donderdag 20 oktober 2011

Vernon

Vernon, je loopt mijn shit echt op te fucken,
Omdat je na onze tijden van bevroren pizza en online war,
Weer in het heimatlige Duitsland zit te plukken,
Aan je ouwe katholieke en muffe heremietenhaar.
En je, jezelf ondanks, toch zoals je vader bent geworden,
Je zei, schuimbekkend uit je mondhoeken,
Of toch een beetje woest,
Misschien is dat ook wel overdreven,
Maar je was pissed als een emmer,
“China is een salonfähige dictatuur,
Het proletariaat heeft er niets in de soep te brokken,
Ze hebben niets,
Behalve de keuze om te sterven,
Als ze het allemaal te zwaar vinden,
En dan nog moeten ze eerst,
Achtenveertig formulieren invullen,
Maar onze intellectuelen, och,
Die vinden het reuze,
China, wat een land, hoera,
Oke dan, akkoord,
Als je er niet hoeft te wonen,
Het heeft mooie tempels.”
Vernon, wat was ik met je statements,
Je verdronken ogen vol politieke leuzen,
Je kon altijd het luidste roepen,
Was ook de scherpste van de bende,
Er moest geen halfdoorbakken linke hipperd zonder argumenten,
Geloven dat hij zijn bek open kon trekken, of oreren,
Voor een altijd lege kerk,
Want je sloeg al zijn coole tanden in,
Dialectisch dan, en metaforisch ook,
Maar hij bloedde er daarom niet minder om,
Je had alles, was mijn favoriete nihil dat niets rond zich maakte,
Voor je een godverdomd mysticus werd,
En op jezelf ligt te sterven,
Met tranen in je ogen,
van "oh boe hoe hoe, wat is God toch machtig,
ik denk dat hij net in mijn reet is klaargekomen."
Toen je, schreeuwend naar de rijken met hun bergen,
En zat en murmelend en met brakend gemoed,
De gal over de wereld spoot, maar de goedheid bezong,
“We hebben niet minder tragiek nodig maar meer.”
Was je een mens onder niet-zo-mensen,
En bijna-beesten meestal, vooral op vrijdag,
Als het werken was afgelopen, en ze allemaal tegelijk,
In je werkloze rijk binnenstroomden, en je,
Bommend en brommend, lelijk en grijs met je armen op de bar,
Een verfomfaaide presse papier, een zwaarwegend mens,
Kapotgedrukt onder zijn eigen massa,
Zei,
“Het is niet omdat het leven farsicaal is,
Als een grote domme grap,
Dat je voor niets of niemand nog ontzag moet hebben,
Of je verschoond bent van het kosmische plan,
Dat slechts uit één woord bestaat.”
En als er één iemand was die naar je luisterde,
En je wijsheid door je voddig vel heen zag,
En vroeg welk woord, dan zei je,
“Als je daar godverdomme naar moet vragen,
Dan ben je het niet waard dat ik het je vertel.”
Laten we maar niet denken,
Aan wat je bent geworden,
Of de lust bekruipt me nog om naar je toe te komen,
Met de slee, de paardentram of desnoods zelfs vliegend,
En nu ook zelf alle tanden uit je bek te meppen,
Jij ongelofelijk hypocriete zeikerd.

zaterdag 15 oktober 2011

The 3 poets of the revolution, and the aftermath of the not so glorious things that followed it.

Don Rilobago was the first one,
The one we got to know and love,
Because of CNN and FOX and Al Jazeera,
Before we killed them all,
Those pesky journalist bastards,
Those slaves of the old and obsolete system,
Who gave us so much entertainment,
And never got anything in return,
Except big cash, some respect perhoops and,
In the end,
The removal of their guts,
And hooks in their asses and bullets in their brains,
If they were lucky.

We had come to know the Don, the first one,
For characteristically wielding his mighty axe,
Which he held to be a pen,
Which it really wasn’t,
Since pens are perhaps able to cause nasty wounds,
Limited, but not exclusive, by writing with them,
But surely can’t sever heads,
Not really they can’t,
Though of this we are not really sure.

Allegedly the Don was sitting,
On his couch, and holding on to the misses,
It was one misty November evening,
In the year 2000 and seven,
Snug and cozy and all that shit,
Feeling nothing but retarded and obese,
When disaster snuck in,
The gardener planted in his cortex,
The seeds of this so called revolution,
Malcontentestism, le mal du siècle,
Ennui and a tad of great great anger,
And they settled firmly in his head,
Causing his eyeballs to slightly pop,
Making him look like a lunatic or a beaver,
He hollered:
“No more, this plastic life,
Go get my weapon, wife!”
He yelled some more and soon left,
To be next seen again,
On the barricades,
Enraged, entranced and tearing it all down,
Not much unlike a rabid clown,
But crying.

