zondag 25 april 2010

De eeuwige terugkeer van hetzelfde.

“Take the plunge my baby,
For I can taste you want it now,
Take the plunge my sweet(ness),
Today, tomorrow, next week maybe,
we’ll both be obsolete(ness).”

"Living a life of rock and roll pretty much means being an asshole all of the time."

FD – Alone at night, thinking he is some kind of a plunge and living a life of supposed rock and roll.


Haar ogen waren karmozijnen saffieren, haar handen konden as levend maken, ze danste ’s nachts met dieren. Ze was voor mij de perfecte vrouw, een ultiem wezen in een verpakking van vlees. Hoe kon ik godverdomme zo blind zijn. Ze was als levervlekken op een gezonde huid. Maar het is makkelijk om te vloeken wanneer alles verloren is. Mijn woorden worden zoutige stenen in mijn mond.

Onze relatie begon op een donderdag. Donderdag was haar favoriete dag, vanaf dan. Mijn favoriete dag was en bleef zaterdag, omdat die dag het verst van werken aflag. Dat zou kunnen bewijzen dat zij van me hield en ik niet van haar, maar ik weet het niet, ik heb meer bewijzen nodig. Ik gaf haar een zoen en lag twintig minuten later al op haar te hengsten. Ergens begrepen we de verkeerdheid hiervan, maar liefde verdraagt geen traagheid. Ik kwam dan ook vrij vlug klaar.
Ze nam mijn buikje in haar handen en kneep erin. Ik nam mijn imperfectie voor waarheid en schaamde me niet. Maar voor haar bleef een (haar!) kont een flabbige reet, iets om te verstoppen. Dat kan en kon ik niet begrijpen. Ze kneep haar ogen samen, zodat er kleine kraaienpootjes verschenen.

Ze vroeg me, “Waar denk je aan?” en ik zei, “ik wil graag op zee worden begraven”. Ze zei: “De zee begraaft je niet, die kan je enkel verzwelgen.” Dat vond ik wel diepzinnig.

Ik nam me voor om onvoorwaardelijk van haar te houden, zonder reserves en vragen. Het was een breuk met mijn verleden.

Het verleden bestond (ruwweg) uit vijf vrouwen. Eerst was er de jeugdliefde die me uiteindelijk niet kon begrijpen. Dan de ware liefde die me had bedrogen en gekwetst. Daarna diegene die ik stal van een ander, analyseerde en daarna verpletterde. Dat was ook een goeie. Diegene die me rust gaf, waarna ik opwinding zocht en haar dumpte, was een triest laagtepunt van gemeenheid in mijn leven. Tenslotte was er diegene die me verknipte en zelf verknipt bleef tot we het allebei verknipten. Mijn moeder rekende ik er voor de eenvoud niet bij. Zij was de zesde, diegene van wie ik onvoorwaardelijk zou houden, zonder reserves.

Ruwweg zes maanden ging het goed tussen ons. Geweldig, zou ik bijna zeggen. We aten samen, vreeën samen, gaven elkaar gelijk op alle vlakken en wisten wat anderen niet schenen te weten. Ik nam haar mee naar de dierentuin en ik overtuigde haar dat elke individuele mens op een diersoort leek. Zwijnen, nijlpaarden, slangen en ratten waren ooms en tantes, vrienden en ex-minnaars. Ze moest daar erg om lachen. We achtten onszelf edelherten.

We deden het ruwweg drie keer per week. Seks. Voor meer bronstig aangelegden mag dat weinig lijken, maar voor ons was het voldoende. Ik maakte haar omeletten met kaas en pepers, ovenschotels met prei en spekjes, slaatjes met geitenkaasjes en al wat mijn rudimentaire handen konden maken. Ze gaf geen woord van lof en ook geen kritiek. We aten en praten, lachten en vreeën. In een goede relatie gaan voedsel en neuken altijd samen. Geen mens die ons kon of wilde storen.

Ik dacht: “Godverdomme, ik heb het geluk gevonden.”

De mens is een ijdel wezen.

Ik denk soms dat ze op dat moment had moeten sterven, of ik misschien. Dan had ik haar voor de rest van mijn leven gekoesterd als een oervriendin en als de liefde van mijn leven. Als ik nu aan haar denk zie ik alleen maar de grimas van haar van tranen verwrongen gelaat.

