maandag 13 juli 2009

Pagina uit het dagboek van een strontmachine.

We zijn metalig, glanzend, we hebben geen ziel en we hebben ze ook niet nodig.

Ik weet best wel dat jij hetzelfde bent als mij, een wezen van vlees en bloed en draden en plastic en hotwires en van koekjes voor de televisie en van tranen wanneer de zieligaard uit de zaterdagavondfilm toch maar eens zijn meisje krijgt. We zijn grotendeels identiek, maar met, misschien, een kleine modulatie, een kwinkslag van verschil. Het maakt niet uit.
Toch hoop ik door en in en met jou iets te ontdekken dat ik zelf principieel niet kan ontdekken, alleen. Het zal wel een panorama op mezelf zijn. Ik wil mezelf erg graag bezitten. Eén dag zonder jezelf is nog oké, je drinkt wat en je bent weer een tijdje beter. Maar elke dag is exact hetzelfde en de aders steken als gletsjers uit mijn armen en ik kan niet met je praten en ik kan niet niet met je praten. Ik kan ook niet met anderen praten maar ik kan wel niet niet met anderen praten. Dat lijkt allemaal overbodig. Vandaag is de tijd van de commercialisering van de veel-te-velen, Milk-inc, Audi’s met uitbouwingen en erkers, tattoo’s op arm, been en gezicht. Verklaring van deze fenomenen: ook de overbodigen willen graag iets om te doen. Iedereen heeft een tijdverdrijf nodig, zelfs koning Boudewijn begreep dat. Onze vrijheid is onbeperkt, er is geen tijd om te praten en eigenlijk, als ik echt eerlijk ben, ook geen reden meer voor. De empirie van het externe spreekt luider dan de introspectie van de binnenkant, zeker in deze tijd. Feuerbach is dood, maar de I-pod leeft. Mijn universum, mijn drama, mijn raggende tonen en melancholische beats en mijn fenomenen: het spektakel is totaal oncommuniceerbaar, ook in zijn delen, en de ultieme stilte buiten ruimt baan voor het eeuwige semantische gebazel vanbinnen.

Ik wil je voelen liefste, jouw metaal op het mijne, in de stilte. Zou dat niet aangenaam zijn? Waarom zou dat onaangenaam moeten zijn?

Wat ik graag wil is dat je je hand tegen mijn borst legt en me met je andere een klap tegen mijn voorhoofd geeft. Wat ik graag wil is dat je me, in mezelf gezeten en eenzelvig wachtend op iemand anders die mezelf bevestigt, zomaar op mijn voorhoofd zoent, zonder woorden. Ik zoek niet naar je vlees maar naar dat wezen waarvan ik weet dat het in jouw en mijn lichaam leeft. Ik zoek naar eenheid, naar een manier waarop ik mijn muren gedecoreerd en het vuil uit mijn ragspinnig brein krijg. Ik zoek naar een motivatie, een reden, een doel, een middel en een uitstekende prijs daarvoor. Ik ben een professionele consument en ik wil geen eieren voor mijn geld.

Ik zoek niet naar jou, ik heb jou eigenlijk helemaal niet nodig. Ik wil dat je een personage wordt in de verhalen die voor me de waarheid naspelen. Je moet onvoorspelbaar (binnen een bepaalde horizon van mogelijke daden die voor jou als geliefde gepast zijn, uiteraard) zijn maar je mag me niet verrassen door me te verlaten. Je moet ook maar niet te veel eisen, niet te vervelend zijn. Kan je misschien een knopje hebben, zodat ik je af en toe eens kan afzetten? Of een schuifregelaar zodat ik je toch iets stiller kan draaien? Ten minste?

Erg graag had ik dat het anders was, zoals het geweest moet zijn, toen jouw strijd de mijne was en de natuur de vijand heette. Dat gaf een gemeenschappelijk verhaal, een narratief zo oud als de mensentijd. Maar die verhalen waren ook flets, voorspelbaar en vaak ongelukkig. Grandeur mankeerden ze al helemaal. Geef me dan maar mijn 50cent- tot 20euro-verlokkingen, met al hun plastic stank, die neem ik er wel bij. Geef me tepels als toetsen en lippen als een touchscreen en put me uit met af en toe iets om over te huilen en te proesten, zoals in een oude boutade over lachen en tranen. Geef me lichtheid, een draagbaar nanomodel, en energie voor dagen, weken en misschien nog maanden (maar geen jaren alsjeblieft, nee). En oh, zorg ook voor het geld als ik het oude nieuwe al niet meer kan verdragen.

Nu dan.
Ik voel me zo alleen, zeg dat je van me houdt, omdat ik het ook doe, dan hebben we iets (misschien als de onder- en bovenkant van een puzzel met een andere tekening op elke zijde en als je het omdraait dan krijg je alles) en misschien wordt het straks een spannend drama dat de adem zal doen stokken en miljoenen bezig zal houden.

vrijdag 3 juli 2009

Passiespel

De Anser anser vlucht in de winter naar het zuiden. Men vertelt dat het daar dan warmer is. Ik weet het niet. Wij zijn mislukte natuurmetaforen, steeds op zoek naar een kracht om onszelf te duiden, maar uiteindelijk toch maar gesofisticeerde primaten.

Het verleden is een mistscherm voor de toekomst, je kunt je verblijden in je kleine heldere ruimte van herinneringen maar een panopticon zal je er niet door verwerven.