Messieur Le Freug was the next,
The Frenchman,
Denouncing country and humanism,
Which really left him nothing,
But violence.
We loved him,
For the unholy, uncompromising, herolike bombing,
Of all things holy in the sacred congregation of
Mcdonaldism, Applianity and Nikesneakery,
Making heads and bodies explode as he trod forth,
He pointed out to his brethren,
Revolutionary scum of impure breeding:
“No one is to be regarded as innocent,
As long as they are stuffing their faces, still,
Breathing and decorating their bodies,
with the object fetishes, the goddaring symbols,
Of a criminal and unhappily crumbling system,
Let us annihilate them all, without shedding
Redundant and wasteful tears,
Salt water better spent,
On the inside of our heads,
Better yet,
Let us kill them all, smiling!”
So kaboom!
Went the so called innocent,
Losing their organs in the process,
Of exploding and combusting,
But not to worry,
For a just cause they fought.
They even had a slogan,
But it soon got lost, unfortunately.

The third one (of the poets) yelled:
“Hang them by their necks,
Lynch their children and rape their wives!”
Him, awoken in bloodlust, our last scribe and murderer,
The most wretched one of the mighty three,
In this revolution that came from nothingness
And ended nowhere,
We cannot even name,
For centuries to come,
Grand and magnificent his legacy will be,
And of extremely poor esthetics.

Very swiftly he died,
In a storm of stabs and curses,
Squashed and squeezed,
Like a rather dangerous dung beetle.

On his grave they wrote, in simple English,
“He sure killed a lot of people,
For the cause,
And achieved nothing,
Which is just as much as any of us,
But at least he tried.”
This is what beauty has come to,
A grim and compact and primitive thing,
They finally killed that ugly freak,
Called postmodernism,
Though some deny it.

Now in this world without brands, enterprises or banks,
Nor hope and love, nor security and things like that,
I cannot remember sleeping well for one single night,
Even when it has been fifteen years,
(Has it? Who still has the courage to keep track of these things?)
But oh well, in the past we all paid a little for progress,
Or so we thought, because the truth was hidden,
And it turned we hadn’t progressed at all,
Glorious, however, was our self-deception.
Now,
The criminally insane have finally come out of their closets,
No more are they wearing banker suits,
And we are free, it is true, although,
The truth we have gained seems limp,
In this arid wasteland, in the abyss of all of our past ventures,
Here, we failed in all our endeavors,
We have lost nearly everything,
Not because we fought,
But because we fought too late,
And hopelessly.

donderdag 6 oktober 2011

“De nieuwe I-phone gaat echt superwijs zijn” – Interview met God de vader.


Hij heeft het de laatste tijd superdruk, maar hij wilde toch even een gesprekje met ons voeren, op voorwaarde dat het alleen over zijn lievelingsgadget zou gaan. God is een fan van Apple van het eerste uur en een fervent I-pod-mac-phone-gebruiker.


Wat sprak u eigenlijk aan in de I-phone, toen u er het eerst over hoorde?


God, Allah de Almachtige Vader Inshallah
: Ik denk dat het vooral de gebruiksvriendelijkheid en de mogelijkheid tot het implementeren van allerlei applicaties moeten geweest zijn die me zo aanspraken. En het feit dat hij er retegaaf uitziet, natuurlijk. [lacht]


Wat is uw favoriete applicatie?



GADAVI
: Oh, ik heb er massa’s, veel games, ik hou wel van strategische dingen, maar ook meer werkgerichte toepassingen. Een leuke is bijvoorbeeld deze ‘death clock’ die op basis van een paar gegevens uitrekent wanneer je gaat sterven. Ik gebruik het Grote Boek niet meer sinds ik een I-phone heb. Ik gebruik mijn telefoon ook als MP3-speler.


Hebt u Steve Jobs al ontmoet?


GADAVI: Steve konden we helaas niet toelaten, hierboven, maar ik heb afgesproken om hem te ontmoeten volgende week. Hij wilde met me praten over iets revolutionairs dat de toekomst van de digitale communicatie voorgoed zou veranderen.


Waar zal het gesprek dan over gaan?


GADAVI: Wel, ik wil hem eerst een handtekening vragen voor mijn zoons Isa en Mo, maar dan gaan we over zaken praten. [zwijgt enigmatisch, en diep, diep als de diepste donkere bodem van de oceaan]


Komaan… wij kunnen zwijgen.


GADAVI: Ik wil niet uit de familie gestoten worden.


De familie?