Op de dag van haar verjaardag werd ze plots ziek. Ik panikeerde compleet, omdat ik doodsbang was dat haar iets zou overkomen. Ik had haar een gedicht geschreven en haar sokken als cadeau gegeven. Ik verzorgde haar door hoge koorts bevangen lichaam, gaf haar te eten en te drinken en streelde haar tot ze kon slapen. Ik vond het sneu voor haar, zeker op haar verjaardag. De nacht begon, ging door en ik bleef bij haar waken, niet in staat om ook maar een uur te slapen.

Toen ze wakker werd, was de koorts weg. Ze lag in de holte van mijn lichaam en ik had mijn armen over haar heen geslagen. Ze sloeg ze met enige nuchterheid van haar lichaam en stond op om in de badkamer water te gaan drinken. Ik sloeg deze handelingen, die ze met onbloot lichaam uitvoerde, aandachtig gade.

Ik kon haar warmte nog naast me voelen, maar ze leek kilometers ver in die badkamer. Ik zag een meisje, een vrouw bijna, met een glas water en een niet onaardig maar ook niet perfect lichaam. Ik kende de contouren van dat lichaam, ik wist wat het wilde vertellen en hoe het dat kon. Ik was als een semanticus die na jaren van praktijk zijn taal had verkregen en zich plots afvroeg waartoe ze diende. Toen ze dichter kwam keek ze in mijn ogen en lachte ze. “Hallo slaapkop”, zei ze. Ze scheen me in mijn haren te wrijven. Ik voelde niets. De reserve was stiekem in onze relatie gekropen. Ik kon niet ophouden met huilen. Ze begreep niet wat er met me aan de hand was en was blij toen ik ermee ophield.

Vanaf die dag verminderde mijn liefde voor haar stelselmatig en hoopten mijn reserves en bijgedachten zich op tot ontzaglijk grote gehelen. We hebben hier niet de tijd om ze in detail te bespreken, en een korte samenvatting zal volstaan.

Het begin was onschuldig maar vervelend.

“Misschien zijn andere vrouwen beter, misschien is ze toch niet zo mooi, misschien passen we niet bij elkander, misschien slaapt ze stiekem met andere mannen.”

Later werd ik persistenter.

“ Waarom moet ze me toch altijd zo bekritiseren? Waarom kan ze me niet gewoon vertrouwen? Waarom is er niemand die naar ons kijkt als we over de straten lopen? Waarom kan ik niet voelen wat ik voelde, een tijd geleden?”

Hierna werd ik woedend en driest en begon ik haar stiekem mentaal te verkrachten.

“ Oh mijn God, kon ik dat blondje maar neuken. Ik zou het vast doen als ik hier niet met het blok aan mijn benen liep. Oh mijn God, wat is ze lelijk. Oh mijn God, wat praat ze dom.”

Uiteindelijk bleef er niets meer over.

“Ik wou dat ik haar nooit had ontmoet en dat ze verdwenen was. Ze kan me niets meer schelen.”

Zoiets.

Toen de dagen warmer en langer werden was al mijn liefde voor haar geleidelijk aan verdwenen, en werd haar zien gelijk aan een vacuüm bekijken. Ze vroeg me in die periode nogal vaak wat ik wilde doen.
Ze zei, “Komaan, waarom ben je zo verdomd apathisch? Wat wil je doen? Een film bekijken, wandelen, drinken, schreeuwen of de tango dansen? We kunnen alles doen. Er is geen reden om hier te zitten mokken.”
Ik dacht: “Ik wil mijlenver weg van je zijn.” Maar ik haalde mijn schouders op, alsof het me niet meer kon schelen.

Na haar verjaardag waren onze eerste ruzies er ook gekomen.
De ruzies evolueerden van milde private discussies naar scenes in het openbaar tot, uiteindelijk, fysiek gewelddadige veldslagen die uren duurden. Het was een mentale en fysieke uitputtingsslag die na een tijdje tot de gedeeltelijke destructie van mijn respiratoir systeem leidde.

Op een dag putte ik moed, nodigde haar uit voor een ernstig gesprek en zei wat er in mijn geest had gelegen. Ik vertelde haar dat ik haar niet meer mocht en gaf toe dat mijn verleden (nu) uit zes vrouwen bestond (mijn moeder niet meegerekend). Al wat ze nog kon doen was zuchten. Ze was, wellicht, ook leeggevochten. We gingen uiteen en werden geen vrienden.

