dinsdag 22 december 2009

Sinopisme (2)

Vandaag het tweede deel van de, voorlopig, 18-delige reeks over Diogenes. Het volgende deel verschijnt op dinsdag 29 december

Toen ik geboren werd waren er in totaal drie mensen aanwezig in de slaapkamer van mijn ouders. Die mensen waren, in volgorde van belangrijkheid: de moeder, de vader en de heilige wetenschap. De dokter, die als instrument zijn macht deed gelden, had lange ijzeren klauwen die in de moeder verdwenen. Ze schreeuwde en haar vliezen spleten. Ik stuiterde, geleid door een bruinrode vloed, de vloer op. Het was een koude gladde plek waar ik de eerste winter van mijn tevredenheid beleefde. Het licht sneed als een zwaard door mijn rimpelige voorhoofd en trof er niets van enige waarde aan. Ik vroeg me af wie het nodig vond om me zo te storen, zwemmend in mijn gelukzalige zak, als een goudvis met slechts vage toekomstplannen. De vader leek het niet te kunnen schelen, want hij keek de hele tijd de andere kant uit. Ik vroeg me af of de andere aanwezigen ook uit mijn moeder waren gesprongen en ik dacht, “die vrouw heeft vast heel veel geleden.”

Mijn vader was een bankier. Hij had de forse statuur van een man van grote zaken, die zich in strakke pakken hulde. Hij had borstelige wenkbrauwen die als kronen op zijn strenge gezicht stonden. Zijn kaaklijn was een geometrische curve die scherp afstak tegen de fractale aard van de organische natuur en hij voelde zich dan ook het beste thuis in de stad, hoewel hij ook daar altijd een wat vreemd element bleef. Hij sprak niet veel, maar wanneer hij iets zei was het luid, klaar en duidelijk uitgesproken. De meeste van zijn werknemers waren bang voor hem, maar dat is niet zo vreemd, aangezien de meeste mensen angsthazen zijn. Desondanks gaf hij nooit een echte reden om hem te vrezen. Hij sloeg niet, sprak geen openlijke waardeoordelen uit en werd nooit kwaad. Zijn gezicht leek wel een masker uit een tragedie van Aeschylos. Hij was één van die mannen die van nature, zonder er moeite voor te doen, vrees en respect inboezemen. Je hebt zo van die heren.
Hij was, wat de kleuter Diogenes betreft, de belichaming van een metafysische angst, van een vrees groter dan de naakte fenomenen kunnen rechtvaardigen.

Hij was natuurlijk een oneindig groot fenomeen en tevens de enige man die ik ooit als mijn meerdere heb beschouwd. Hij boog zich voorover om in mijn wangen te knijpen, met vingers dik als worsten. Zijn ogen waren als enge meren in een wolkenloze nacht.

Ik heb mijn vader maar één keer emotie zien tonen, en die erg unieke gebeurtenis duurde hooguit enkele seconden. Hij was meer berekenend dan de meeste computers dat zijn. Hij had charisma, zo zei men, maar ik betwijfel dat. Je zou denken dat een man met charisma wel meer bereikt zou hebben dan mijn vader. Hij was een kleine zelfstandige, klein maar volhardend, met een handelszaak die door haar taaiheid uitblonk. Hij was dus succesvol in de wereld, maar hij was geen leider. Thuis was hij een loser, een ondergeschikte in een altijd aan zijn greep ontsnappend domein. Hij was hulpeloos, daar, als een man van vlas.

Mijn moeder was heel anders. Ze was een beetje klein, enorm corpulent en lachte altijd. Wanneer de zon scheen bakte ze een taart. Als het slecht weer was bakte ze een cake. “Want dat is winterser”, zoals ze zelf beweerde. Ze was lief en emotioneel intelligent en het lijkt wel of ik de helft of meer van mijn kleutertijd op haar schoot doorbracht. Haar natuurlijke disposities leken tegenovergesteld aan de ijzige norsheid van mijn strenge zakelijke vader, ze was van nature warm, spontaan en de hartelijkheid zelf.

Ze hield niet van zigeuners, maar dat kon je haar niet verwijten, want niemand in Sinope hield van zigeuners. Ze kregen vaak het zwaar verdachte etiket van ‘artiesten’ opgespeld, als grootst mogelijke verhoning van de burgerij.