GADAVI: Ja, de Apple familie. Ik zou het niet overleven denk ik.


Maar u ben tijdloos en onsterfelijk!


GADAVI: Misschien wel, maar wat is de eeuwigheid zonder sociale media en games? [zwijgt, maar barst dan enthousiast uit] Nou goed, een klein tipje van de sluier kan geen kwaad! Er komt een celestial edition I-phone aan! Een speciaal apparaat toebesneden op de noden van hemelse wezens!


Een A-phone? Een Angel Phone?


GADAVI: Precies zo! Ik kan er nog niet veel over zeggen! Maar de nieuwe I-phone gaat echt superwijs zijn!


Welke noden hebben engelen zoal? Ze zijn toch ook onsterfelijk en immaterieel?


GADAVI: Wel, er komen nogal veel applicaties die te maken hebben met gouden lepels en rijstpap eten. Er komt ook een aureoolmanager en een wingtrainer. Verder denken we ook aan een soort van zielenmeter met muziek. [wordt nu echt heel enthousiast] Het geniale aan de technologie hier in de hemel is dat je geen rekening moet houden met de wetten van de fysica. Hier geldt alleen de metafysica. Dat wil bijvoorbeeld zeggen dat de nieuwe I-phone oneindige bandbreedte gaat hebben voor internet en phoning, wel tot Hilbert-G! We kunnen de I-phone ook in het brein implementeren en er gladiolen uit laten groeien. En dat allemaal voor een luttele 700 euro!

U bent duidelijk heel enthousiast. Hoe zit het eigenlijk met de problemen op aarde, hebt u daar nog aandacht voor? Er moeten wel heel veel gebeden naar u komen, in deze tijd van crisis?


GADAVI: [zucht] De echte wereld is zo 2007 wetewel? Ik vind de virtuele wereld veel boeiender, veel weidser en veel beloftevoller. Nu Steve niet meer onder de levenden is zie ik eigenlijk geen reden meer om de schepping nog lang voort te laten bestaan.


Komt het einde der tijden er dan aan?


GADAVI: Het is te zien, als ik het op een leuke manier aan kan pakken wel, anders laat ik het nog een tijdje doorgaan. Het einde der tijden organiseren kan heel vermoeiend zijn. Ik ga eerlijk zijn, ik ben redelijk depressief geweest, de afgelopen honderd en wat jaar, ik heb de dingen wat laten slabakken. Maar, misschien kan Steve wel een soort van Apocalyps applicatie laten ontwikkelen of zo. Ik ga het hem zeker eens vragen, en ALS het kan dan is het zo goed als zeker dat ik de wereld laat overstromen/kapotbranden, of nog iets veel coolers. Wie weet? The sky is the limit in de hemel! Dat is het leuke aan deze tijden, alles blijft hetzelfde, dezelfde shit als altijd, maar het ziet er zoveel wijzer uit, it's the recombination into total wickedness and we are living in the age of infinite coolness. Woord!

maandag 3 oktober 2011

"Noemt u me maar Willy" - Interview met professor Graagzat


Recent onderzoek van de universiteit van Eksaarde, de zogenaamde Eksenschool, heeft uitgewezen dat er een direct verband tussen het veelvuldig eten van frikandellen en obesitas bestaat. In de studie wordt er aan de hand van een aantal zeer frappante cases uit de Belgische politieke wereld, met als best gekende casussen Bart De Wever en Siegfried Bracke, verder ook geïnfereerd dat een sterke wil soms tot onverwachte vraatzuchtige gevolgen kan leiden. Frank zocht voor u professor Wilhelm Graagzat op en voelde hem aan de vettige tand.

Wij hebben altijd gedacht dat dikke mensen een klierprobleem hadden en dat er hen dus niets te verwijten viel, maar met deze studie veegt u deze hypothese dus van de baan?


PG: Oh, we hebben ze wel degelijk heel veel te verwijten hoor, die "onschuldige" dikke mensen. Na een uitgebreide empirische studie en een degelijk statistisch onderzoek, ik ga u de precieze wetenschappelijke details natuurlijk onthouden, is er een heel interessante conclusie uit de bus gekomen: doorsnee genomen eten dikke mensen meer dan dunne mensen. Wat meer is: ze eten ook veel ongezondere voeding dan dunne mensen, met meer verzadigde lipiden en koolhydraten. Ze eten bijvoorbeeld zeer veel frikandellen, die ze haast zonder kauwen in hun ‘bek’ hengsten, als u het me verschoont dat ik me zo zoölogisch uitdruk. Ze lopen ook trager.

Trager?

PG: Na een extensief vergelijkend onderzoek met controlegroepen is gebleken dat dikke mensen echt wel trager lopen dan dunne mensen, doorsnee gezien dan. In lipido inertium est!