Onze relatie eindigde op een zaterdag. Ik hoopte dat ze zaterdagen voortaan zou haten en dat donderdagen haar lievelingsdagen zouden blijven.

Toen ik haar die zaterdag van me weg zag stappen wilde ik haar achterna roepen dat ik haar al miste en dat ze niet hoefde te gaan. Ik miste haar al, ook al was ze zelfs nog niet uit het zicht verdwenen. Maar ik wist ook dat de haat terug zou komen van zodra ik haar bij mij riep. Het was een perfecte paradox, de pijnlijkste patstelling die een mens ooit kan voelen. Alsof hij almaar kaartenhuizen bouwt, ze woedend omschopt en er dan nieuwe begint te bouwen.

Een ander beeld dat me plaagt: ik rol een vrouwvormige steen op een berg en elke keer komt het rotding net voor de top weer naar beneden. Op mijn tenen.

Het gemis werd, in de weken die daarop volgden, ontzettend groot en ik wilde steeds sterker dat ik haar niet van me had afgestoten. Ik belde haar in het midden van de nacht, stomdronken en luid grienend. Ik brabbelde waarschijnlijk onverstaanbaar en ze herhaalde tien keer dat ik moest gaan slapen voor ze oplegde. Na een tijdje nam ze haar telefoon niet meer op. Hierna ging ik vaak aan haar huis staan, met mijn handen in mijn zakken en de kap van mijn trui over mijn hoofd getrokken. Ik besefte hoe waanzinnig ik deed, voelde me een vieze stalker, maar kon mezelf niet beheersen. Na een paar weken kon ik er mee stoppen.

Vorige donderdag heb ik een meisje ontmoet. Ze heeft een bruine huid en doet de goden in me zingen. Ze is grappig en spits, heeft een mooie naam en schattige ogen en ik geloof dat ik met haar wil vrijen. We hebben elkaar de liefde verklaard op zaterdag en waarschijnlijk zal ik haar binnen een vijftal dagen de mijne kunnen noemen. Ze is zo mooi dat ik haar nooit wil haten.

Helaas is dat onvermijdelijk.

Ik heb mijn beste kleren gewassen en gestreken. Ik heb mijn tanden gepoetst en mijn teen- en vingernagels geknipt. Ik heb haar een liefdesgedicht geschreven waarin ik haar met verscheidene hemellichamen vergelijk en de verschillende bloemsoorten uit een Indische tuin op haar toepas. Ik heb een sobere maaltijd, bestaande uit rijst en kip, gegeten. Ik heb de koord stevig om de balk geknoopt en een briefje op de deur gehangen voor mijn huisgenoten. Ik hoop dat ik straks niet in mijn broek ga schijten.

Ik drink nog een glas whiskey voor ik kan vertrekken. Ik ben (alweer) op het hoogtepunt van mijn geluk, alsof mijn leven een uit de hand gelopen goniometrische functie is. Ik hoop dat de zee me zal verzwelgen.

Game over man, game over.

woensdag 14 april 2010

Apocalypsis, alternate ending.

In het boek van Douanes staat geschreven
Hoe vier ruiters hun sporen dreven
Tot alle mensen door hen vergingen
En ze aan hun kloten in de struiken hingen.

Maar dat verhaal stinkt en het is niet correct
Het echte verhaal is anders en als het uitlekt
Dan zou papist en protestant erover zeggen
“Dat was het wat we ook al wilden uitleggen.”

Op het einde van de dagen, minuten en seconden
Wilde God weten wat de mensen van de wereld vonden
De meren, bergen en bossen waren al heel lang bedorven
En de mens was half aan honger, half aan obesitas gestorven.

Velen dachten dat God de Vader ergens pissed om was,
Misschien zomaar, of omdat niemand nog de bijbel las,

In de feitelijke waarheid was ‘s mensen verval een accident
Onze demiurg had het niet bewust willen verknallen
Maar het was voetbal op tv en als hardwerkende vent
Was hij na een pilsje of twee eventjes in slaap gevallen.

Nu daalde hij vloekend van den hemel naar beneden
En omdat iedereen duizenden jaren zo had gebeden
Wilde God graag duidelijk ontwaren,
Wie er met de schepping niet tevreden waren.