Mijn vader en moeder verwijlden als tegenpolen in de kleine ruimte van ons huis. Ze stuiterden, als echte elektrische ladingen, alle kanten uit. Het was niet dat ze vochten met elkaar, maar ik denk niet dat ik ze ooit rechtstreeks tegen elkaar heb zien spreken. Ze waren gewoonweg heel verschillende mensen, die zichzelf van elkaar wegkatapulteerden zonder dat bewust te willen. Toch denk ik dat ze een goed huwelijk hadden, en dat ze misschien zelfs gelukkig waren. Maar dat weet ik niet zeker, want geluk kan zonder pottenkijkers, en ze beleefden de liefde die ze hadden binnen de muren van hun eigen gedachten.

Op de feestdag van mijn zesde jaar kreeg mijn moeder plots hoge koorts.

dinsdag 15 december 2009

Sinopisme (1)

Vandaag het eerste deel van de ,voorlopig, 18-delige reeks over Diogenes. Het volgende deel verschijnt op dinsdag 22 december.

Niet ver van me hangt er een dode imker in de bomen. De bijen zijn aan hun lot overgelaten. De nacht is blauw en geurt naar vuur. Oorlog verscheurt de wereld en ik kan niet meer in de goedheid van mezelf of van anderen geloven. Mijn organisme, een vervelende darmendoolhof onder leiding van een dictatoriale bloemkool, vindt honger blijkbaar belangrijker dan die factoren aan mijn lichaamsrand. Mijn maag knort.

In het begin was er niets. Tien milliseconden later was er wel iets. Het probleem was dat het niet zo veel voorstelde. Waar de leegte verdwijnt komt de redundantie om de hoek piepen. De constructie begon toen het systeem zichzelf tijdens de daaropvolgende minuten tot schepper promoveerde. Het geheel bruiste van de energie en de lege futiele dagen van het begin werden al snel volle futiele dagen. Ergens niet ver van het einde kwam ik even in het spel. Op het einde zal het verslindende vuur mijn geringe belang en al wat verder ook was tot niets reduceren.

Ik heb geprobeerd om een sluitende fictie voor de wereld te bedenken. Ik heb geprobeerd om mijn eigen narratieve systeem op te bouwen. Voor elke wortel zag ik ‘de Wortel volgens Diogenes, dramatisch personage’. Als ik over een misdaad las of hoorde, haar beging of ervoor wou vluchten probeerde ik om niet aan anderen te denken. Ik negeerde hun smekende gelaten of dreigende blikken en kaderde alles in mijn eigen mogelijkheden en psychofysieke verboden. Mijn wereldbeeld was mijn private sleutelroman. Mijn project betekende het failliet van een collectieve onderneming, een vlucht van het monster met de 12 miljard armen. Er ontstond een singuliere waarheid, een preek, een biecht, een vlucht misschien.

Dat alles betekent dat ik ongegeneerd in een volle lift op de vloer kon schijten, in een ton kon wonen en mezelf en plein public op de markt kon bevredigen. Wat ik deed was waar, binnen de prozaïsche waarheid die ik aan mezelf doorvertelde. Saaiheid is het enige gevaar dat een verhaal echt kan bedreigen.

Mensen willen geen menselijkheid zien, ze willen door de profeet aan te raken perfectie op hun vingers proeven. Een mindere smaak willen ze niet bewonderen. Ik werd bewonderd omdat ik het gepeupel niet als mensen beschouwde. Als het bestaan een roman is dan zijn alle mensen personages, en worden ze irrelevant voor zover ze niet in het verhaal passen. Ze hebben mij daardoor ten onrechte als een hoger wezen bestempeld. Ze hebben me ook beschimpt.

Maar dat is uiteindelijk allemaal onzin, ik ben niet superieur of inferieur, ik ben een filosoof, geen wijze. Een filosoof is niet hoog of laag. Hij schrijft.

Vandaag lijkt alles in brand te staan. Athene, de villa van mijn oude meester, het huis van mijn vader, talloze gebouwen uit ver en vluchtig vervlogen jaren. Ze hebben mijn jeugd met benzeen besprenkeld en er dan lucifers op geworpen. De huizen van honderdduizenden roetzwarte anonieme gezichten werden met brandend fosfor bespuwd. Het verhaal begint af te brokkelen. Ik weet niet meer in welke genre ik het zou moeten onderbrengen. Het ontsnapt aan mijn drang tot classificeren.

