raam, waarachter al een oneindige hoeveelheid aan grijze materie vlakbij de koets voorbijzoefde, als een monotone stoet 2dimensionele betonwanden. Het deed Blaffetuur denken aan de inrichting van zijn appartement. Hij moest ondanks zichzelf en zijn zenuwachtige staat glimlachen, trots als hij was om de ongekende gezelligheid van zijn woonst.

 Het uitzicht ging echter vervelen en hij overwoog of hij even zou masturberen. Eventueel kon hij aan de andere man vragen om hem te vervoegen in een of andere erotische module van één of ander holoprogramma. Vanuit zijn ooghoeken bekeek hij de man. Hij droeg een standaard synthetische plastic broek en een dik synthetisch t-shirt met lange mouwen en wanten van polyethyleen, aan zijn voeten had hij geen schoenen, aangezien hij gemodificeerde prothesen had met grijpklauwen. De klauwen deden vermoeden dat hij een klimmer was, een stevig sporter, maar zijn lichaamsbouw verried niets van die aard. Het was natuurlijk onmogelijk om op basis van uiterlijke biologische kenmerken te bepalen hoe oud hij was, want alle uiterlijke kenmerken van veroudering behoorden tot een ver verleden. Te beoordelen aan de vele anorganische prothesen en hulpstukken was hij een al wat oudere man, iets over middelbare leeftijd, zo rond de 160 zonnewendejaren. Daarmee was hij een stuk ouder dan Blaffetuur, die maar 47 jaren oud was.

Terwijl hij deze bemerkingen maakte en geheel en al als het ware aan een schelpvormig madeleinekoekje overgeleverd zijn eigen gedachten hun gang liet gaan kreeg hij een oproep op zijn communicatie-interface. Tot zijn verbazing belde de man rechtover hem nu naar hem. Zou hij soms zijn gedachten gelezen hebben? Dat was niet onmogelijk maar erg onwaarschijnlijk: de technologie was iets te illegaal om zomaar in het openbaar in een koets te gebruiken. Hij klikte de telefoon aan met zijn tong en stelde de modus af op ‘smalltalk’, wat inhield dat er maar keuze was tussen het overbrengen van enkele verschillende boodschappen met een triviaal karakter. Zinnen als ‘mooi weer vandaag hé’ en ‘reist u ver?’. Blaffetuur hoopte hierdoor duidelijk te maken dat hij niet erg veel prijs stelde op een gesprek. De man hield zich echter niet aan de protocolregels, boog op één of andere manier de beperkingen om en sprak hem aan met zijn voornaam. Blaffetuur reageerde heftig, aangevuurd door zijn zich in een staat van neuralgie bevindende perifeer zenuwstelsel, met andere woorden door zijn hoofdpijn. 

“Als u illegale programma’s gebruikt om mijn naam te weten dan zou ik willen dat u daarmee kapt.”
De man lachte luidop, een uiterst eigenaardige reactie in deze situatie, vond Blaffetuur.
Hij sloot de verbinding af, hij had geen behoefte aan de eigenaardige spelletjes van een excentriekeling. De man zocht meteen terug contact en Blaffetuur maakte een fysiek gebaar waarmee hij aanduidde dat hij geen verbinding zou maken.

“Die vervelende vent weet van geen ophouden”, dacht Blaffetuur toen het duidelijk werd dat de vervelende vent van geen ophouden wist en hij maakte contact om hem eens goed zijn vet te geven. De man wist hem te sussen met één enkele zin. Hij sprak met een vette stem alsof hij metalen stembanden had die ingesmeerd waren met olie, wat bij nader inzien waarschijnlijk ook het geval was.

“Wendy stuurt me.”

Lees verder: Moderne Luddieten.