Hij stond met zijn lantaarn op het Sint-Pietersplein
Vroeg: “Kan er iemand zeggen waar de echte mensen zijn?”

Hij vond er ééntje die vroom aan een microscoopje prutste
En in een glazen kom wild genen, eieren en ongein klutste.

God vroeg:
“Zijt gij soms niet goed?
Wat peist gij verdomme wel dat gij doet?”

De man sprak, hij was niet met banaliteiten af te leiden,
liet zich zelfs niet door een volmaakte potentie storen:

“In het tanen van tranen en gedachten
Willen wie op geluk en treinen wachten
Meer lezen dan erin geschreven staat
Natuur is een leegte waarin de mens vergaat.

Duur vervult de onmogelijkheid van alle wensen
De lange dag is dadelijk de nacht in het verschiet
Sint en Mohammed komen niet voor arme mensen.

Dus ik zoek dag en nacht naar het recept
Dat de mens naar meer-mens verheft
En ik zal voor God noch duivel talmen.”

Toen boog hij zich voorover over zijn lens
En wijdde zich aan zijn werk, heel intens.

Hij, de Grote, begreep het even niet,
En Jahweh krabde verward zijn piet.

Een dichter stond met een steen rond zijn nek,
op een brug.
Hij was het beu, kapot en vol van smarten
Maar zag de Heer aan zijn kruis scharten
En nam daarop toch nog even een stap terug.

Hij benaderde de bron van zijn verdriet,
Opende zijn mond en zong een treurig lied.

“Die steen en de dood kunnen wachten
om de onwetenheid van mijn schepper te verzachten.

Mijn Heer, zoals u ziet,
De betekenis van het leven ken ik niet
Maar waarom zoeken naar dingen die je niet kan vinden
voor de beendervergruizende tijd ons zal verslinden?

Ik wacht al jaren lankmoedig op mijn dood
Mijn hart is klein, mijn vrees is groot
Ik ben een wees terwijl mijn ouders leven
Niets is een ervaring, die je kan beleven.”

God stond op het punt om de bard van repliek te dienen
Toen een vrouw oorverdovend luid begon te grienen.

“Mijnheer, ik ben Magda, huisvrouw van beroep,
mijn jongste is ervandoor met een scharminkel van de foor
mijn oudste drinkt en mijn middelste slaat en stinkt
mijn man is een lelijke aap die met zijn piemel denkt
Ze rukken mijn levend hart vantussen mijn massieve ribben
Wat kan een moeder zo nog aan haar leven hebben?”

Naast hem stond een soldaat, die verzekerde hem kordaat
Dat hij lang geleden ook nog beide benen had
Maar niet meer op zijn eigen twee voeten wandelde
Sinds hij in de laatste oorlog een keertje zeer heldhaftig handelde.

Men schreeuwde (ook nog):
“Syfilis, kankertumoren, builen, aids en tering
Koude, hitte, dorst (en een lek in mijn riolering).”

Men exclameerde:
“Meineed, moord, leugens en een slecht gemoed,
Etter, gebroken harten, liters van vergoten bloed.”

Het lamentabel getater kwam weldra van alle kanten
Plots begonnen zelfs de beesten te klagen en te ranten.
God kreeg er koppijn van en riep: “Het is genoeg!
Ik ben blij, mens, dat ik u naar uw leed vroeg.

Maar u dient als brave geschapenen eventjes te zwijgen
Dan kan ik u naar O-testamentische gewoonte eens bedreigen

U zult het vast niet erg vinden
Om dit project stop te zetten en op te schorten.
Zo kan ik uw ellende aanzienlijk verkorten.
Gelieve u dus niet meer op te winden.
Ik zet de grote oerknal weer even aan
Het doet geen pijn en ‘t is zo gedaan.”

Eén of twee roerden nog verwijtend hun tong
Maar geen die niet een toontje lager zong
Toen het grote vuur hun organen brandde
En ze als stof en as uit de wereld bande.

Het vuur doofde uit na vele jaren
De tijdloze keek naar zijn handen
Wreef over en spuwde op zijn blaren

Hij kneedde een man, dacht even na en besloot
“Ik maak zijn brein deze keer dubbel zo groot,
misschien als hij dubbel zo diep kan denken
dat hij zijn existentie niet meer zal willen krenken.”