De taal en de verhalen stoppen waar de uiteengereten lijken beginnen. Geweld begint waar woorden eindigen. De aanschouwing van gruwel is de grens van mijn taal en het begin van het universele.

De minst universele gebeurtenis van mijn leven was mijn geboorte, aangezien er maar twee personen direct bij betrokken waren en één ervan niet eens geboren werd. Laten we daar dan ook maar beginnen.

zondag 25 oktober 2009

Geen last meer van netelroos dankzij eenvoudige natuurlijke methode.



Wij van De Laatste Cynicus BVBA (Bedrijvigheid voor Behoeftige Armen) geven om onze lezers. Daarom, en enkel daarom, stellen wij een paar van de meest frequente problemen van bloggers wereldwijd aan de kaak en suggereren er eenvoudige natuurlijke oplossingen voor. Vandaag: netelroos.

Heeft u wel eens last van dof, saai en ronduit weerbarstig haar? Zit u samen met uw haardos soms urenlang in rokerige conferentiezalen en/of onverlichte kamers? Bent u niet blank en trekt uw haar sowieso op geen kloten? Ondervindt u hier de kwalijke gevolgen van? Misschien is de gepatenteerde Unchihoed (zie bovenstaand fotografon) van De Laatste Cynicus BVBA dan wel iets voor u!

De Unchihoed komt rechtstreeks uit Japan overgewaaid (niet letterlijk, vervoer gaat per vliegtuig) en maakt hier heel wat furo! Re! Door de Unchihoed enkele uren per dag te dragen kunt u al uw haarproblemen (behalve kaalheid, broze haarwortels, verkleuringen en vettigheid) in één klap aanpakken. Weg met al die dure conditioners en supplementen! Weg met uren in de file staan omdat u een vervelende maar goedbetaalde job in de hoofdstad hebt (heeft natuurlijk niets met de Unchihoed te maken, maar weg ermee)!

De unchihoed is niet goedkoop! Koop hem nu voor geen korting! Steek uw buren de ogen uit!

Unchi. We're not shitting you.

De Laatste Cynicus is niet verantwoordelijk voor gebeurlijke ongevallen, stront in de ogen, stank en sociaal isolement.

dinsdag 20 oktober 2009

LVDA, miskend genie, spreekt.

Verschraling. Dat is alles wat ik zie, voel en ruik in de huidige literaire wereld. Overal waar je kijkt dezelfde tweeledige eenzijdigheid: het breekt mijn schrijvershart.
LVDA op cuttingedge.be

Ik las deze en vorige week op cuttingedge.be de columns van een zekere Ludo Vandenabeele. Ludo wie?

Ludo is naar eigen zeggen 'de grootste ongepubliceerde geest van zijn tijd' en dat merk je. De man schrijft met een zeer hautaine pen en spint per zin een vijftal neologismen uit zijn schrijfwiel. Om over zijn inktmatrak nog maar te zwijgen!

Zijn eerste column ("het Kyoto-protocol") was een even arrogante als lucide analyse over wat er mis is met de literatuur en, vooral, waarom hij, LVDA, het beter kan. Hij ziet in de hedendaagse schrijverij een tweedeling tussen 'Actua', godin van alle romans die zich op een actueel thema baseren (bweirk), en 'Conspiratius', de aartsvader van alle historische faction-crap, waaraan wij eerlijk gezegd ook een bloedhekel hebben. De columnist zoekt en vindt een uitweg uit de impasse die hij overazl ziet en die hem pijnigt. LVDA gaat niet voor de gulden middenweg maar voor de synthese. Als kind van de babyboomers doet hij dit wellicht in de beeldenstormende traditie van de oude neo-marxisten, en dat vinden wij prima, zolang zijn schrijfstijl maar wat vlotter is dan pakweg een Althusser of een Marcuse. Naar de majestueuze zinnen van "het Kyoto-protocol" te oordelen hebben we echter niet veel te vrezen.

Het project van LVDA is postmodern zoals de postmoderniteit eerst bedoeld was. Hij neemt een toevlucht tot de polyseminatie, tot de vermenging van de hoge en de lage genres en bereikt het ahistorische door het historische tot op zijn kantelpunt te drijven. Zou nemen en zou bereiken moeten we zeggen, want een leesklare roman blijft voorlopig uit.

Hopelijk schrijft hij ook effectief een gepubliceerd boek, ooit. Tot hier een lofzang, want er breken gitzwarte paragrafen aan.