Ik ging ooit op vakantie naar de Algarve, het waaide er.
Ik ging samen met een jongen, die Miguel heette, we spraken Spaans.
We droegen nieuwe pakken, linnen, waarin we heilig geloofden.

Nog een paar dingen waarin we geloofden: onze kracht, ons optimisme, onze mogelijkheden en hun onuitputtelijkheid, onze macht om niet in het verleden te verblijven, te resten.
We waren erg lelijke jongens geweest. Geweest? Lelijkheid met betrekking tot jezelf lijkt altijd een zaak van vroeger, tot je de foto’s ziet, maar dan is het alweer voorbij.
We leerden Portugees want we wilden graag toegankelijk blijven en grappig zijn zoals we dat eerder in het Spaans samen waren. Ook in vreemde(re) talen wilden we schitteren met meer dan onze prosodie alleen. Hoe kunnen polyglotten lelijk zijn?

In Faro spreekt niet iedereen Portugees, dat is een feit. Dat wisten we niet voor we er kwamen.

Nog enkele feiten die we ooit niet wisten: een ezel vraagt om verzorging, een auto kan verzuipen en meisjeszielen zijn niet altijd complex.

De ezel heette Sandro en hij sprak tegen me in een droom, vanuit de oude kathedraal van Faro, een gebouw als een Hollandse kroket, zo degelijk. Hij balkte in het Farsi dus ik verstond er geen zak van. Ik nam mijn woordenboek Farsi-Portugees en zag vreemde tekens die me als smileys vanop de pagina’s toelachten. De ezel hield zijn ogen met enige angst op de hemel gericht. Dat stelde me gerust want ik zag in hem plots een onnozele metafysicus. Toen kwam de regen. Zijn blik had voorspellende kracht. De ezel was empiricus. Ik sloeg in paniek en wiekte wild met mijn armen. Ik geloof dat ik zo hoopte op te stijgen. Maar ik deed het niet. Wat voor een droom laat je zulke dingen niet toe?

Ik werd kletsnat wakker, met Miguel naast me in mijn armen. Hij plakte aan me, door al dat zweet. Zijn lijf was lichtbruin, op het gele af, ik voelde zijn bilspieren tegen mijn kruis bewegen. Ik zoende hem op de lippen en likte het zweet van zijn navel. Ik vertelde hem in zijn slaap hoe ik hem beminde. Ik hield van hem, van al mijn hoeren, van mijn moeder en van de hond die nu in een oude urne asse was, niet evenveel.

Ik duwde mijn auto de oude markt van Moerzeke op. Er was geen mens te bekennen. Het was zondag om half elf. Ik ging naar café de Klok, maar dat was gesloten. In café De Zwaan zat wel nog volk. Ik keek door de ramen. Er brandde TL-verlichting, grimmig. Ik klopte op de deur en alle gesprekken verstomden. Ik vroeg of er iemand iets van mechaniek kende. Men kende meer van aardappelen dan van auto’s, zoals ik na een poosje begreep. Een kale oude man zonder tanden vroeg me of ik er een dozijn wou kopen. Dat leidde tot enige hilariteit in de kroeg. Die man probeerde iedereen altijd aardappelen aan te smeren. De waard fluisterde me toe dat hij veel problemen had, maar ik had geen lust om hem op de mond te kussen en ik voelde me ook niet erg herderlijk. Ik keerde naar mijn auto terug om er in de lommerte van de berken een sigaret te roken.

Waar ik heilig in geloofde: mijn auto, een oude volkswagen met een vierkante carrosserie die me tot in Spanje bracht maar het platteland in Vlaanderen niet overleefde. Dat mag symboliek heten.

De ezel kwam terug op het heetst van de volgende ochtend, tijdens een wandeling. We liepen door de woeste droge hoogte en beschouwden de baai die goudkleurig in onze ogen glansde. Sandro stond daar alleen in een wei, als een schaakstuk in een marmeren pastorale. Het leek me duivels dat hij hier zo uit mijn dromen sprong en ik vergewiste me er even van of hij geen horens had gekregen. Miguel stond dichtbij me, en ik geloof dat hij mijn ontsteltenis voelde. Hij kende mijn lichaam goed. Op zijn blote bruine bovenlijf parelden enkele zweetdruppels. Geen enkel sprietje lichaamshaar had die jongen, maar boven zijn ogen golfde het haar hard en onbuigzaam als platen op een moderne stadsstal. Sandro had geen horens. Hij sprak niet in raadselen en keek me zelfs niet aan. Ik wilde hem iets toefluisteren maar Miguel nam zich voor dat hij me niet zou toestaan dat ik een ezel van mezelf maakte. Ik gaf het beest wat water, maar het scheen daarop met matig enthousiasme te reageren. Het was waarschijnlijk al te uitgedroogd. Het staarde naar de vloer, moeilijk voor een dier met laterale ogen.
Miguel vertelde me dat het zelfs onmogelijk was, maar ik geloofde dan toch eerder Sandro. Die praatte niet, die demonstreerde.

Een feit waarvan we ons bewust waren: oude ezels sterven als ze in de hete zon geen water lusten. Dan mag het nog winderig zijn. Dat maakt dan als het ware niet zo veel uit.

We gingen verder en het werd een schitterende dag, waarop ik en Miguel nog eens de liefde bedreven. Herhaling werkt alleen niet op televisie.