Zijn plan faalde, het ongeluk kwam, zoals dat gaat,
En in des mensengeest groeide opnieuw godenhaat.

woensdag 31 maart 2010

Vermoeide brief aan een liefde van lang geleden.

Het is 4u20 en ik zit aan mijn bureau, in de kamer met de boeken in het stof. Met de dode plant en de foto van ons in Barcelona aan de muur. Het klavier van de oude tekstverwerker klettert als een blasfemie door de stilte. Jij ligt in de kamer hiernaast te slapen, of dat leidde ik toch af uit het bewegen van je borst(en). Je borsten zijn twee ovalen zakjes die me lang geleden seksueel plachtten op te winden. Ik vind het nog steeds aandoenlijk om ze te zien bewegen, terwijl je in diepe slaap ligt, maar geil maken ze me niet meer. Het zou kunnen dat je ondertussen ook met je ogen open naar het plafond ligt te staren. Ik hoop van niet.

Ik heb daarnet naar porno gekeken. Eerst een blondine die met lange halen van haar tong de ballen van een man likte. Daarna twee negerinnen, ééntje wat donkerder dan de andere, die elkaar begonnen te kussen en uit te kleden natuurlijk. Het deed me niet echt iets. Ik vond mijn piemel maar zielig, in dit late elektrische licht. Ken je dat gevoel van onbehagen dat je bij opkomende geilheid soms overvalt? Misschien niet. Ik heb de venstertjes na 2 minuten dichtgeklikt. Wat heb ik nog aan al dat 2D-gelul, aan films, boeken, plaatjes en theorieën? Ik heb je lichaam nodig.

Nu ja, ik heb een lichaam nodig. Elk lichaam. Ik mis je, maar ik kan niet meer bij je komen. Ik ben bang dat je mijn affectie zou interpreteren als een poging tot copuleren. Ik wil nooit meer met je copuleren. Ik gruw van de gedachte om mijn penis diep in jouw getrimde scheur te planten. Je bent strak, je huid is als die van verse perziken, van nectarines. Je bent haarloos en je glanst. Mannen kijken je na, ze fluiten naar je kieren en gapen naar je uitstulpingen. Ik wou dat je weer was zoals toen ik je ontmoette, niet zo perfect. Een vrouw om te neuken, geen pop uit een modeblad.

Mocht je me toestaan om hem in je kont te steken, zodat het echt pijn doet, dan zou ik dat overwegen. Dat zou nog iets echts zijn, iets om in te geloven.

We missen geloofwaardigheid. Wij, allebei, ik ben daar niet minder schuldig aan.

Maar je moet me geloven als ik zeg dat ik je doodgraag zie. Ik heb mijn hele leven op het jouwe afgesteld. We zijn twee synchrone klokken in verschillende tijdzones. We spreken elkanders taal niet maar we zeggen steeds hetzelfde.

Trouwens: ik zou geen leven meer hebben als jij er niet was gekomen. Je weet ook wat voor een loser in de liefde ik was vroeger, voor jou, er waren geen vrouwen die naar mij keken met meer dan minachting. Als ik doodga krijg je alles, hoewel dat niet veel is. Mijn lichaam zal de wetenschap toebehoren en al de rest aan jou, zo hoort het en zo moet het zijn.

Ik dacht dat mijn tanende begeerte een biologisch probleem was, iets met de doorbloeding. Ik ben altijd een trage komer geweest, je kon daar soms wel over klagen. In het begin van onze relatie dacht je dat je misschien niet opwindend genoeg was. Je raakte eraan gewend, aan mijn minutenlange gepomp. Ik ben gewoon een trage komer. Dat is een biologisch gegeven. Je hebt me, in je wanhoop, in je nood om weer sexy gevonden te worden, nog chemisch willen tunen. Maar met die pillen in mijn lijf had ik in jouw naakte lichaam nog geen paal zoals ik hem behoorde te hebben, zoals ik hem ooit had. Viagra zal ons niet helpen. Je hebt geweend toen ik zei: “Ik ben je lichaam gewoon beu.”

Het was de waarheid, het is de waarheid. Ik voel me als een man die al meer dan drie decennia van een steeds belegener wordende kaastaart eet. Hoe lang zijn we nu samen? Drie, vier jaar? Wat gaat er van ons worden?