zondag 29 maart 2009

BB anno 2009

“Waar het onweer me greep en er op het rimpelloze geluk van de lange blauwe zee een wellust van kolkend water verscheen, daar zou ik heen willen gaan, om er nu toch te vergaan, deze keer ongehinderd door krachten, grootheden als mijn jeugd en de onwil om te geloven dat het niet dieper gaat.”
Hij liep de treeplank van het schip op en keek nog eenmaal ferm over zijn schouder, de mensen op de kade hielden halt. Hij maakte de trossen aan loefzijde los, haalde de plank op, lichtte het anker en ging trots en waarachtig op de boeg staan. Hij trotseerde de watermassa voor het nog steeds onbeweeglijke schip, stond oog in oog met de blauwe massa. Rechts van hem was de middagvoorstelling al voor eeuwen aan de gang. Hij brult voor zich uit, het slijm druipt van zijn baard over de kanten revers van zijn jas, het spuug gaat langs zijn fluwelen karmijnen broek en spat druppelvormig op zijn hoge lederen botten met zilveren gespen. Hij heeft geen papegaai op zijn schouder. Hij kreeg het beest nooit tam, immers.
“Lang lang geleden, toen mijn Leroinoire nog leefde, schreef ik een manifest uit liefde voor haar lichaam en zinnen, ontwierp ik papyrus en grammatica voor haar ogen en oren. Vandaag staar ik over de baren want haar lichaam is welhaast uit de wereld verdwenen, dus wat heb ik nog op land te aanschouwen, en vlug, vlugger dan de weerhaast, verdwijnt het ook uit mijn gedachten. Hoe alles neergesmeten wordt, elke gedachte die langzaam onder haar eigen onwelriekende asem verdwijnt en weer verschijnt! Mijn voeten bewegen nu sneller dan het kloppen van mijn hart, maar ook dat is een vergelijking die zichzelf zal nivelleren.”
Het schip neemt geen wind. Het vindt zijn vaart niet. Het is een schuit die geen schip is, het zal nooit dobberen, het is een simulacrum. De passanten verzamelen in steeds grotere drommen rond de plaats waar de voor zich uit prevelende zeeman, de polystyrene piraat die hun kinderen kan vermaken, uitgedost op het polyvinylchloride dek van het schip staat. Het is een schouwspel geworden, een ding van awe, marvel en ook spot. Hierbeneden, aan de boardwalk of attractions zijn de vaders oppermachtig, omdat zij hun luizige kinderen creëerden en de moeders bezochten. Nog één of twee rollercoasters, wat gele saus en vlees, een maal om hen te bezweren, een ritueel om haar dan in berkenfineer weer te nemen. Hard en onverbiddelijk, zoals katten op de ruwe tegels schijten.
“Er staat geen maat op mijn verdriet en mateloosheid vormt, zoals wij maritieme positivisten wel weten, een sluitend wetenschappelijk verantwoorde uitdoofreden. De scha van nu nog voort te leven, laf als een bevend riet omdat ik me vastklamp aan mijn bestaan, zou te groot zijn. Het zijn crash test dummies met hoofden als pompoenen die glimlachend hun tegenspoed steeds opnieuw beleven.”
De boeg is vijftien meter boven de begane grond en hij stort met zijn hoofd eerst naar beneden. Zijn kaak raakt al na een seconde de groezelige betonnen parterre. Zijn voet suist tegen het voorhoofd van een peuter, die prompt een knalgele proppenschieter laat vallen en in huilen uitbarst. Zijn nek (van de kitscherige zeeman, niet van de peuter) breekt en zijn wervels barsten. De vloer krijgt een nieuw motief, er is geen vuiltje aan de lucht, het plafon blijft ontzettend hoog, de hemel stort niet in. Ergens gilt er een vrouw en ook vloeken er mannen, in de verte streeft men al naar gerechtigheid, maar dat kan hem al niet meer verdommen.

donderdag 26 maart 2009

Nieuwe campagne-affiche van de Filosofische Vredesbond



We hebben ons voor de affiche laten leiden door de gedachten van 'de gewone man', omdat we in het verleden weleens klachten over elitarisme aangesmeerd kregen. Hopelijk is de campagne alweer een succes, voor een veiligere, vrijere wereld!

zaterdag 21 maart 2009

Voor Tippi (en alle oude meisjes)

Als de zon eindelijk haar gezicht aan de horizon laat zien dan zegt ze niet “Fuck me cause I’m a star” maar wacht ze geduldig de haar toebedeelde uren af alvorens kalmpjes, bescheiden en zonder ophef weer naar de onderkant van deze platte schijf te verdwijnen. Ik durf te wedden dat je in veel opzichten zoals de zon bent Tippi, je verwacht niets van en voor de geschenken waarvan wij genieten maar je gaat op het eind steeds bescheiden en trippelend naar je kamer terug, geen vragen worden door je gesteld. Je draagt vilten pantoffels over je fluwelen voeten en je knielt voor machten die je nederig maken. Je bent in geen enkel opzicht een rebel. Je bent niet eens vrijgevochten en op intellectueel gebied stel je geen zier voor (je weet niet wie Plotinus is en je leest de astrologierubriek met net iets te veel aandacht, je denkt dat honden je kunnen begrijpen). Ik zou je erg graag gezoend hebben, maar ik vrees dat je niet van me zou moeten weten hebben mocht ik zulks ver voor mijn geboorte ook werkelijk geprobeerd hebben. Nu ben je al oud, al erg oud.