Ik stond ongeveer vijftien minuten aan mijn auto met mijn sigaret rookfiguren in de lucht te schilderen toen er op vijf meter van mij plots een meisje met blond haar stond. Ze doemde op alsof ze daarvoor geoefend of geopteerd had en sprak met schelle stem enkele woorden tot mijn oren. Ik vertelde haar dat het ding geen zwengel had en ze vroeg me om bij haar limonade te komen drinken. Ze was zestien, of niet veel ouder, en ik vond haar heel erg mooi. Ze woonde op een boerderij en haar vader verkocht aardappelen. Ze vroeg me of ik uit de stad kwam en ik bevestigde dat met een leugen die ‘ja’ luidde. Het verschil tussen de leugen en de waarheid is een kwestie van tijd, nam ik mezelf voor.

We zaten in haar huis en ze vertelde me dat haar ouders niet meer naar huis zouden komen. Haar rok was een vijftal centimeter naar boven geschoven. Ik zag het rozige blozen van haar meisjesknieën. Ik had nood om even in haar wangen te knijpen, dus dat deed ik maar misschien heb ik daarop te hard geknepen. Even later was ze aan het huilen. Wij alleen weten wat er tussen ons gebeurde, het was een ongeneeslijke maar intense erotiek.

Ik zag in haar ogen dat ze het ook wel wilde. Daar geloof ik heilig in, dat is een feit.

Ik ging van het erf weg, vluchtte met mijn armen voor mijn ogen. Ik wilde niets van haar gejammer horen. Wie zou me aan de mast binden en mijn oren dichtstoppen met was als ik het zelf niet deed?

Ik vond een garagist en hij vertelde me dat ik het beestje verzopen had. Waarschijnlijk iets te veel op het pedaal geduwd na de eerste problemen. Ik ben geen technicus, die dingen moeten gewoon werken, mompelde ik. Ik ontzielde mijn auto in al mijn woede. Ik liet hem achter en belde een taxi, die een halfuur later aankwam. De chauffeur was babbelziek.

Miguel goot de bloemen in de tuin van onze buurman. Het was iets dat hem rust gaf. Ik wou dat ik zo gezonde en heilzame sedatieven kende. Ik ken(de) alleen whisky, sigaren en mannenbladen, de gewelfde holte van de kont van Miguel. We waren lichamen die ooit uit één geheel waren gehouwen, we hielden onszelf samen met oxytocine, sperma, speeksel en testosteron. Ook een beetje muskus, wellicht. Maar dat is nog geen echte liefde, die heeft meer nodig dan de sappen uit de biolabo’s van zogezegd-geleerden.

Laten we, even analytisch, een drietal graden onderscheiden.

Ik hield van die auto omdat hij me bracht waar ik heengaan wilde. Dat is de functionele liefde, een eerste graad. Ik hield van Miguel omdat hij me verstrooide, me amuseerde en me vers fruit en zijn lichaam bracht, dat kan een tweede graad zijn, naamloos tussen het ding uit de functie en de entiteit die hoger komt. Ik hield van haar omdat ze ongewild en onbedoeld mijn ziel raakte en omdat ik voor haar heel even wilde zijn wat ik niet eerder was, namelijk de hare. Dat is, wellicht, en ik zeg het met enige schroom want het is belachelijk, het echte.

Dat is natuurlijk allemaal onzin, gebeuzel voor mannen op hoge ledikanten en vrouwen aan warme fornuizen, met de spenen in de aanslag.

De nacht daarop kwam Sandro naar me terug en sprak met luide stem. Die keer sprak hij in het Nederlands, met een zwaar Oost-Vlaams accent. Ik had hem in de steek gelaten, beweerde hij. Ik had hem zomaar laten sterven terwijl hij me de nacht ervoor verfrissende regen had gegeven. Ik huilde dat ik hem een moment van liefde gaf, maar dat hij toch op sterven lag en dat ik daar niets aan kon doen. Hij vroeg me: is het dan prettig om alleen te sterven? Daar kon ik niet op antwoorden.

Ze vroeg me niets en het was ook niet nodig dat ze dat deed, want ik begreep wat er speelde. Onmiddellijk zag ik hoe de dood de lust in haar jonge gelaatstrekken en lichaam toverde. Ik kuste haar lippen, ik bevredigde haar lichaam en reduceerde haar tot mysterie. Toen vertrok ik omdat haar vertrek me nu al verteerde. Zij wilde graag, iemand die haar zou kussen op het allerlaatste.

Miguel knipt de rozen. Straks gaat hij huilen en schreeuwen. Dat doet hij voor heel even. Dan vindt hij weer iets anders.

Ik ben een zwakte, een mens van het voor-heel-even, en door die stomme ezel moet ik alweer van mijn thuis wegvliegen.

zondag 28 juni 2009

Vlaanderen verlaten

Zalmig ben ik hierheen gekomen, om na een lange ontberingsvolle tocht, spartelend in ondiep water, als het ware dan want ik kan best goed zwemmen, helemaal dood te sterven. Dat is wellicht een pleonasme. See if I give a fudge.