Ik wil niet één van die koppels zijn zoals mijn ouders waren: stil aan de ontbijttafel, slapen in gescheiden bedden, lachen als ze een mopje over seks maken en hopen dat er niets zal blijken. Dat hun gezichten geen rimpel zullen vertrekken als er over seks gepraat wordt.

Mijn moeder wist ook wel dat haar man van die andere vrouwen wel nog een keiharde stijve kreeg, alleen niet meer van haar. Ze was er verlept en ze wist het. Het was verschrikkelijk, niet in het minst voor mijn vader.

Ik val op blondines van ongeveer 20 jaar, nu. Ik wou dat ik in alle eerlijkheid iets anders kon beweren. Vind me maar een walgelijk varken, het ergste en laagste van de mannelijke soort. Ik ben een walgelijk varken, maar niet het ergste van de mannelijke soort.

Ik verlaat je. Ik vind het zelf ook vreselijk. Probeer maar niet om het weer bij te leggen, bied me je anus niet aan. Het is te weinig, te laat en ik ben verliefd op een ander (hoewel ze me niet wil).

Je lieve
Hugo Hefftrok

zondag 28 maart 2010

A seventh day.

The day was Sunday and my phone rang. Once, twice, three times.
I picked up the receiver around the fourth ring and took a deep breath. My lungs immediately filled up with new air. My body is a thing to rely on, for now at least.
On the telephone, a female voice spoke to me from the other side.
“Hi, Frank, how are you, today?”
“I’m fine.”
Well, I guess Sundays are boring.
“Can you give me a figure in a range from one to ten for how good you feel today. Zero would mean you feel like utter crap. An abandoned rock in deep space, let’s say. Ten is the single best day of your life.”
“Okay.”
“How about it?
I considered this for a while. After this break I decided not to give too much thought to it, a decision which came, off course, much too late.
“I’d say it’s a four or a five today. Maybe a six.”
“A seven?”
“Definitely not.”
There was another pause.
“Okay, thanks.”
After this phrase she hung up. I was alone again.
I went to the fridge, took some cheese, sliced some bread, combined the two in a kind of sandwich and put them in the oven. While the foodstuff grilled to a solid exterior with a sticky heart I thought about my past a bit. I didn’t like to do it, but it kind of came automatically.
I was 26 years old, going to 27 fast. I wasn’t particularly succesfull in life, even though I did achieve some things. I had gotten a master’s degree in Peculiar Astrophilosophy, but I had never gone to the stars. I couldn’t get a permanent job, but it wasn’t like I was starving. The initial charisma that people saw in me, and for which they hired me, quickly wore out, until they saw what I felt to be the truth all along. A mediocre man with no ambition whatsoever. I dated some women, had some sex, but nothing lasted but the memories of some laughs we laughed and some fights we fought. The fights weren’t bloody, the laughs weren’t all that hilarious. At some points in my life I made some jokes, at others I was stonecold serious.
I knew my life wouldn’t last, but couldn’t really see the end of it. There had been a lot of cancer in my family but I couldn’t see myself getting a tumour of any kind. If I would have had to give my life grades, on a scale of ten, I’d give it a 4 or a 5. Definitely not a 6.
I took my sandwich out of the oven, sprayed it with a bit of ketchup and ate it. It was a good meal, by my own standards. I called my best friend Eddy and asked him what he was up to.
I couldn’t understand a word of what he was saying, as if he was talking in Swahili. He was hammered, I could almost smell the putrid scent of booze through the telephone. Slightly jealous I said goodbye, pressed the red telephone button and put on a Ryuchi Sakamoto record. The vibrations immediately started filling my ear. For a second I was grateful that I wasn’t deaf, but this feeling also passed. One can always depend on a moodswing, steady as a rock in it’s contingency.
I sat down on the sofa and closed my eyes. There was music in the air. Everything was silent that way.

I conveniently woke up at six in the evening. The sun had started to fade and I went to the kitchen to cook dinner. I didn’t have a thought in my head, and for a while the world was a practical place. All around there were practical problems and one had to keep a steady mind to solve them. It was the simple world of our primitive ancestors, hard but rewarding. Off course, it didn’t last. During my meal the complexities returned to me, and I was left with a feeling of desolate angst.