Lijdt LVDA aan een onevenwichtige geest, zoals vele grote genieën voor hem(Donovan bijvoorbeeld)? Neemt de man medicijnen, of drinkt hij te veel? Lijdt hij aan verlammende depressies en angstpsychosen. Waar zijn eerste column een stilistische en lucide parel was, is zijn tweede ("Xenos en Etnos, oude vrienden, dikke bullshit") een orakelstuk van het groteske, een lofzang op de waanzin en een epifenomeen van een tot op het bot gefrustreerde ziel. Een pseudomessianistisch gekanker uit de onderbuik van Cerberus. In de tweede column maakt LVDA een al te overduidelijke en op sommige punten onhoudbaar wankele analogie van twee sterren in een ver sterrenstelsel met Vlaanderen en Nederland. Waar het eeuwige hem greep in "het Kyoto-protocol", zo smijt hij zijn intellectuele gewicht in dit schrijven op het vergankelijke, op het banale des mensen en zelfs op het politieke, oh infame.

We kregen de onuitwisbare indruk van een zielig tierend mannetje, een semantische vetzak die onder zijn eigen woorden onderuit gaat, op ons netvlies gebrand. LVDA kast en kraakt van het symbolische speeksel en glorificeert zichzelf door iedereen aan zichzelf onder te schikken, niet beter dan een ordinaire pamfletschrijver. Hij knalt de intellectuele beaumonde daarbij met een moker frontaal tegen het voorhoofd. De onschuldige burgers moeten eraan geloven, maar de psychopaat, Ludo, kijkt niet om. Hij vertrapt.

Ook Tom Lanoye wordt de kop van jut in "Xenos en Etnos, oude vrienden, dikke bullshit". Waarom? Dat weet niemand, behalve LVDA zelf, er lijkt niet meteen een rationele verklaring te zijn. Is hij een homohater? Een Antwerpenhater? Heeft hij het niet voor slagerszonen met een brilletje? Of houdt hij gewoon niet van mensen? In een combinatie van de antwoorden ligt het antwoord op het waarom van zijn plotse bloeddorstigheden verscholen.

Toch kijken wij uit naar de toekomstige columns van LVDA, niet om wat hij is of om wat hij denkt maar omdat er verlichting en troost in zijn woorden schuilt. Hij is een westerse profeet in een tijd van politici. Hij legt bloot, op verschillende wijzen en met variabele resultaten, zoals dat bij profeten gaat. Eerst ziet men door het literaire strelen de toekomstige grote literatuur van de mens maar even later is niets behalve het columnistische equivalent van een anale verkrachting met een stanleymes. Beide ervaringen kan je maar moeilijk vergeten.


Klik even door en overtuig uzelf van de, soms kwaadaardige, genialiteit van LVDA.


Column 1

Column 2

dinsdag 8 september 2009

Voorstel tot levensbeëindiging voor terminaal werklozen en zwaarlijvige luieriken

Mes amis, het is genoeg geweest met de vrijgevigheid. Het moet nu gedaan zijn, wij hebben er genoeg van, trop is teveel, we kunnen de lasten niet meer dragen, we zijn kapot, uitgeteld, het zweet des aanschijns staat ons op de lippen, enzovoort enzo verder, et cetera... Kortom: we zijn het zat.


Laat ons eerlijk zijn, voor een keertje een kat een kat noemen (en niet bijvoorbeeld een negenpotige zwangere kameel met zwaar opgewollen tepels en een spraakgebrek, ik zeg maar wat): sommige mensen zijn gewoon onverbeterlijk. Ik wil daarmee niet zeggen dat ze stoute vlegels zijn, genre jantje kan met zijn pingels niet uit de suikerpot blijven. Nee, sommige mensen zijn slecht en zullen nooit verbeteren. Dat wil ik dus zeggen. Wat gezegd kan worden kan ook duidelijk en helder gezegd worden, zo sprak één of andere Jood ooit. Hij had gelijk.

Ik bedoel dus te zeggen dat sommigen onder ons (of beter, 'onder hen', maar laten we daar voor de tijd zijnde even niet over struikelen) geen enkel maatschappelijk nut hebben en dat ook nooit zullen hebben. Dat is: niet nu en niet in de toekomst. Naar het verleden kunnen we niet kijken, want dat zit vol van allerlei mensen van allerlei slag en als we daar allemaal rekening mee moeten houden komen we nergens.