Ach Tippi, de mensheid stelt geen zier voor. We stinken gezamenlijk als een ademend en stappend beest uit onze orgelachtige muilputten. We zijn altijd maar bezig met allerlei dingen maar kunnen meestal niet vertellen waarom en wat en hoe die dingen zijn en alles blijft altijd superflu. De kern blijft voor ons verborgen en wanneer we eens iets zinnigs zeggen is het per ongeluk. Ik ben niet veel beter, Tippi, ik haat mezelf en ik wil sterven. Maar dat gaat niet zo eenvoudig en ik vrees dat ik er niet voor geschikt ben, voor dat sterven.

Wat moet je doen als je niet kan leven en niet dood kan gaan? Dan moet je in de ijle storm met gebukt hoofd toch maar door, omdat de inertie heerst en tegen beter weten in, hier en daar de hagelbrokken het hoofd biedend en de ergste kou en pijn negerend. Daar is niets heroïsch aan, dat is vreselijk zielig nu ik er eens over nadenk.

Jij bent dan toch anders, zoals jij in een kleine ruimte met een paar camera’s en wat tekst een betekenis kan creëren, die misschien niet algemeen of zelfs langdurig geldig is maar die voor tenminste 90 minuten toch wel wat troostgevend is. Je werk, de pellicule waarop je staat en al die handelingen die je begaat werken bij jou en de kijkers uiteraard enkel bij gratie van het escapisme, maar ik zie niet in wat het leven meer is dan aan de dood ontsnappen.

Er zijn, als ik het zo even op mijn vingers tel, minstens vijf mensen die me liever dood dan levend willen zien, een handvol. Je denkt wellicht “wat een vreselijke lui”, want je vindt me nu al erg geschikt en brutaal eerlijk en ook wat sympathiek, maar schort je oordeel nog even op Tippi, want ik heb die lui vreselijke dingen aangedaan. Ik heb hen vooral belogen. Mensen vinden dat niet kunnen, ik weet ook niet goed waarom, ik begrijp er geen sikkepit van. Ik ben een pathologische leugenaar. Dat is erg als je dat erg vindt en minder als je het zelf doet maar wat maakt een leugen uit met het oog op de ene permanente waarheid dat het (dierlijke) bestaan een belachelijk fletse soep van emoties en geweld is? Ik zie niet in wat het leven meer is dan liegen over wat je doet tot de waarheid je achternakomt en je neersabelt met de fysica als theoretische stut in zijn achterzog. Om die reden kan ik je wel zeggen: Tippi, als je me zou zoenen zou ik je nooit verraden. Als je me zou houden zou ik van je houden en ook in de dood zou ik stil en aandachtig bij je blijven. Laat me je boezem kussen en ik zal je niet voor takkenwijf verslijten en je haren niet aan de mussen voeren. Ik zal geen wormen over je rug laten schuiven (hoewel het onvermijdelijk is dat ze erin zullen kruipen). Laat me over je kaken strelen, en ook nog over andere delen als het kan, mag en lekker is, en ik zal nooit met mijn Waterman-pen naar je gooien. Tot zover de theorie. Je zou me maar wat ongemakkelijk maken, als je hier zou zijn, en ik jou ook, het is zoals het is in het echt en daar kan schrijven natuurlijk niets aan verhelpen, maar het is nog altijd beter dan niets. Nu ja, misschien niet beter, het is gewoon meer.