Hoe komt dat volgens u?

PG: Het is altijd gevaarlijk om te prematuur causale modellen op te stellen gebaseerd op een handvol gegevens maar ik zou toch wel willen opperen dat het waarschijnlijk komt omdat ze vreselijk lui zijn. Daar komt nog eens bij dat ze vaak uren in de wind stinken, waardoor het voor de medemens die gewoon een beetje van de natuur wil genieten of een stadswandeling wil maken zaak is om nog sneller te gaan stappen. Het is een perpetuum mobile, ziet u?

Ik stel hier de vragen. Hoe bent u eigenlijk bij Bart De Wever uitgekomen, professor Graagzat?

PG: Zegt u maar Willy, hoor.

Oke, Willy?

PG: Professor Willy, graag.

Goed, Professor Willy?


PW: Het probleem met statistisch onderzoek en controlegroepen is zo’n beetje dat het traag is en dat het soms voor beleidsvoerders die wij willen aanvuren met ons onderzoek moeilijk is om in te zien waarover het eigenlijk gaat. Gelukkig hebben wij op de Eksenschool een tool ontwikkeld die we “kleuterificatie” genoemd hebben en die ons kon helpen om meer mensen op een eenvoudige manier te overtuigen. Basically gaan we in Dag Allemaal en Story op zoek naar personen en verhalen die ons verhaal bevestigen. We zijn toen vrij vlug op Bart Dewever en zijn frietkotbezoeken gestoten.

Bart De Wever is dan een symbool, eigenlijk?

PW: Ik zou hem eerder monumentaal noemen, niewaar [lacht]. Maar alle gekheid op een stokje, Bart De Wever is inderdaad het archetype van de dikke, stinkende papzak die wij in ons onderzoek viseerden. Het staat ook buiten kijf dat hij veel frikandellen eet, dus dat klopte allemaal mooi met ons onderzoek. Toen we ons causaal model echter op hem wilden toepassen zagen we meteen dat er iets niet schorde. Bart De Wever is dan wel dik, hij is helemaal niet lui. Hij heeft zelfs een toppositie in de Vlaamse politiek, een positie die veel en hard werken vergt.

Dat was dus een probleem?


PW: Een behoorlijk probleem, ja! We gingen op zoek naar causale verklaringen voor dit natuurfenomeen maar aanvankelijk vonden we niets. Maar toen ik hem zo eens bezig zag in een speech is er bij mij een belletje gaan rinkelen. Hij gaat in de politieke ruimte tekeer als een beest, met zijn uitpuilende ogen en zijn handen bewegend, sarcastische woorden uitspuwend alsof zijn leven ervan afhangt. Ik dacht: “zo’n energie, dat lijkt wel een primaire drift te zijn, waardoor die man beheerst wordt.”

Zoals eten ook een primaire drift is?

PW: Precies! Ik ben dan op zoek gegaan naar stockbeelden van een etende Bart Dewever en wat blijkt: zijn gezichtsuitdrukking is 99 procent hetzelfde als hij een hamburger eet en als hij politieke discussies voert. Terwijl er in rust of in andere actieve situaties, zoals het zingen van de Vlaamse Leeuw, een aanzienlijke afwijking is. We zagen dus in dat zijn politieke drift en zijn eetverslaving met elkaar verbonden zijn. Hij is dus dik doordat hij er energie in steekt om dik te zijn! Het lijkt wel of hij zijn dikzijn zelf creëert, op een onderbewust niveau, door er bakken energie in te steken.

Hoe voert u dat op politiek niveau door?

PW: Meneer, ik ben natuurlijk geen politiek analist, ik ben een voedingsdeskundige. Ik zou niet kunnen zeggen of hij de politieke problemen die er nu bestaan ook creëert door er energie in te steken. Dat moet u maar aan politiek figuren als Tommy Hillfiger of Inimienie Smet vragen. Ik kan alvast zeggen dat zijn sterke wil verantwoordelijk is voor zijn dikheid. Terwijl het bij ons, magere sensibele mensen, natuurlijk net omgekeerd is, we blijven slank door onze sterke wil. De mens is werkelijk een uniek fenomeen, en Bart De Wever, ook, dus.

U hebt ook geschreven over Siegfried Bracke. U vermoedt dat zijn snor verantwoordelijk is voor zijn “verregaande seniliteit”, zoals u het zelf beschrijft. Wat bedoelt u daar precies mee?