It got dark around 8:30 and I went to bed to read for two or three more hours. I was reading a book about the futility of it all. I wished I had a woman or a girl to fuck, a little piece of tail to alleviate my mood. No such woman was present in my room, so I just read some instead. I didn’t indulge in masturbation, not because I had moral objections against it, but simply because I didn’t see the point in it.

Around 10:30 she called me again. I picked up my phone after the fifth ring.
“Hi, Frank, how are you this evening?”
“I’m fine.”
“How much?”
“I’d give it a 4.”
“That’s not a lot.”
“I feel kinda lonely, I guess.”
“I see.”
“Do you ever feel lonely?”
She seemed to be considering this, because she didn’t answer for a while.
“Hello?”, I inquired, afraid that she’d left.
“I do feel lonely, sometimes.”
“When can I see you again?”
I could hear her smiling.
“Maybe when it’s a seven or an eight.”
“Okay.”
“Good night, Frank.”
“Good night, dear.”
I hung up and went to sleep. My sleep was dreamless but I kept a vague consciousness of having a headache. When I woke up the first minute of the new week had begun. In the edge of my field of vision I could see the slightly annoying flashing of the fluorescent 0001. Everything else bathed in darkness. There wasn't a sound to be heard.
"I guess mondays are also boring", I thought, after which I closed my eyes and slept some more.

dinsdag 16 maart 2010

In this clip "The candies" (キャンディーズ) sing about their affection for a cute younger boy. The group was a big succes in seventies' Japan and produced one hit after another during a short period of five years. In 1977 they surprised showbusiness with the words "We want to be normal young girls again" (普通の女の子に戻りたい) Which they did.

Look at them go!

zaterdag 13 maart 2010

Epifanie van een mislukkeling.

Mijn eerste stapjes deugden niet. Stappend zag ik er belachelijker uit dan kruipend. Ik was een slechte toddelaar en een onhandige kleuter, en nog later een vervelend en onsportief kind. Dat was een probleem voor mijn ouders, want niemand zet graag onkundige imbecielen op de wereld.
Mijn moeder overdacht het probleem, bekeek haar door astma geplaagde, bleke en schriele zoon en besloot dat hij zijn motorisch deficit goed diende te maken door geniaal te zijn. Maar ook dat viel nogal tegen. Ik haalde goede punten voor taal, maar wiskunde kon me aan de reet roesten. Ik slaagde er wonderwil altijd in om bewijzen te vinden die er niet waren en mijn verbeelding won het steeds van mijn kleine logische redeneringsvermogen. Ik kon de tafels van 2,3,4,6,7,8 en 9 zonder problemen van buiten leren. Die van 5 en 10, de makkelijkste vermenigvuldigingstafels, kreeg ik niet in mijn hoofd. Ik werd berispt en vergoot er bittere tranen om. Het was mijn eerste grote intellectuele ontgoocheling. Mijn moeder kwam tot de conclusie dat ik een speciaal verstand moest hebben. Vrede zij aan hen die zichzelf iets wijs weten te maken. Daar stond ik dan, met mijn speciaal verstand.

Ik kon ook niet tekenen. Als ik een boom tekende leek het wel een penis. Huizen waren kutten en dieren baarmoederzakken. Ik ben er nooit in geslaagd om een hartje te tekenen dat niet op een stel dikke tetten leek.

Ik werd in een ijl tempo ouder, hariger, vetter en driester. In mij groeide de hoop als een tumor. Ik hoopte dat ik als minnaar wel zou deugen.

Ik ontmoette mijn eerste seksuele partner op een pittoreske boerenfuif in een rustiek landbouwersgehucht. Ze speelden hoogtechnologische muziek uit grote houten dozen. Dat was ongezien in de jaren negentig. Ik haatte de jaren negentig nogal. Maar dat gaf niet, want ik was jong en dronken en ik had een meisje gezien dat me niet meteen uitlachte toen ik naar haar keek. Ik benaderde haar en ik sprak met haar. Ik zou graag weten wat ik tegen haar zei. Het was vast iets belachelijks. In elk geval werkte het, en drie minuten later zat mijn tong in haar mond. Ik was zeventien jaar.