"Ga je van me weg? Nu?"
"Ja. Waarom niet?"
"Het is al laat. Ik heb niet graag dat je alleen nog over de straten stapt."
"Ik loop wel op het voetpad."
"Misschien word je verkracht. Op het voet pad, dan."
"Dat moet, dan, maar."
"Ik dacht dat je..."
"Dat ik wat?"
"Ik dacht ergens dat het moeilijker zou zijn. Dat we minder kalm zouden zijn."
"We zijn niet kalm. We lijken dood, dat is niet hetzelfde"
"Doodkalm."
"Ik kan er ook niets aan doen. Zal ik je bed in brand steken?"
"Lijkt me een geweldige metafoor."
"Ja."
"Maar dat blussen wordt weer zo triest."
"Ongetwijfeld."
"Doe toch maar niet, dan."
"Nee."
"We hebben geweldige tijden gehad. Samen. Wij. Het was als een verhaal, maar dan echter."
"Een documentaire?"
"Behoorlijk platte documentaire."
"Voorspelbaar einde."
"Ja."
"Maar nu is het dan toch voorbij."
"Eens je hier buiten bent is mijn leven ook voorbij."
"Zo mag je niet denken."
"Waarom niet?"
"Pathos hoort niet bij documentaires."
"Ik weet dat het niet toegestaan is, in het genre. Ik ben een slaaf van mijn eigen genre."
"Je bent vrij, vrijer dan hiervoor. Dat is toch iets, goeds?"
"Mijn lichaam is jouw horige."
"Dat... nee, doe dat nu niet. Alsjeblieft."
"Ga je naar hem?"
"Je maakt het niet makkelijker voor me."
"Ik wil het niet makkelijker voor je maken. Ik wil dat je leven voorbij is als je hier buiten gaat."
"Mijn leven gaat wel nog even voort, niet voorziene omstandigheden buiten beschouwing gelaten."
"Uiteraard."
"Uiteraard."
"Ga je naar hem?"
"Misschien. Eerst niet. Later, denk ik."
"Een snoepje gaan halen?"
"Wat ben jij een masochist."
"Of een vuilak."
"Eén van de twee."
"Doe maar allebei."
"Ik ga."
"Oké. Dag."
"Ik... ga."
"Hm? Ga dan."
"Dag."
"Dag."
"Oké."

Een boom met kleine vogels doet me wenen. Een meisje dat gestenigd wordt laat me woedend het Koerdenras verwensen. Alle mensen in mijn buurt maken me chagrijnig, iets verder kunnen ze me niets meer schelen. Moge de duivel jullie halen.

"Meneer D."
"Ja, dat ben ik."
"Komt u maar even binnen."
"Dank u."
"Ga maar zitten."
"Dank u."
"U hebt niet zoveel ervaring."
"Nee."
"Hoe denkt u dat op te vullen?"
"Hoe bedoelt u?"
"Wat denkt u ons iets te kunnen brengen dat we niet eerder zagen? Wat is er uniek aan u? Wat zijn uw uitgangspunten?"
"Ik begrijp u niet."
"Wat zijn uw pluspunten?"
"Dat heb ik toch in mijn motivatiebrief al geschreven?"
"Ja, oké. Ik zie in uw test dat u niet wist wie Alan Greenspan is."
"Nee. Het interesseert me niet wie Alan Greenspan is."
"Het interesseert u niet?"
"Je kan niet iedereen kennen. Ik ga voor diepte."
"Diepte."
"Ik ben een analyticus. Ik doe mijn werk, uitstekend en in de diepte."
"Ik begrijp het."
"Als het mijn job is om Alan Greenspan te kennen zal ik hem kennen."
"Journalistiek is misschien geen job."
"Wat is het dan wel?"
"Een missie. Een roeping."
"Soms. Maar meestal niet. Meestal is het een job."
"Denkt u dat?"
"Ja, momenteel wel."
"Wat is uw droomjob?"
"Iets met kernfysica."
"Denkt u hier veel kernfysica aan te treffen?"
"Nee. Dat hoeft ook niet."
"Wat is uw motivatie om hiervoor te solliciteren?"
"Dat staat in mijn brief."
"Er staat geen motivatie vermeld in uw motivatiebrief."
"Ik heb er geen. Deze job was vrij en ik ook. Dus ik dacht: 'dat moet lukken, zeg'."
"Ik denk dat wij genoeg weten."
"Oké."
"Veel geluk nog in uw verdere loopbaan."
"Oké, bedankt."

Als mensen niet pissen dan schijten ze. Als ze niet blaten van geluk dan mekkeren ze van ongeluk. Als ze elkaar niet de kop willen inslaan dan worden ze gedrogeerd. Gebruikelijke drugs zijn werk, liefde, religie en semantiek.

"Ha zie, ons bergske."
"Jow."
"Hoe gaat het bergske?"
"Goed."
"Ha zie."

"Hey."
"Lang geleden."
"Ja."
"Wanneer gaan we nog eens uit?"
"Misschien later."
"Deze zomer?"
"Misschien ergens binnenkort."
"Ja, dat lijkt me leuk."
"Het zou leuk kunnen zijn."
"Ik moet weg. Laat je me iets weten als de rest iets doet?"
"Ja, oké."

"Wie was dat Bergske?
"Gewoon een vriendin."
"Gewoon een vriendin."
"Dat heb je goed herhaald."
"Zou ze niets voor jou zijn?"
"Ze trekt me niet zo aan."
"Fysiek?"
"Ik kan wel goed met haar praten."
"Ha, voila."
"Ja, voila."
"Volgens mij ben je verliefd Bergske."
"Dat denk ik niet."
"Ik zie jullie echt al samen."
"Ik niet."
"Bergske, je moet ervoor gaan."
"Waarvoor?"
"Voor haar hart hé, Bergske."
"Haar hart."
"Haar proberen poepen."
"Ik begrijp het."
"Jullie zouden een mooi koppel zijn."
"Oké."
"Oké?"
"Oké."