Soms heeft de overbodigheid, inderdaad, een biologische reden en dan kunnen we wel (eventjes) begripvol zijn. Maar helaas zijn het niet alleen bejaarden, gehandicapten en kleuters die totaal overbodig zijn. Ik wil uw aandacht richten op die veel onderschatte luis in de pels van de goegemeente: de arbeidsloze.


De fysiognomnie van de werkloze, de wetenschap die zich bezig houdt met het meten van de schedels en het bestuderen van de gezichten van luieriken, laat er geen twijfel over bestaan: er is een makkelijke klassificatie mogelijk van de werkloze in twee subtypen. Men heeft vooreerst de gedrongen vetzak met spleetogen, bierbuik en bretellen, type Onslow uit 'Keeping up appearances', een uitstekend docudrama. Hij houdt van voetbal, ruftig zijn, frieten en verbaal abusief zijn tegen vrouwen. Hij is meestal ongeschikt voor de arbeidsmarkt op grond van het feit dat niemand dichter dan vier meter in zijn nabijheid wil komen. We noemen dit type 'de zwaarlijvige luierik'.


Het tweede type is delicater, maar in al zijn onopvallendheid gevaarlijker (denken we). Het type kenmerkt zich uiterlijk door een magere lichaamsbouw, een hoog voorhoofd, schrale baardgroei, een wilde haardos, dito ogen en onverzorgde kledij. Meestal is dit type hooggeschoold (in een totaal irrelevante 'alfawetenschap' zoals kunstgeschiedenis, filosofie of literatuur), neemt het vaak drugs in de vorm van 'wietjes' en spreidt het openlijk dédain tentoon voor een puike krant als Het Laatste Nieuws. Bij de interesses op facebook, een internetapplicatie die de werkende mens totaal onbekend is en waar hij wosiewo toch geen tijd voor heeft, zet dit type dingen als 'Houdt van de films van van Kurosawa' en 'Houdt niet van economische incentieven'. Dit type kan werken, maar wil het niet, en voelt zich te goed om zoals normale mensen jarenlang voor de klachtendienst van een telecomoperator te werken, koffies te gaan halen voor mensen met echte diploma's (rechten en burgerlijk ingenieur) of om zichzelf bij middel van een AK47 in Centraal-afrika te prostitueren ten gunste van de rijken van de aarde. We noemen dit type 'de terminaal werkloze'.

Merken we hier op dat vrouwen niet opgenomen zijn in de fysiognomische beschrijving, want wij hadden zoiets van 'What the fuck, vrouwen, leuk om mee te zoenen maar economisch gezien maken die toch niets uit'. Laat ons een kat een kat noemen (en bijvoorbeeld niet een patrouilleboot van de USN in de Mekongdelta, compleet met pinballmachine, volière en lusthof voor grizzlyberen).

In een vragenlijst aan meer dan 3 zwaarlijvige luieriken (voortaan ZL) en minder dan 6 terminaal werklozen(TW) namen wij onder andere vragen over het welbevinden en de levenskwaliteit van de betrokken personen op en wat we concludeerden was even onthutsend als volstrekt banaal. Deze mensen zijn meestal helemaal niet gelukkig! In vergelijking met onze testgroep, bestaande uit 3 metsers uit het oostblok, zijn ze zelfs ongelukkig. Dit ongeluk is er dus, ondanks het feit dat onze Belgische overheid (haar naam zij geprezen) bakken geld tegen hen aansmijt. Het lijkt me duidelijk dat we alle geldelijke steun aan deze groepen stop moeten zetten. De gigantische uitsparingen in de begroting die we op die manier maken kunnen dan aangewend worden voor een nuttig doel. Defensie bijvoorbeeld, we zeggen maar iets.

Maar is het genoeg om deze mensen zomaar van hun geldelijke steun te ontrieven? We zijn toch allemaal mensen? De één al wat nuttiger dan de ander, akkoord, en wij hebben het dan uiteraard niet over bejaarden en gehandicapten, maar toch mensen. Dat is waar het om draait, onze samenmenselijkheid en hun onnuttigheid en overbodigheid. Moeten we niet denken aan een humanere oplossing voor deze doodsongelukkige blokken aan ons been? Daarom stel ik voor dat we levensbeëindiging openstellen voor TW en ZL gelijk. Zij hebben het recht om zelf te beslissen dat ze waardeloos zijn en beter dood zouden zijn en wij hebben de plicht om hen daarin te faciliteren.

