zaterdag 16 april 2011

Klischee

There’s a strain of cyanide in our veins,
It hasn’t killed us yet, but it will someday,
The future is bleak and hopeless, I fear,
It’s so hilarious, I’m making silly faces,
At the obscene demiurge, at our crazy maker,
But he doesn’t seem to notice,
He has to be blind or stupid, or both.

We’ve been living this pestilent dream,
We call life, eksistens, the waking sleep,
For quite some goddamn fucking time,
Makes me wonder when our luck will run out.

My body softly chills me, as I sit on the flesh of my ass,
The spring rain is pouring down all over my tired face, I’m
Thinking about the mesmerizing quality of your wonderful eyes,
About the shaking rhytm of your thighs, of your hips and belly,
About the osmotic soundwaves leaving your mouth and lips,
I cannot rid myself of the verbal clichés,
So I won't say a word, no description fits,
Except perhaps that,
It really is,
Quite something.

We are deeply involved with hiding the obscene and awful truth,
That life is a cruel and frigid bitch, and that
We’re not very successful in masquerading this plain fact.

No,
It is like an adamant stain dripping from our lower bowels,
The shit keeps leaking out, leaving nothing but filthy towels,
In the end, we will all be dead and in the soil, tainted by mud,
Scratching ourselves, talking these dirty vowels, no more.

But while we wait, let us drink
Some misery and a drop of joy,
Kiss me quickly, before the long,
Dawn comes again and blinds us,
my sour- and sweetness,
Do it promptly, act,
because of words alone,
we won't make it, not now,
in this springtime,
desolateness.

dinsdag 5 april 2011

Playtime of two lukewarm lovers.

"To M., who is not my lover, but with all the love I can muster." F.D., on his blog, disguising a dedication as a quote

In the hall,
through which we seared,
Leaving the wooden boards,
Of the dark and smooth surface,
scorched beyond recognition,
The clock is tick tock ticking,
The plates are well guarded
In the cupboard,
Not a thing is breathing,
We are living in the bedroom,
We are quilts of flesh.

You are a delicious creature,
Beautiful beyond my language,
I will not try to describe you.

I told you:
“Bliss is brittle,
Happiness, once achieved,
After the toil and travel,
On the long and shady road,
Of despair and failing,
Is a mere smile,
Forever lost in an instant,
Torn down like,
The organic treepapers,
Their veins, their tissue,
The ugliness of the flowerless,
The hopes and dreams,
Of thoughtless things,
All killed by the unconscious wind.
Still.
Will you smile at me?
Give me a small peck?
It will only take a second.
And afterwards,
We’ll go out and get a pizza.“

Your lips touch my cheeks,
We become more like the room
And less like humans,
History has just ceased to be relevant,
And a new narrative smoothly unfolds,
It will all end in disaster,
But I'm not complaining.

zondag 3 april 2011

Neonbord.

"Je voudrais bien manger,
encore un croque messieur."
Pierre Bourdieu, Brasserie L'enfer

Mijn vlees kronkelt om je naam,
We wassen je voeten met zand,
Diepe domme kloven om te dichten,
Nog een triljoen mijl te stappen,
Waarom heb ik mijn autoped,
Alweer verkocht?
Laat je ogen op mijn ziel rusten,
Ik weet het,
Ze is niet makkelijk te ontdekken,
Ik denk erover,
Om een neonbord te laten installeren,
Met daarop “mijn ziel”
En ook nog “welkom”.
En “vergeet de gids niet”
Maar dat mag allemaal niet te veel kosten,
Want ik heb geen rotte rotte cent,
En ik ben een gierigaard bovendien
Misschien maak ik gewoon zelf,
Een bord van bordkarton.
Ik houd het in beraad,
Ga het grondig overwegen,
Maar zou je me in de tussentijd,
Willen zoenen?
En zo ja,
Is er nog tijd om even snel,
Mijn tanden te poetsen,
En ga je deze pauze niet gebruiken
Om van me te vluchten?
Mercikes.

woensdag 30 maart 2011

Buhuizi

Tijdens een niet wakend moment,
van de blauwe ademstille nacht,
Kwam een grijsaard in mijn vertrekken,
Hij stelde zich voor als Buhuizi,
bekeek me met een glimlach op zijn lippen,
En boog zich over mijn slapende gezicht.

“Je gelooft dat je in de put zit,
Tot je ziet dat je zelf de put bent,
En dat er niets is om in te schuilen.

Je ziet een ooievaar, een wolf, een vrouw
En kreunt onder hun schoonheid,
Maar de last is licht,
als hij een deel van je lichaam is,
als een voortdurende kracht.

Een eeuwigheid geleden was je oud als ik,
Je vrouw van je heengegaan, je kinderen overleden,
De tranen kwamen voor maanden, maar weken,
Jij maakte hen dood en levend, je speelde
En kon alleen nog lachen,
Je werd onverwoestbaar.