Beste, nee liefste, Tippi, laten we al die theorie toch maar huldigen en de praktijk zich in haar banale nat laten gaarkoken, want het is nog niet te laat. Neem nu het vliegtuig naar Zaventem, Brussels airport, dat is in België, huur een taxi en rijd naar Gent. Duw op mijn deurbel en zeg, “Ik ben speciaal voor je uit de states gekomen en je hebt niet eens een pak aangetrokken.” Glimlach. Ik zal verbaasd kijken, zij het voor maar heel even. Ook al ben je al 79 nu, je rimpels hinderen niet en als het echt aan je vreet zal ik een foto van vroeger over je gezicht plakken. We zullen even praten en dan vrijen. Ik zal niet naar je verouderde, bijna antieke, lichaam kijken, ik zal je haren alleen op de juiste plekken achten, ik zal je knoken niet bevoelen en ik zal je niet ongewild wakker maken. Misschien zal je na onze activiteiten alles staken, maar dat heb je niet in de hand, vermoed ik. We zullen ons gelukje kennen en dan zal het afgelopen zijn. Kortstondigheid is het meest tragische dat geluk kan overkomen. Maar, zoals een schrijver ooit zei, zo gaan die dingen.

Alle liefs en voor altijd de jouwe.
F.

zaterdag 14 maart 2009

Zelfhatende lofzang in het Westerse alfabet

Spruce, je bent een reus, soms agressief en gemeen, speels en springerig, maar ook lief en teder als het kan en met een schofhoogte van nog geen meter en hoe je ook zal proberen om meer te worden, je zal altijd mijn crèmekleurige labrador blijven. Dat is triest voor je, want ik zie wel in je ogen dat je meer wil, maar voor mij is het best en het kan me eerlijk gezegd aan mijn reet roesten wanneer je droevig bent.
Je tristesse zie ik als een teken van onmacht, een onmachtige reactie op een vijandige wereld.
Toen ik 24 was besloot ik dat het wel welletjes was geweest, al dat zweten en handenwringelen, dat hakkelen en kakelen en dat zomaar doodongelukkig zijn in een ruimte vol met lelijke mensen die mooier werden doordat ze spraken. Ik kocht je als ersatz voor sociaal contact en dat werkte prima voor me. Het werkte uitstekend zelfs, tot ik Myriam ontmoette, natuurlijk. Maar Myriam ging weer weg, meer woorden hoeven we daaraan niet vuil te maken. Ze heeft me niet slecht behandeld, misschien zelfs goed, maar haar afwezigheid kleurt mijn herinnering iet of wat. Ik geloof dat je wat op haar gesteld was, je likte veelal aan haar tenen. Nou, ik ook jongen. Ik ook. Wat een tenen.
Elke twee dagen loop ik met je naar de slager en koop ik een hele kippenlever voor je. Ik snijd de lever in twee stukken, snoei de vieze stukken eraf en dompel de lapjes in kokend water. Door de hoge temperatuur van het water verandert de structuur van de miniscule eiwitten die in het vlees zitten en vindt er een vermalsing plaats. De kleur wordt ook anders. Jij begrijpt daar allemaal niets van, maar je laat het je wel smaken. Je aanvaardt de uitkomsten van mijn operaties zonder twijfelen en zonder spijt, je stelt jezelf geen vragen. Misschien is het ook zo als je de liefde vindt, Spruce, misschien is dat wel hetzelfde. Het overkomt je, je gaat er volledig in mee en het is maar als je een amoureuze indigestie hebt dat je je vragen gaat stellen.
In een beperkt aantal tekens en zonder morren ga ik nu tot de kern van de zaak komen. Onze woorden zijn bijna oneindig maar ondanks de ontzettend hoge recombinantie-mogelijkheden van letter toch beperkt, en de meeste ervan worden gebruikt om te zeggen dat we die of gene al dan niet graag hebben.
Nu Spruce, laat ik dan ook maar tot clichés vervallen, ik houd meer van je dan van mezelf. Ik heb gezworen om voor je te zorgen tot je na tien, elf of dertien jaar het loodje legt. Ik hoop dat je een lang en gelukkig leven zal hebben, want ik weet dat ik zolang nog nobel en rechtvaardig zal zijn. Maar daarna heb ik geen verplichtingen meer in dit bestaan en het zou goed zijn mocht het nadien uitdoven zonder te knallen, stoppen zonder tegen te sputteren.
Laat ik mijn beleg van deze toetsen staken, het is een mooie dag en ik denk dat we nog een vijf tot acht jaar wandelen hebben voor het stopt.

zaterdag 7 maart 2009

Patricia de Martelaere, wanneer de kunst stopt.