"Nu, nu, nu, dit ruikt hier een beetje naar fascisme" zullen bepaalde lieden vast zeggen. Tegen hen zeg ik: 'niet waar' en ook 'oppassen'.

Mensen laat ons een kat een kat noemen (en niet bijvoorbeeld een flanpuddingsken dat door te lang in de zon te staan denkt dat het een amfibisch wezen in equatoriaal Afrika is), het zijn zware tijden. We hebben niet langer de luxe om dit probleem te blijven negeren. Samen, en alleen samen komen we er door, al wij werkende blanke mannen tussen 25 en 50 jaar. Iedereen heeft een recht op waardig sterven, ook al waren ze in hun leven minder dan waardige uitvreters. Tegen het lijden in de maatschappij! Tegen de tirannie van de dwangarbeid! Excelsior vrienden, we maken er werk van!

maandag 7 september 2009

Le coeur a ses raisons

Resurging out of the silence
The hard pounding pumping
Like an ongoing cello
That has lost its tune
To ignore an organ, and lose
I mean
Not lose
My heart
To listen to it, to
The vast territory beyond
My brains
And what they can’t behold.

dinsdag 1 september 2009

Een apologie van Witsel



Toen Johnny ‘The Methyr Matchstick’ Owen, Wales’ boksende trots, op 19 september 1980 de ring instapte zal hij waarschijnlijk niet gedacht hebben dat het zijn laatste gevecht zou worden. Nog minder waarschijnlijk dacht hij dat hij na de wedstrijd nooit opnieuw een ring, een bokshandschoen of enig ander ding zou mogen aanschouwen. In het gevecht in september daagde Owen wereldkampioen Lupe Pintor uit, vocht twaalf ronden als een spreekwoordelijke Welse leeuw maar ging op 25 seconden van het einde op onfortuinlijke wijze tegen de grond. Hij zou nooit meer rechtstaan. Op 4 november 1980 blies hij zijn laatste adem uit in een ziekenhuis, enkele maanden voor zijn 25e verjaardag.

Een bokser weet waar hij aan begint als hij de ring instapt, het gevaar loert en de handschoen is onverbiddelijk. Sommigen, zoals Owen, sterven met de handschoenen aan en anderen worden gereduceerd tot levenslange wrakken en karikaturen van hun oude strijdvaardige zelf. Nog anderen wandelen doorheen hun professionele vechtcarrière zonder een schrammetje en ondervinden ook op latere leeftijd geen last van hun vechtersverleden. Er zijn zelfs boksers die hun neus, toch de oorlogstrofee van elke kamper, vrij elegant weten te houden, al zijn ze schaars.
Als een voetballer het veld op stapt is er geen sprake van een risico in die zin. Op de occasionele hartaanval na sterven voetballers niet op het veld en ze worden zeker niet doodgetrapt. In de spelregels van het voetbal zit het vloeren van de tegenstander niet vervat, integendeel zelfs, het wordt bestraft met een gele, rode kaart, met schorsingen en boetes. Bij boksen is het vloeren van de tegenstander de raison d’être van de sport, of anders, er is geen boksen denkbaar zonder knock-outs. We denkt van wel moet maar gaan dansen.

De vergelijking tussen voetbal en boksen loopt dus al vanaf het begin een beetje scheef. Maar toch zijn er ook gelijkenissen. Zoals bij boksen de dood van een tegenstander een ongewild uitvloeisel is van de eigenschappen van de sport, namelijk het geven van harde stoten op het hoofd en het lichaam, zo is een voet-, knie- of beenblessure een natuurlijk en ongewild uitvloeisel van een eigenschap van het voetbal, namelijk de tackle. De tackle kan verkeerd lopen, een been kan geraakt worden, en dan is er sprake van een overtreding, maar er is niemand (behalve hevige supporters van het geaffronteerde team misschien) die voor een occasioneel vergrijp geen begrip heeft. Zulke dingen gebeuren. Er gebeuren helaas ook andere dingen in het moderne voetbal. Wanneer Cantona in 1987 Bruno Martini in zijn gezicht slaat is dat geen normale gang van zaken: een tackle die verkeerd gaat eindigt niet in een slag in het gezicht. De vuist zit niet dicht bij de voet. Maar een tackle en zijn mogelijke gevolgen zijn dus wel als normaal te beschouwen. Waarom zijn we dan zo geschokt wanneer, ik geef maar een willekeurig voorbeeld, Axel Witsel de scheen van Marcel Wasilewski doormidden breekt?