PW: Wel, de heer Bracke stond vroeger natuurlijk bekend als een socialistisch georiënteerd journalist, maar heeft dan plots zijn kar geklikt en zijn paard richting de rechtsheid gekeerd. Wij vroegen ons af of dat niets te maken had met zijn voedingspatroon. Toen zijn we begonnen met beelden van Bracke zeer goed te observeren en het viel ons op dat hij vaak korrels in zijn snor heeft.

En hebt u die korrels kunnen identificeren?


PW: We vermoedden dat het ging om Parmezaanse kaas, en interviews bevestigden de plausibiliteit hiervan, hij eet die variant van zuivelproducten zeer graag op zijn spaghetti. Met deze informatie zijn we aan de slag gegaan. We hebben een controlegroep muizen genomen en de andere groep op regelmatige momenten besprenkeld met Parmezaanse kaas. De resultaten waren onthutsend. Terwijl de ene groep samenwerkte bij het verrichten van functionele taken en altegader de Internationale piepte, in eenheid verbonden, versplinterde de andere groep in een boel strijdende fracties die niets gedaan kregen en in het wilde weg bromden en piepten zonder iets van semantische waarde te produceren. We hebben de twee groepen daarna ook nog in een bokaal bij elkaar gestoken, en wat zagen we? De Parmezaanse groep begon direct met het indelen van de andere groep in categorieën van goed Muisschap. De kaas die werd bekomen werd met macht door de Parmezaanse groep tot monopolie gemaakt en onder de hunnen verdeeld. In de andere groep begonnen er meer en meer muizen dood te gaan, maar dat scheen de Parmezaanse groep niets te kunnen schelen. Eén extreem corpulente muis manifesteerde zich ook duidelijk als de leider van de Parmezaanse groep. Hij kreeg tot 95 procent van de kaas voor zichzelf, om op te eten, of vaker, om op te kakken.

Wat kunnen we hieruit dan concluderen?


PW: We werken nog aan de details maar het is heel waarschijnlijk dat de walm van de Parmezaanse kaas in zijn snor een soort van verrechtsend effect heeft op het brein van Bracke. De muizen in het experiment werden ook motorisch stommer, ze liepen veel vaker tegen de glazen wanden van hun kooi met hun kopjes. Dat was lachen. [lacht] Ik zou erg graag een proef doen om te testen of we Bracke met zijn hoofd tegen een wand kunnen doen lopen. Maar ja…[zucht] het zal nog lang duren voor Vlaanderen daar klaar voor is.

Waarvoor stemt u eigenlijk zelf professor?

PW: Och ja, ik ben getrouwd met de wetenschap en ik doe alles om haar vooruit te helpen, mijn stemgedrag is gestoeld op die oriëntatie. Ik stem dus al jaren op het Vlaams Belang, want negers in de wetenschap lijkt me echt geen goeie zaak.

Wat gaat u zelf eten vanavond?

PW: Bonen.

Smakelijk.

zondag 2 oktober 2011

Oude wanhoop roest niet.

Sterker dan de liefde van zinnen,
Deze longitudinale lijnen,
Of misschien de korte krenker,
Crêpepapier rond een mensenlijf,
Verstilde adem, grijs rondsluipen,
In de lage keuken, met gele lichten,
Je had witte tanden, ooit,
Waar moet dat godverdomme nog heen
Behalve naar beneden.

zaterdag 3 september 2011

Vast

Beweging en lawaai,
een mimetisch spel,
Verandering sluipt,
Al liggen jullie keikoppen niet,
In een rivierbedding,
Ze eroderen, toch, desalniettemin.

De besneeuwde vijvers van mijn oude heem,
Eronder, in doorsnee, een bescheiden woeker,
Zonder vrucht en licht, drinkend van het water,
Groeiend, en verder niets.

Huil, huil, huil,
Mijn lieve wolven,
Jullie botten werp ik weg,
Bedelf ik in lichaamsdiepe aarde
Wat leeft moet,
Janken, janken.

zondag 28 augustus 2011

Een unieke sales pitch OFTEWEL wandeling voorbij de wondertuin over de magische trap der...eu... magie!

Ik kwam Albion tegen op de trap, een grote kronkelende constructie van hout en steen die naar buiten ging en langs alle mooie en schone vergezichten van het landschap leidde , en hij was aan het afdalen en ik zei tegen hem dat ik wel een keer met hem mee zou willen afdalen om met hem eens een gesprek te hebben over de kunst en meer bepaald de kunst van het schrijven, en hij vond dat goed. Hij vertelde mij dat “het schrijven de laatste tijd meer en meer vroeg om een unieke sales pitch” en hij scheen dat heel erg vanzelfsprekend te vinden, maar ik, ik wist eerlijk gezegd niet wat dat was, zo’n sales pitch, dus ik zei hem maar dat hij een zot was, een lelijke halvegare die niet goed wist waar hij over sprak, en hij zag ook wel aan mijn gezicht dat ik maar aan het zeveren was en dus legde hij zo goed en zo kwaad uit waar hij het over had, hij zei:

“Kijk Frank, schrijven is een beetje gelijk als tandpasta maken. Ge kunt gij wel tandpasta maken en dat kan supergoeie tandpasta zijn en ge kunt gij daar zelf van denken, “amai, godmiljaar, wat een lekkere tandpasta heb ik hier gemaakt, en ze is nog goed voor uw tanden ook”, maar de eerlijke waarheid is dat niemand daar eigenlijk een fuck, een kanker of een reet om geeft. Weet ge waarom?”

Ik haalde mijn schouders op en ik wreef aan mijn neus want al had je mij doodgeslagen, ik wist bij de goede gratie van onze lieve heer, God de Vader, niet waar hij het over had, en ik dacht dat twee keer zeggen dat hij een zot en een charlatan was misschien wat te veel van het goede was. Ik was serieus verbouwereerd maar voordat mijn bek helemaal met zijn onderklep tot tegen de grond kon vallen ging hij verder met zijn verhaal.

“Het kan de mensen geen kloten schelen dat uw tandpasta goed is omdat het de mensen niet kan schelen wat gij doet. Gij schept trots in uw daden, maar zij geven daar niet om. Gij werkt gij maar en ge doet uw best en ge voedt gij uw gezin, als ge al zo gelukkig zijt om niet helemaal alleen op de wereld te zijn, want het is godverdomme een miserie om met iemand samen te leven die ge dan ook nog eens graag ziet en om daar iets mee op te bouwen, maar dat is nog een ander verhaal. Maar hoewel dat voor u helemaal niet vanzelfsprekend is dat ge al die dingen doet en dan nog probeert om een beetje vrolijk rond te lopen en een goede mens te zijn voor andere mensen beschouwt iedereen dat als de normaalste zaak van de wereld.”

Ik knikte een beetje willekeurig met mijn hoofd want ik vond dat hij daar toch wel heel ware dingen aan het zeggen was, maar ik wou hem ook niet te veel gelijk geven omdat ik zelf ook wel vond dat ik zulke analyses kon maken en ik niet echt van plan was om toe te geven dat hij veel snuggerder was dan mijnzelvense persoonlijkheid. Albion is altijd al een clevere kerel geweest, maar hij is toch ook een beetje zot in zijn kop en hij heeft niet de klare kijk op de dingen die ik wel heb, zoals ik zelf graag geloof. Hij scheen niet echt op mijn knikken te letten, en ging weer verder met zijn verhaal.

“Nee nee, ofwel zijt ge een inspiratie voor het volk, voor jan en alleman, heeft zelfs den onnozelste proleet al van uw naam gehoord, ofwel kunt ge voor hun part aan uw darmen aan één of andere knotwilg gaan hangen.”

Ik begreep nu toch ook niet echt meer waar hij naartoe aan het gaan was met heel zijn redenering en mijn voeten begonnen zeer te doen van het stappen langs die prachtige vergezichten op die vreselijk lange trap en ik wou toch eigenlijk ook gewoon naar huis gaan om in mijn hof te gaan zitten en naar de bloemen op mijn Japanse Kerselaar te kijken, of ervan te dromen want zo laat in de zomer stonden er al lang geen bloemen meer op dat ding, wat me godverdomme deed wensen dat het één van plastic was geweest, dan had ik er tenminste nog iets aan gehad.

“Als en éénmaal ge natuurlijk een inspiratie voor het volk zijt kunt ge alles verkopen, dan moet uw kop maar op een tube tandpasta staan, al is ze gemaakt van vissenschijt, ze zal verkopen. Snapt ge het?”

Ik zei dat ik geloofde dat ik het snapte maar dat ik toch ook niet goed begreep hoe je dan een inspiratie voor het volk kon worden als niemand ooit een fuck, een reet of een kanker gaf om wat je deed, in de eerste plaats. Het was al zo moeilijk om promotie te maken met een leger van nepotisten aan je zijde en het leek me echt onmogelijk om het op je eentje te doen, met niemand die van je hield, en desnoods geweld wou gebruiken om je aan een positie of een jobke te helpen. Daar had hij een simpel antwoord op.

“Er zijn twee manieren. De eerste manier is de volkomen willekeur. Ge wordt gewoon bekend en geliefd en geprezen omdat ge meer ‘piet’, meer chance hebt dan de volgende sukkelaar in het grote systeem.”