Ik ben naar hier gekomen om, niet eens meer mens, tot ding te verstarren. Mijn aanwezigheid is niet meer gewenst en ik ben mezelf, jeugdig, zestien, voor altijd lachend, een onbekende geworden. Ik heb Vlaanderen verlaten. Vlaanderen en al haar mensen, die ik bitter bij me droeg, en wacht nu op weidsere horizonten.
Ik ben hier alleen, in mijn natie van één.

woensdag 17 juni 2009

Hij was een bizarre man &...

Hij zocht naar een bizarre vrouw. Hij wilde haar vinden om samen met haar een bizar koppel te worden. Ze zouden samen naar bizarre feestjes gaan. Ze zouden de liefde bedrijven (“neuken”) op de keukentafel. Ze zou zich aan de in de tafel prikkende keukenmessen vasthouden, hij zou met zijn heupen tegen haar onderkant en de schuiven beuken. Simultaan. Ze zouden niet in de moderne liefde geloven en elkanders moeders bezoeken.

Op veertien augustus verliet hij zijn huis. Het begon te regenen. Hij verschool zich in een ondiep portiek aan de zijkant van een kledingswinkel. Hij schudde zijn kletsnatte haren uit en keek naar het meisje dat plots naast hem stond, even abrupt als het onweer. Hij probeerde aan metaforen te denken. Maar het concrete, zij, vroeg naar andere overpeinzingen.

Hij wist niet goed wat te zeggen en hij durfde niet. Dat duurde even.

Hij raapte zijn moed op en sprak, zo banaal als hij kon opbrengen.

“Het regent.”
“Dat zie ik.”
Ze keken samen naar de regen, die een strikte verticaliteit handhaafde.
“Denk je dat er nog zon aankomt?”
“Dat weet ik niet.”
“Ik vind het wel leuk als ze doorbreekt.”
“Wie? Ze?”
“De zon.”
“Ah. Ja, dat is wel leuk.”
“Maar voorlopig regent het nog.”
“Tja…”
“Heb je er wel schik in? Hier staan?”
Ze keek hem aan.
“Het regent.”
“Dat weet ik.”
“Ik wil niet nat worden.”
“Ik begrijp het.”
“Maar ik vind het niet erg om te spreken.”

“Als de regen nu stopt zal ik haar naar haar telefoonnummer moeten vragen.”

“Zei je wat?”
“Ik vind het ook een aangenaam gesprek. Als dat is wat we doen.”
“Wat doen we?”
“Dat vroeg ik aan jou.”
“Ik doe niet veel. Ik wacht tot de regen stopt.”
“Rook je?”
“Nee.”
“Ik ook niet.”
“Ik begrijp het.”
“Je bent wel vlug van begrip.”
“Ja.”
Er passeerde een kapotte volkswagen door de straat, een kever. Op de achterruit waren de letters VW geschilderd. En het Kremlin.
“Begrijp je dat?”
“Het is gewoon een auto.”
“Ja.”
“Mensen hebben soms rare hobby’s.”
“En bezigheden…”
“Is dat niet tweemaal hetzelfde?”
“Een hobby is iets bewuster. Je zegt mijn hobby is… vliegeren bijvoorbeeld. Maar je zegt nooit mijn bezigheid is schuilen voor de regen.”
“Dus een bezigheid is niet iets dat je bestendigt? Als je bezig bent doe je gewoon, zonder kader?”
“Niet altijd, je kan ook bezig zijn als smid. Bijvoorbeeld. Dan smeed je het ijzer als het heet is. Dan zeg je ik ben smid en mijn bezigheid is het ijzer smeden als het heet is. Niet-smeden kunnen die bezigheden ook aanvatten.”
“Ik vind je verklaringen erg bizar. Verwarrend.”
“Verbijster ik je?”
“Je doet mijn zinnen zwijgen.”
“Waarom komen er dan toch nog uit je mond, zo nu en dan?”
“Dat zijn de mijne niet. Ik zeg iets anders.”
“Dat had ik al lang begrepen.”
“Je bent een vrouw, die begrijpen zulke dingen.”
“Hoe weet je dat?”
“Je draagt een rok, je hebt borsten, je draagt make-up en je begrijpt wat ik wil zeggen als ik het niet zeg.”
“Ik ben niet wat ik ben, ik ben iets anders.”
“Je bent een opening naar mij. Momenteel.
“Waarom momenteel?”
“Ik wil niet te pretentieus klinken.”
“Te laat.”
“Vind je dat?
“Ja.”
Ze keek hem aan.
“Je hebt dus naar mijn borsten gekeken?”
“Ja.”
“En?”
Hij stak zijn duim de lucht in een ontblootte zijn bovenste tandenrij, die door een spleet in twee gescheiden in zijn iets te grote mond met iets te dikke lippen stond. Ze lachte.
“Dan is het goed”
Hij keek even naar de grond, die niet zo nat was als hij verwachtte. Het leek elk moment te zullen gaan ophouden met regenen.
“Mag ik je iets vragen. Maar het is nogal…?”
“Bizar?”
“Ja.”
“Doe maar.”
“Kan je even per ongeluk aan mijn hand komen.”
Ze zweeg even.
“Je bedoelt, in een moment, zo maar even, tersluiks?”
“Ja.”
“Zodat jij niet echt kan interpreteren of ik het al dan niet met opzet deed?”
“Ja. Kan dat?”
“Dat heb je mooi verpest.”
“Ik weet het.”
Ze gaf hem een zoen op zijn wang.
“Dat was ook leuk.”
“Ja.”
“Maar zeker niet per ongeluk.”
“Heet je Marijke?”
“Nee, waarom?”
“Het zou gekund hebben.”
“Als ik haar was? Wat dan?”
“Hoezo?”
“Wat zou je dan gedaan hebben?”
“Dan zei ik hallo Marijke, ik ben…”
“Maar ik ben haar niet.”
“Nee.”
“Identiteit is een verschrikkelijk probleem. Het laat je de gekste dingen doen.”
“Zoals?”
“Gisteren kuste ik iemand op een fuif. Een jongen. Zomaar. Uit het niets. Omdat dat nu eenmaal iets is dat ik doe. Snap je?”
“Ik dacht dat we elkaar eeuwige trouw beloofd hadden?”
“Nog niet. Ik ben niet iemand die dat doet. Dat niet.”
“Misschien heb je de juiste nog niet ontmoet.”
“Dat is weer zo’n identiteit.”
“Doorzag ik onmiddellijk.”
“Natuurlijk, je bent een man. Mannen doen dat.”
“Dingen doorzien?”
“Onmiddellijk zijn.”
“Nu ja.”
Het stopte met regenen. De zon brak door. Een oude vrouw met een hermelijnen jas en een wandelstok schuifelde aan hun immobiele voeten voorbij. Een man kreeg een vijandelijk klinkende uitbarsting uit zijn aangezicht. Hij haalde spontaan zijn zakdoek boven. Die hing binnen de kortste keren vol snot.