Zie die dingen, jij bent die dingen,
Hoor die dingen, jij bent die dingen,

Als het licht is, hoef je niet meer te zeggen,
Wat er voor je staat.
Als je weet hoef je niet meer te denken,
Aan wat er kan gebeuren.
Als je liefhebt, wil je geen verlangen,
En leef je als de dageraad.”

Mijn lief wekte me,
Door mijn slapen te kussen,
Ze zei,
“Je praatte tegen jezelf,
In je slaap.”

Ik was verbaasd,
Mijn hoofd deed zo ’n pijn.

Ik bewoog mijn ogen,
tuurde naar buiten,
Op het raam dauwdruppels,
Tienduizend exemplaren,

Ik zei,
“ Ik zie niet in,
Wie er anders is,
Om mee te spreken.”
Toen werd ze kwaad,
en begon ze te huilen,
met mijn kolkende gelach,
kon ik haar niet troosten.

zaterdag 26 maart 2011

Mijn ziel is een grazende geit.

Dedicated to Carson McCullers, whose heart was a lonely hunter.

Mijn geest beefde en alles was afgelopen. Onder me lag ze, met haar bleirende blauwgeschminkte ogen, als een porseleinen popje uit een winkel vol afgedankte waren, als een travestiet misschien, niet als een diva of als een prinses. Mensen zijn als gebouwen, na hun gave jaren brokkelen ze af. Sommigen behouden hun charme en anderen zijn fitness voor de sloophamer. Ze was me dierbaarder dan mijn ogen.
Enkele minuten daarvoor penetreerde ik haar alsof er geen morgen zou komen. Ze nam ze gelaten in zich op, al die gewelddadige vibraties. Om haar mondhoeken geen rimpels, maar diepe lachkloven, haar tanden waren gelig. Ik kuste haar tong en ze likte mijn lippen. “Zout, zout is het verlangen”, dacht ik en daarna zei ik luidop, “ik ga komen.” Ze spoorde me aan, zette haar nagels in mijn rug. “Kom dan toch, mijn gekke eend.” Dat deed ik, alhoewel ik geen eend ben.

Het was allemaal weer tegengevallen. Ik had een dag en een nacht in de stad rondgelopen en me met geen levende ziel verbonden gevoeld. De winkels en stenen, de terrassen en yuppies, de moeders en de klokkenluiders, de vreemdelingen en de zon en de maan in de hoge blauwe lucht, alles was me onverschillig. Ik vroeg me af hoe Paracelsus zich voelde toen hij in zijn donkere kamer dag na dag aan zijn theorieën werkte. Zijn fascinatie voor het heelal, de aarde en de mysterieuze krachten was grenzeloos. Hij werkte zwetend en naarstig, vastberaden om alles te ontcijferen. Het leek me dat zijn persoon diametraal tegengesteld was aan de mijne, ik die me in niets of niemand interesseerde, die van de wereld en de dingen erin niet heet of koud werd.

De wereld, een grote kinderboerderij waarin bijna alles perfect te begrijpen was. De wroetende varkens, de loeiende koeien, de geit met haar voorspelbare stank, de domme kippen en hun eieren, de schildpad, traag en lui en egoïstisch en de kirrende kleuters met hun pijnigende, goedbedoelende maar willekeurige handen. Ik had alles doorzien. Alles behalve de grote vragen. Waar gaat het kieken naartoe als het dik genoeg is, waarom wordt het varken dik en wat geeft ons de kracht om voort te streven? Wat is liefde, en waar kan ik ze vinden? Hoe kan ik mijn hart en geest op orde brengen, en vrede vinden?

De dag kwam hard aangelopen en vertraagde toen. De tijd passeerde met dwergenschreden, maar uiteindelijk werd het donker. Ik was bleek en ongeschoren, mijn neus deed pijn en mijn borst sleurde me naar beneden. Ik slenterde naar het water en keek naar de weerspiegeling van de maan. “Oh rikketik, wat heeft het allemaal voor zin?”, zuchtte ik. Ik overwoog om in het water te springen, maar mijn legendarische lafheid hield me tegen. Plots kwam er een antwoord op mijn vraag. Ze antwoordde me met één of ander cliché, waarvan ik de precieze inhoud ben vergeten. Het kwam erop neer dat ik me geen zorgen diende te maken. Ik maakte me kwaad maar vergat daarbij dat ik me misselijk voelde. Ik kotste op haar schoenen.
Verbaasd en geschokt keek ze me aan, nadat ik me van mijn gehurkte positie had opgericht. Ze gaf me een klap in mijn gezicht. Ik bood haar aan om iets te gaan drinken. Het was een onwaarschijnlijk eerste afspraak. Een zombie, bleek, gedesoriënteerd en zonder veel energie dronk een glas bier met een volgekotste schoonheid en de wereld keek niet om.

“Mocht dit een fucking Hollywoodfilm zijn, hij trok volle zalen debielen”, zei ik.