Sommigen onder ons zullen opteren voor een technische uitleg. Ook de voetbalbond gaat voor een dergelijke verklaring. De definitie van het woord tackle is: het fysiek aanvallen van de tegenstander om de bal te bemachtigen. Witsel ging niet voor de bal, hij kijkt niet naar de bal, dus er is geen sprake van een balduel of een tackle maar van een aanval. Aanval: het te lijf gaan.
Witsel ging Wasilewski te lijf.



Is de voetbalkous daarmee af? Wat is dan het verschil tussen fysiek aanvallen in de zin van een tackle en te lijf gaan in de zin van een aanval? Witsel wordt her en der door mensen moordenaar genoemd. Op het journaal vinden ze het zelfs niet nodig om de kreten die men hem naar het hoofd slingert weg te filteren. “Assassin” weerklonk het ongegeneerd en ongenuanceerd door de televisieluidsprekers in duizenden Vlaamse en Waalse huiskamers. In de gangbare betekenis van het woord moordenaar is Witsel echter minder een moordenaar dan Lupe Pintor. Toch staat Pintor niet bekend als moordenaar, en niemand nam hem de dood van Owen echt kwalijk, en kan Witsel na zoiets banaal, ten opzichte van de dood, als een beenbreuk op geen enkele sympathie rekenen. Hij ging iemand te lijf, akkoord. Maar iemand te lijf gaan kan in voetbal met recht, want dat hoort bij voetbal. Net zoals het bij boksen legitiem en zelfs vereist is van iemand hard op zijn hoofd te stompen. Met zijn aanval stopte hij de tegenstander en zorgde er wellicht voor dat de bal naar zijn eigen ploeg ging, ook al kreeg hij hem zelf niet aan de voet. Er zijn dan een paar mogelijkheden wat de intentie van Witsel betreft. Ofwel ging hij bewust voor de scheen van Wasilewski, ofwel dacht hij aan de wedstrijd en stopte hij Wasilewski om de match te winnen, waarbij die, als onfortuinlijke bijzaak, zijn scheen brak. Banaal verschil?

De machiavellistische logica van sport vraagt, nee, eist, dat deelnemer aan het spel doen wat ze kunnen om de match te winnen. Dat geldt voor boksen, schaatsen, wielrennen en voetbal gelijk. De vraag is dan: moeten we Witsel als het niet zijn intentie was om een scheen te breken, maar slechts een bijzaak, zo hard aanvallen en veroordelen? Het antwoord lijkt me zonder enige twijfel nee te zijn.
Als Witsel dacht, “ik geef een tackle, stop de aanval en offer mezelf daarbij mogelijk op voor het team want ik kan een kaart krijgen” dan treft hem geen schuld. Is het mogelijk dat hij dat dacht?
Wasilewski bevond zich niet in een echt gevaarlijke positie, dus het zou een beetje dom zijn om dat te denken, dat is zeker. Maar domheid is geen misdaad, anders zat de 95 procent van België vast. Als Witsel geen dommerik is kan hij gedacht hebben “ik ga de bal stoppen en ik zal hem daarbij pijn doen, als toetje.” Dat is al een gradatie erger en dan lijkt een uitsluiting van enkele maanden een gepaste straf. Als hij echter dacht “ik ga die mens pijn doen, we zien wel wat er met de bal gebeurt” dan plaatste hij zich daarmee eigenlijk buiten het spel en werd daardoor vogelvrij voor de wereld. In het laatste geval is Witsel een sociopaat en moet hij uit de maatschappij verwijderd worden.

Wie zal ooit zeggen wat de jongeman bij zijn stoute actie dacht? Ik niet, de voetbalbond niet en de supporters van de betrokken ploegen hoegenaamd niet. We kunnen dan besluiten met de opmerking dat waar gehakt wordt spaanders vallen, waarbij het been van Wasilewski de jammerlijke spaander is, en dat Witsel binnen enkele maanden waarschijnlijk terug voetbalt. En waarom ook niet? Zolang we niet zeker van zijn boosaardigheid zijn moeten we hem het voordeel van de twijfel geven. Of we stiekem geloven in zijn rechtschapenheid of niet doet er niet toe, we kunnen alleen strikt formeel-juridische maatstaven hanteren. Sportmannen in België zijn immers ook leden van onze rechtstaat, en dat is wat wij hier (idealiter) doen.