Ik vroeg hem over welk systeem hij het had maar dat vond hij een belachelijke vraag, dus hij ging, niet zonder al te veel schimpscheuten, over naar het volgende deel van zijn intussen al magnifieke exposé.

“Maar dat is natuurlijk geen echte methode, die eerste methode. Dat is meer gewoon chance hebben, een gelukzak zijn. Het is een beetje zoals gans uw leven aan de lopende band sigaretten paffen en toch geen kanker krijgen: ge moet er een beetje piet voor hebben. Er zijn verschillende soorten van zulk geluk. Ge kunt bijvoorbeeld een rijke of bekende papa hebben en zo al direct bekend zijn. Of ge kunt gewoon een dikke fluit hebben waar iedereen op trapt. Ge vergeet niet rap een vertrapte fluit, kan ik u verzekeren. Snapt ge het?”

Ik zei dat ik dacht dat ik geloofde dat ik het begreep, en toen ik even verder over de dingen nadacht wist ik zeker dat ik dacht dat ik geloofde dat ik het begreep, alvast dat zei ik toch. Albion ging verder, hij kwam intussen op een polemische snelheid waarvan een kruisraket zou beginnen zweten zijn, mochten kruisraketten ooit iets anders doen dan arme sukkelaars die het niet verdiend hebben naar de verdoemenis knallen.

“De tweede methode is dat ge een unieke sales pitch hebt, iets waarmee dat gij opvalt boven al de rest, en ook al is het nog zo absurd, het maakt echt niet uit wat het is, als ge maar iets hebt. Ge kunt bijvoorbeeld de enige tandpasta in de wereld hebben die volledig gemaakt is uit gerecycleerde kippensnavels. Of een tandpasta hebben die behalve een hygiënemiddel ook nog eens een goed huisdier is, als ge ze niet na den twaalven eten geeft, want anders zouden de dingen wel ne keer gevaarlijk kunnen worden. Snapt ge…”

Ik kwam vlug tussen en ik zei dat ik het wel snapte en dat hij dat niet altijd moest vragen en tegelijk keek ik naar buiten over de groene velden en naar de grote waterval en ik dacht aan de gratie waarmee de donkerpaarse spaagmakrelen door de rivier zwommen. Ik moet zeggen dat ik bijna begon te bleiten, van aan zoveel schoonheid te denken, het is echt waar. Albion, de ongevoelige mens die hij was zijnde, en niet dus de niet ongevoelige mens die hij niet zijnde was wezende, ging gewoon door met zijn verhaal alsof ik niet de diepste en schoonste natuuremoties over spaagmakrelen aan het voelen was die er te voelen waren.

“Awel”, zei hij en daarna, “awel, ge snapt nu waarschijnlijk niet wat dit allemaal met de belletrie, ofte het schrijven van heel schone geschriften te maken heeft?”
Ik moest in alle eerlijkheid toegeven dat ik er niets van snapte en ik gaf meteen ook toe dat als ik er wel iets van gesnapt zou hebben dat ik het dan niet eerlijk zou zeggen. Albion zei me dat hij mijn eerlijkheid daardoor nog meer apprecieerde en we hadden efkes een moment van innige vriendschap, een echt teder moment, dat door de ongevoelige aard van Albion volledig aan hem voorbijging, maar daarom niet minder oprecht was. Hij zei:

“Ook in de schoonschrijverij hebt ge dus een unieke sales pitch nodig, want het kan de mensen geen kloten schelen dat ge schrijft en het kan ze nog veel minder een hol schelen dat ge goed schrijft en dat ge daar een stuk van uzelf in steekt als ge schrijft. Ze willen bij u gewoon iets lezen waardoor ze hun muil opendoen en dan “aaaah” zeggen of iets waardoor ze hun muil sluiten en zachtekes binnensmonds gaan slikken of huilen of hoe dat ze dat ook doen want in alle eerlijkheid bleit ik nooit en ik vind het voor sukkels en losers en moeders van gehandicapte kinderen.”

Ik gaf toe dat vooral die laatste groep recht had om te bleiten aangezien ze waarschijnlijk een moeilijk en zwaar en vooral onderschat leven hadden, vooral als ze dan ook nog eens beschoten werden door kruisraketten, zoals Albion ook nog opmerkte.

Ik zei dat het tof was dat we het eens waren maar hij zei “bwoa ik weet het niet” en ging verder met zijn betoog.

“Bijvoorbeeld. Als ge nu iets gaat schrijven over uw heel grote gevoelens die ge hebt bij de verschrikkelijke hypocrisie en gemakzucht van het menselijke intellect kunt ge niet zomaar iets opschrijven over de gemakzucht en hypocrisie van het menselijke intellect. Ge gaat dan iets moeten schrijven over iets anders waarin dat verwerkt zit. En dat “iets anders” moet dan uniek en/of meeslepend zijn en hen doen lachen of bleiten of hen gewoon heel kwaad maken of liefst alledrie tegelijk.”