“Je bent een Hugh Grant uit den Aldi”, zei zij. Maar ze vond de Aldi overigens wel een erg goeie winkel, dus dat zat wel snor. Ik vroeg haar of ze geen zin had om met me mee naar huis te gaan. “Om seks te hebben?”, vroeg ze. “Dat hoeft niet”, zei ik. Ze zuchtte en draaide met haar ogen. Ik was net Jezus Christus van de Aldi geworden, informeerde ze me.

Toen ik de deur van mijn huis achter me sloot kirde ze. “Hier woon jij dus?”, zei ze. En even later: “Wat een krot! Jij moet echt geen rotte cent hebben!” Ik haalde mijn schouders op en leidde haar mee naar mijn bed. Ik trok haar slip over haar voeten en stak mijn vingers in haar vochtige spleet. We zoenden. “Je bent het eerste meisje van wie ik eerst de onderste lippen voel, en pas daarna de andere”, zei ik. De rest was stilte en beweging.

Ze lag in de zompige warmte van mijn oksel. Haar voorhoofd leek te vibreren, alsof er ectoplasma uitstroomde. Ze glimlachte tevreden en ik keek bedrukt naar het plafond, alhoewel ik me vrij aangenaam voelde. Ze vroeg me waarom ik aan die brug had gestaan, die avond, maar ik slaagde er niet in om mezelf duidelijk uit te drukken. Ze begon dan zelf maar te praten.

“Ik droom van een huis in een glooiend groen landschap, waar mijn ziel als een eeuwige geit in de hei kan grazen. Waar het niet uitmaakt dat ik een verouderende vrouw ben, zonder kinderen en met sporadische huilbuien. Ik wil ook dat daar iemand is die van me zou houden, zonder dat de tijd er een effect op zou hebben. Een affectie die niet buigt door de corrosieve krachten van de gewoonte” Ze keek me vragend aan.

“Het leven is een orkestsymfonie voor dove mensen. Als er geen geluid is valt de dikke kop van de tubaspeler op, maar schoonheid kan je niet ontdekken, alleen mysterie”, zei ik. Ze lachte en porde me in mijn zijen. Ik legde mijn kin in haar venusplooi en deed alsof ik een baard had die gemaakt was van haar schaamhaar. We lachten en we zoenden.

"Binnen een jaar zal ze een herinnering zijn, binnen tien jaar zal ik haar niet meer herkennen als ze me op straat zou passeren, binnen vijftig jaar zijn alle mensen vluchtige wezens in de mist, en is het doodeng als ze uit het niets opdoemen", dacht ik en ik streelde haar haren.

“Ik leef in het langgerekte heden, ik heb geen toekomst en geen verleden en niets kan me redden”, zei ik. Ze vond het de grap van de eeuw.

“Ik had gisteren nooit vermoed dat ik met Sartre van den Aldi in zijn bed zou liggen.”

Lang leve lachende vrouwen, en mijn ongelijk.

maandag 21 maart 2011

Fuck off, David Hume

There are still
Two pillows in my bed,
They are lying there,
Unbothered by all things human,
Silent witnesses to,
The moments of my past life.

Maybe I should get rid of one,
Make a big fire out in the yard,
And commit it to the flames,

That’s what David Hume would do,
To a thing rendered useless,
A mystical, emotional object,
Unproven and stubborn,
Resisting with no struggle,
A thing of no value,
For all my homes.

No pillow will be distraught,
It would be like burning her,
Her human flesh and tar black hair,
Her oleander skin, her bouncy and
permanently resiliating chair.

My face droops,
As I see her, smiling, naked,
Loving me wildly,
Sleeping on my pillow,
Rendered useless,
As memories often are.

So fuck you David Hume,
I will do what I want,
Pursue my own foolishness,
Perhaps,
Insist on being unhappy,
As some would say,
My life has known great beauty,
But life’s no fucking eternal teenage party.

zaterdag 19 maart 2011

Lalapaloosa

Een dolle kreuner in het hooi,
Twee tijden doorkruisen onze duur,
We zijn geen gescheiden lijven,
Dichtgetrokken eenheid van het heden.

De rode bollen in het zwerk,
Geen sycofantendaden of verraad,
Geen wanhoop, geen misbehagen,
We ademen dense neutronen,
We zijn veel zwaarder dan we lijken.

Scheef praat ik jouw oren stuk,
Je wangen en je sluikse haren,
Als je lacht kan alles wachten,
Ik weet niet zoveel, na al die jaren,
We zijn verdoemde idioten.

Het zoet zwemen van mijn verlangen,
Is een kwalijke gifwolk .
Kan je het rumoer in mijn borst horen,
Kan je je huid naar me toe bewegen,
Dan zal de rest wel volgen, vast.

We hoeven niet meer te wachten,
We nemen alles nu, en hier,
Fastfood voor die illusoire kern,
die dwaze mannen, lang geleden,
de ziel noemden.