In 'Een verlangen naar ontroostbaarheid' schreef Patricia De Martelaere de volgende zin: "Om van het leven een kunst te maken zou men het dan ook, logisch gezien, vanuit een einde moeten kunnen concipiëren." Dat was volgens De Martelaere echter een naïeve onmogelijkheid, want ook al is de vreugde na het beëindigen van een roman "ijdel en kortstondig" ze is nog altijd groter dan wat er overblijft "na het beëindigen van het bestaan".

Toen ik, zo om en rond mijn 18e levensjaar, als wannabe-filosoof op de universiteit van Gent aankwam geloofde ik op een intense wijze in de waarde van levensbeëindiging als esthetisch statement. Mijn persoonlijke levensvisie liep samen met die van de vrouwenverslindende macho Ernest Hemmingway. Ik zag mezelf, hoewel ik niets schreef van waarde en meestal alleen dronken kreten produceerde, als een adept en regelrecht volgeling van dit creatieve en visionaire genie. Ik hield van die norse bruuske Amerikaanse man, in zijn late jaren gegrepen door de waanzin van zijn eigen getormenteerde ego, en zag het recht om van het eigen leven een kunstwerk te maken als één van de meest fundamentele grondwaarden van mijn esthetische wereldbeeld.

Via de colleges van professor paul Gimeno kwam ik al vlug in contact met de filosofische geschriften van Patricia de Martelaere en haar essay 'Naar een esthetica van de zelfmoord' Hierin beweert zij dat schrijven weliswaar een erbarmelijk ersatz is voor het meemaken van de eigen begrafenis, maar dat het toch een valabele optie is, omdat het ons aan andere mogelijkheden ontbreekt. Ik las het essay, slikte even en was woedend. Ik schreef een incoherent maar vlammend essay over de onmogelijkheid van geluk, de alomtegenwoordig van het egoïsme in de kunst en wenselijkheid, ja zelfs de ethische obligatie om dat te overstijgen. De uitingen van de Martelaere schenen me van een intolereerbaar egoïsme: je schrijft immers niet voor jezelf, maar voor de eeuwigheid.

Ik legde mijn essay voor aan Paul Gimeno. Hij ging op de meeste punten akkoord met me en scheen geen problemen te hebben met mijn door emotionaliteit veroorzaakte incoherentie. Ik voelde me begrepen. Jochei. Hij was overigens ook de enige professor aan de Ugent met wie ik tijdens mijn studie ooit zo'n moment van wederzijds begrip had. Paul Gimeno is die zomer door zijn eigen toedoen geveld, of om het voluit en zonder verbloemingen maar te zeggen, hij pleegde zelfmoord. Zijn dood greep me enorm aan. Weg was voor me alle hoop om nog begrepen te worden, of zo leek het, een intense tristesse nam de overhand in mijn filosofische taken en essays van de jaren die kwamen. Ik had graag nog wat met hem gepraat.

Zeven jaar later sterft Patricia de Martelaere en ook de kans om met haar te praten gaat voor altijd verloren. Na alle filosofische ophef die mijn lijf beroerde en met een hobbelig parcours en de dubbelzinnige resultaten ervan achter me, na een promotor die me bijna geen promotie opleverde en na een thesis vol poëzie en denkfouten, herlees ik haar essay over zelfmoord en lijkt het me allemaal niet zo vreselijk meer, wat ze daar beweert. De mens die in zijn bestaan volhardt doet nu eenmaal water bij de wijn, en het is de waanzin van de jeugd om te denken dat het anders kan. Voluit leven wordt dan beschouwd als beredeneerd gericht blijven op sterven. Zichzelf tot een afgerond geheel maken, zo nodig om te spreken over een kunstwerk, is gefocust blijven op één doel, obsessief als een maniak of een neuroot. Dat is uiteraard niet leefbaar.

Misschien is het goed om jezelf af en toe als een kunstwerk te beschouwen, te leven alsof je morgen voltooid moet sterven en je voor de rest maar wat bezig te houden.
Wanneer de kunst dan stopt en je voor de grote Jan Hoet daarboven staat, want tot je grote verrassing is er toch een leven na het leven, kan je wijzen op die perioden waarin je je tijd niet zozeer verspilde. En als er niets is, wel dan is er ook niets om je zorgen over te maken.

Rust wel, iedereen.