“Wat vind je eigenlijk van keukentafels?”
“Ze zijn wel functioneel.”
“Dat is een perfect antwoord.”
“Ik vind het een wat perfide vraag.”
“Welk parfum heb je op?”
“Oestrogeen en feromonen. En zeep.”
“Oxytocine?”
“Sorry.”
“Ik begrijp het.”
“Ik wil je best wel nog eens zien.”
“Ja, echt?”
“Per ongeluk.”
“Dan doen we dat.”
Ze gaf haar lippen opnieuw aan zijn wang. Het was een tactiel oneerlijke transactie die goedgemaakt werd door de onverwachtheid van de daad die erop volgde. Ze wreef even over zijn hand. Hij kon niet echt bepalen of het per ongeluk was, of niet.
“Tot dan.”
Maal twee.

Hij keerde naar zijn grote huis terug om op te merken dat hij er alleen was. Hij vond het niet zo erg. Hij was een wat bizarre man.

Hij had een gigantisch kanon in zijn broek.

zondag 14 juni 2009

Froekoe zwap

Froekoe zwap

Damme damme gisse / djap
hajne hejne dasse / gip
Hikke Hiccu drinne / nap
Pana manna danna / hjip

Boerkoe nip
dippertje dap
geulie bip
Froekoe zwap!

Froe koezwap!

donderdag 11 juni 2009

La reine (de la literature Flamande) Margot

Jullie favoriete cynicus geeft het grif toe: hij is een klein wraakzuchtig eikeltje. De schrijfster en journaliste Margot Vanderstraeten, momenteel wellicht het bekendst als de controversiële opvolgster van ouwe bleitknar Bernaar, schopte ooit vrij hard tegen zijn ego en nu kan hij het mens niet meer luchten. Het liefst zou hij de bovengenoemde vrouw, vanaf hier toverkol, met haar billen bloot aan haar kuiten aan een lantarenpaal langs de E17 richting Oostende zien bengelen. Bij voorkeur tijdens een verlengd weekend, zodat de kindjes op weg naar zee een pedagogisch waardevolle les bijgebracht kan worden. ("Nee Pieterke, voor culturele hoeren kennen wij hier in de Vlamen geen genade. Die moeten allemaal kapot. Je moet niet wenen jongen, ze had erom gevraagd.") Tussen droom en werkelijkheid staan gelukkig luiheid en beleefde voorzichtigheid en deze schuchtere knaap is uiteindelijk veel te lief om zich te vergrijpen aan zijn dwaze rancunes, maar het is mijn inziens niet keurig om objectiviteit te simuleren waar er te veel emoties in het spel zijn. Dus: ontplof objectiviteit, ik haat Margot Vanderstraeten.

Ik las “Alle mensen bijten”, de met de Vlaamse Debuutprijs bekroonde roman van de toverkol, met een mélange van afschuw en hilariteit. Het is een melodramatisch verhaal over een zekere Lydia. Lydia is een vrouw die het moeilijk heeft. Uiteraard. Vrouwen hebben het in de metafysica van Margot, als we al zo stout een woord mogen gebruiken, zonder uitzondering moeilijker dan de doorsnee Iraakse vluchteling. Margot is ogenklaarblijkschijnelijk een volgeling van de psycho-analyse (dan wel niet die van Freud of Lacan, maar eerder een versie van Dunaldy) want de seksuele en emotionele trauma's uit de jeugd van het personage zijn allesbepalend voor haar latere leven. Haar moeder is alcoholiste, haar vader is een hoerenman en ze wordt op haar kostschool verkracht door een bende rigide nonnen. (Helaas vermeldt Margot niet of het al dan niet met strap-ons gebeurt en of er al dan niet video-opnamen van het evenement zijn.) Hierdoor groeit ons lieftallige flat charactertje Lydia op tot een bikkelhard mannenhatend teringwijf, wiens misandrie door de schrijfster overduidelijk erg sympathiek wordt bevonden. Eind goed al goed. Ik vraag me af wat ze nog op VijfTv spelen. Misschien wel iets met Yasmine Bleeth. Dat zou echt te gek zijn.