Nu zag ik dus echt niet in hoe je zoiets kon bewerkstelligen en ik was bovendien niet heel erg aan het nadenken over zulke dingen aangezien we langs glazen panelen passeerden waarachter zich een ondoordringbaar en met wonderen gevuld regenwoud bevond. Een goudkleurige kikker met een bronzen foef kwam voor de ruit staan, deed met zijn linkerpoot zijn kroon van zijn hoofd en zei: “patsjoelie” waarna hij wegsprong en nooit, maar dan ook nooit meer terugkwam. Allez, eigenlijk weet ik dat niet want we stonden hooguit vijf minuten aan de venster daar, maar ik moet ook in iets geloven want anders stort alles in elkaar. Ik zei alleszins tegen Albion dat de natuur prachtig was, en hij was verbaasd omdat ik normaal gezien niets dan minachting voor de natuur heb en voortdurend op planten en bomen loop te fluimen. Albion zag door de verwarring die volgde op zijn verbazing de kans om nog even verder te gaan met zijn argumentering over de schoonschrijverij.

“Ge kunt dus niet gewoon schrijven “mensen zijn dom en hypocriet en gemakzuchtig”, want dan gaan de mensen al na de eerste woorden afhaken of ze gaan ze lezen en denken, “ja so what hé” en gewoon verder aan hun fluit gaan trekken of op hun muis gaan klikken, verzeild in een eindeloos spelletje computerpatience. Ge moet een kaderverhaal maken en de mensen intrigeren met complete overbodige bullshit om dan slinks en heimelijk zo langs de kantlijn en tussen de lijnen door uw boodschap duidelijk te maken. Ge kunt bijvoorbeeld een verhaal schrijven over een kolibrie die kan praten en die nog gediend heeft in de tweede wereldoorlog, maar voor de verkeerde kant. En die kolibrie heeft dan een minnares en die is gewoon bij hem omdat ze gehypnotiseerd is door de snelheid van zijn vleugels. Dan spint ge één of ander verhaal uit over die stomme kolibrie met zijn dwaas wijf en ge laat hen constant domme dingen doen en gemakzuchtig zijn en hypocriet zijn en dan op het einde laat ge ze in een ravijn vallen en zegt ge “ha ja, schoon dingen, eigen schuld, et cetera.” Zo kunt ge dan de mensen in de val lokken om dat wat ge geschreven hebt te laten lezen.”

Ik zei tegen Albion dat ik het een heel cynische manier van denken over het schoonschrijven vond die hij daar hanteerde en dat ik dacht dat het toch allemaal om diepgang en oprechtheid ging. Hij lachte heel luid nadat ik dat had gezegd, niet omdat hij het grappig vond wat ik zei, maar omdat hij me belachelijk wilde maken, of het kan ook dat hij ergens in de tuin iets grappigs zag. Hij zei:

“Oprecht! Diepgang! De mensen willen op hun gat van een bloody mary drinken en verhaalkes lezen over een tovenaar die dingen uit zijn hol trekt en er dan wijven mee naait! Mensen willen toch geen diepgang en oprechtheid? Hun leven is zo al deprimerend genoeg. Als ze oprechtheid en diepgang willen kijken ze wel naar de pepe die van kop tot teen vol tumoren zit en daar al een paar weken ligt te sterven. Wat gaat gij met uw boekskes dan diepgang geven, ge komt nog niet eens tot milde ernst, vergeleken met wat er allemaal gebeurt in de armzalige klotelevens van al die sukkelaars!”

Ik vond het een interessante gedachte, die Albion daar opperde en ik wilde er net iets dieper op ingaan toen ik mij daar toch mistrapte en zo pardoes naar beneden viel van de trap, vierhonderdduizend treden diep. Ik brak mijn nek en was steendood en Albion ook want die had ik meegesleurd, zoals ik voor de geloofwaardigheid misschien beter direct had gezegd, maar ik dacht “kom ik zal eerst over mijzelf praten en dan zullen we wel over iemand anders praten, ik ben toch uiteindelijk de protagonist van dit verhaal”. Ik was op slag dood na mijn val, en Albion ook, zoals ik niet naliet van op te merken, en daardoor was het gesprek over de schone letteren zowat afgelopen, zoals dat gaat. Maar goed, mijn voeten deden gelukkig geen zeer meer, en dat was toch ook al iets.

Postmodernistische noot: dit is allemaal morgen gebeurd, en vertakt in de breedte.