Maar wacht eens even? Ik hoor iets!
Kreunde daar iemand? Hoor ik in gedachten Hugo Claus zachtjes grienen in zijn graf omdat de literatuur in Vlaanderen nu echt gestorven is of zit Bernaar weer een potje te huilen op mijn stoep omdat hij alles te mooi vindt?

Het, godbetert, met een debuutprijs bekroonde boek leest als een flauw afkooksel van de eerste de beste soap. De personages verdrinken in obviousness, de dialogen geven nooit de indruk van dialogen maar zijn anderzijds ook niet literair genoeg om andere kwaliteiten te hebben en van spanning heeft de toverkol geen kaas gegeten. Heinz Konsalik, de overbekende Duitse schrijver van stationsromans, springt spontaan in onze gedachten. Je neemt wat romantiek, een verhaallijn die rammelt ("Maar wat zou het ook, ik sta daarboven", moet Marge gedacht hebben), nog wat oppervlakkige personages. Je kruidt het geheel met een lauwe saus van kwaadaardigheid en moeilijk te overwinnen obstakels en klaar: je hebt een boek als een Iglo-menu, klaar in vijf seconden en flets. Ja flets. Maar wel klaar in vijf seconden. De prulletjes van Konsalik zijn volgens deze formule geschreven maar, in tegenstelling tot de romans van Margot, razend populair en wel nog een beetje spannend. Bovendien schreef hij er om en rond de 150 van, soms wel vijf per jaar. Hij was ook geen arrogante hoogdravende vrouweikel. Margot schreef drie boeken in zes jaar (en dat is geen aansporing om er meer te schrijven), verkocht extreem weinig exemplaren van haar eerste twee romans (de derde zal door een meer uitgekiende marketing wel beter lopen vermoed ik) en haar schrijfsels zijn even opmerking als een potje muilen met Martine Tanghe. En ja, ze is ook een hautaine vrouweikel. Tegen ons verzuchtte ze ooit dat 'het toch wel vervelend was om aan de top te staan' want 'dat je dan nooit geen kritiek meer kreeg'. Wel, daar kan ik dan even een handje helpen, geloof ik.

Kijk, Marge, schatje. Geen probleem als je voor de ‘Flair’ of voor ‘Goed Gevoel’ wil schrijven. Je zou kunnen uitblinken in het genre ‘harde eerlijke vrouwen die op een stilistisch povere manier door mannen in de harige lippen worden getrapt’ als je nog een beetje oefent. Doe maar. Leef je uit, geef de meiden iets om naar uit te kijken. Het drieledig ontaarde rijk van het kwaad, Roularta, Sanoma en Corelio, verdient het immers ook om te blijven bestaan en je zou voor de duistere Triple Alliantie een geniale bijdrage kunnen leveren door het schrijven van amusante pulp. Maar beweer dan niet dat je een serieuze schrijver bent, Midge, zuurtje van mijn gal, want daar krijg ik de Rikiki van.

Het is altijd een slecht idee om als schrijver verliefd te worden op je hoofdpersonage en ik hoef geen lang betoog te houden om te bewijzen dat je in ieder geval autobiografische elementen in je personages legt als je over ze schrijft en ze dingen (meestal gebeurtenissen, maar in het geval van Margot ook vaak non-eventen, pun intended) laat meemaken. Een schrijver kan dan ook niet zonder een zekere dosis zelfhaat, ook al is hij de meest larmoyante romanticus die oprecht in het heroïsme van zijn hoofdpersonage gelooft. Als je de boeken van Margot leest kan je je jezelf niet van de indruk ontdoen dat ze het gewoon heel de tijd over zichzelf heeft en wil bewijzen hoe speciaal, uniek en vrijgevochten ze wel is. Goed dan Wil iemand haar in godsnaam vertellen dat ze speciaal is? Ze zit intussen alweer aan haar derde kutboek, het is welletjes.

Deze dekselse vrouw, deze absurd ongetalenteerde verwerkelijking van de menopauze staat nu elke twee dagen met haar schrijfsels op de voorpagina van wat één van de meest intellectueel voorname kranten van Vlaanderen zou moeten zijn. Gelukkig staat het me vrij om de krant niet meer te kopen als ik haar kop of naam zie verschijnen. Maar dan mis ik zoveel! Ah nee, wacht, ze hebben iedereen van belang ontslagen. Oef.

Ik geef jullie nog een uitsmijtertje mee, want als de VRT het mag, dan… Ja dan mag VTM het ook! (Fuck you lezer, fuck you.)
In het onderstaande filmpje vertelt ze geheel in haar onnavolgbare stijl (want ik wil best toegeven dat ze onnavolgbaar is) de grootste en meest prachtige wijsheden die ik in lange tijd gehoord heb.
Margot heeft net een boek gelezen en wat blijkt? Ze is trots als een kind op haar prestatie en het biedt toch wel ook nog eens daarbovenop en plus extra en voor niets de oplossing voor alle wereldproblemen zeker! Oblomov, als in het hoofdpersonage van het boek van Gontsjarov, had de economische crisis helemaal voorspeld! En wij hebben dat niet gelezen! Domme mensen, we hadden al die financiële miserie kunnen voorkomen als we gewoon wat meer romans hadden gelezen. Nou moe.

Klikkie

zondag 7 juni 2009

Hooikoorts

Ik ben een elegante man.

Laat ik dat even preciseren. Ik zou graag een elegante man zijn, maar ik ben wellicht gewoonweg ijdel.

Ik bekijk mezelf voortdurend in spiegels, winkel- en autoruiten en volg tijdens het stappen mijn bewegende silhouet zorgvuldig. Ik heb daarbij geen achting voor de oordelen van andere mannen. Ik minacht de oordelen van andere mannen actief. Ik denk: “Wie zou er nu zoiets willen missen?” Wanneer andere mannen zichzelf in ruiten bekijken dan denk ik: “jeannet.”

Al jaren lijd ik aan hooikoorts. Wanneer ik moet niezen (soms valt zo’n kriebel gewoonweg niet tegen te houden) dan kijk ik na de laatste stuiptrekking onmiddellijk rond me in de hoop dat niemand me gezien heeft. De gêne is groot als ik plots merk dat iemand inderdaad mijn snotterige hand en/of mouw in de gaten heeft. Meewarig kijkt hij of zij naar mij en denkt daarbij waarschijnlijk: “Nu ja, die jongen heeft hooikoorts.” Mededogen dat ik altijd voor spot verwar. Het is het grootste probleem in mijn volwassen bestaan. Het is een interpretatief probleem. Valt wel mee, ik weet het, ik kon ook de kanker hebben, maar het is toch een probleem.

Er zit iets komisch in de nies van een mens die ondanks zijn interne problemen met zijn alledaagse bezigheden bezig is. Hij niest om zichzelf te bevrijden van de kriebel maar haalt zich daardoor iets veel vervelender op de hals, hij wordt plots het luidruchtige punt van alle aandacht.
Zijn gezicht gaat in een grimas, zijn halsspieren gaan stram en stijf staan en hij klapt zowat half voorover. Het niezen heeft hem overvallen, hij had geen tijd om zijn zakdoek te nemen, het slijm hangt zowat overal. De omstanders maken zich, half proestend, uit de voeten. Hij doet alsof het hem niet stoort, snuit even en gaat door met wat hij deed (of vuurt eerst nog even een nieuw salvo af), maar vanbinnen hoopt hij: “alsjeblieft niet meer, jeuk ga weg, vade retro.” Hij beweegt zijn neus als een soort van schichtig konijn. Zijn hele lijf is geconcentreerd op het tegenhouden van wat er toch gaat komen, een vijandige en gewelddadige neusejaculatie.

Hij niest opnieuw. Mensen lachen. Hij mompelt iets verontschuldigend, zijn zakdoek voor de zekerheid in de aanslag houdend. “Je maakt het alleen maar erger, gek. Blijf van je neus.” Als hij even zou pauzeren zou niemand erover vallen, maar hij negeert het probleem hardnekkig.
Het niezen maakt hem kwetsbaar, het is ongewild exhibitionisme en maakt de omstanders tot voyeurs die moeten lachen om zelf geen schaamte te voelen.

Het ‘hatsjoe’ is het ongewilde gebed van de onmachtige die zichzelf op het toneel van de ander projecteert. Het vraagt: ‘wil me niet aankijken, want ik ben maar een lichaam, vatbaar voor alles, ik ben zwak’. Het rukt zelfs de grootste ijdeltuit of egotripper uit zijn egotrip.

Niezen is als onbeantwoorde liefde. Het gevoel is niet voluntaristisch maar breekt door tijdens een trip met de auto als je alleen bent. Je denkt aan haar gezicht en iets dat ze zei en er trekt plots een regen van zijden messen door je lichaam. Je wilt haar aanraken maar je hoopt dat ze je geaffecteerdheid niet zal zien als je bij haar bent.

Gelukkig: niets dwingt je om te niezen en om jezelf op die manier te verraden. Er gaat geen fysiologisch onbedwingbare kriebel mee gepaard. Je kan het voelen, de emotie die door je lijf giert maar het is hooguit te merken aan wat extra zweten, stamelen en je stem die nu en dan omslaat.

Misschien is de eerste onuitgesproken verliefdheid het mooiste moment, want wie zegt dat ze straks op je gebeden in zal gaan? De kans is groot dat je straks met snot in je handen voor haar staat en dat je hoopt dat je verder zal kunnen zwijgen. Maar eens de stortvloed is begonnen is het nog maar moeilijk om hem weer te stoppen.

Ze denkt vast “Nu ja, die jongen is verliefd.” of toch "Wat een domme sukkel?" Je wilt spot noch mededogen, dus het maakt niet echt uit. Je zou willen dat ze je lichaam bespringt en je geest zou gaan bewonen. Ze doet het niet.

Gelukkig: niets dwingt je om te niezen en jezelf op die manier te verraden. Maar wat, als ze toch ja zou zeggen? Wil je die kans dan wel missen? En ach je kent jezelf, je bent immers zo’n ijdele man, die maar wat graag aan zijn hand iets moois in de spiegels ziet voorbijglijden.