Vier dagen later nam ik haar mee naar mijn kamer, pleurde haar op haar rug op mijn bed en stak mijn penis in haar kut. Nog eens drie minuten later was alles afgelopen. Ik leerde dat het getal drie een sleutelgetal was als het over seksuele zaken ging. Ik was niet in haar klaargekomen maar na enkele minuten was mijn penis tot belachelijke proporties verslapt. De kiesheid gebiedt me niet te vertellen dat ze nogal mollig was. Ze vertelde me dat ze met haar veertien jaar oudere badmintoncoach had gevreeën. Zonder condoom. Ik vreesde dat ik AIDS had, de eerste maar niet de laatste keer, en ik begon te flippen en te hyperventileren. Ik voelde me misselijk en ging het toilet onderkotsen. Ik veegde mijn mond af, wilde naar mijn kamer teruggaan, bedacht me en vluchtte het huis uit, het arme wijfje in haar blote kont aldus aan haar lot overlatend. Tot zover mijn wensdromen over het zijn van een goede minnaar.

Ik begon dan maar te zuipen. Een dronkelap zijn had zijn voordelen en zijn nadelen. Waar, ik werd een hypochonder met regelmatige paniekaanvallen, ik had een extreem slechte lichaamshygiëne en ik meed mensen meer en meer als ik nuchter was, maar God kon ik dansen en vrouwen zoenen als ik dronken was. De dag na het drinken was mijn gemoed van ijzer. Dat was ook een voordeel. De rest van mijn leven was een gitzwarte depressie zonder lichtpunten. Mijn studententijd gleed voorbij. Ik had vriendinnen, was dronken en neukte met vreemde wijven, had nog meer vriendinnen en op het einde had ik niets behalve een diploma dat zei dat ik nu alles wist en maar eens iets moest gaan terugdoen.

Ik zocht werk. Ik vond geen werk. Ik begon weer te zuipen. Ik haatte mijn ouders, mijn vrienden, mijn familie, mijn vriendinnetjes, de samenleving, de maatschappij, dieren en vooral mezelf.
Ik woonde een jaar in een piepklein zolderhok met stinkende dakgoten. Het was niet zo slecht.
Het was ook niet zo goed. Ik dacht veel na. Ik wou dat ik er niet was, maar ik was te bang om zelfmoord te plegen. Ik las boeken en schreef verhalen. Niemand las mijn verhalen en ik las niemand zijn boeken meer, een daad van nutteloos verzet. Ook dat bleef niet lang duren.

Ik ging in een ander huis wonen, ik vond werk als leraar en ik kocht nieuwe kleren. Ik deed iets aan mijn lichaamsgeur. Mensen vertelden me dat ik er goed uitzag en dat ik het uitstekend deed in het leven. Ik had het gevoel dat ik niet echt meer leefde, alsof ik een machine van vlees was geworden. Maar niemand die dat kon begrijpen.

Jezus Christus verscheen voor het eerst aan me toen ik op de metro naar mijn werk zat. Het was 9u04 en het leek erop dat ik te laat ging komen. De school was nog ongeveer 25 minuten reizen van me verwijderd maar ik diende binnen de 16 minuten voor de klas te staan. Dat was onmogelijk. Te laat voor de klas komen te staan was vervelend omdat de leerlingen dan veel moeilijker nog rustig te krijgen waren. Ik hield niet van moeilijke omstandigheden, omdat ik een luie schijtluis was.

Ik tobde hier wat over, maar ook niet te veel want het kon me nu ook niet zo veel schelen en toen verscheen Jezus Christus aan me. Hij droeg een gele parkajas en had een sombrero op, alhoewel dat ook mijn inbeelding kan geweest zijn. Hij zorgde er niet alleen voor dat ik op tijd kwam maar bewerkstelligde ook nog eens dat ik nog tijd had om een koffie te drinken. Het was een godverdomd mirakel.

Het zou natuurlijk ook kunnen dat ik me gewoon van uur vergist had en dat ik een uur te vroeg op mijn metrostel zat. Laten we die mogelijkheid maar negeren.

Jezus verscheen voor de tweede keer aan me nadat ik een lasagne in de oven gestoken had. Dat ging zo: ik stak mijn lasagne in de oven en ging nog even naar de televisie kijken. Het was één of ander programma over harige mannen die dingen opbliezen, en dat vond ik nogal interessant. Ik verloor de tijd uit het oog en toen ik weer aan mijn lasagne dacht was er bijna een uur voorbij. Nu zou het ding onder normale omstandigheden pikzwart uit mijn oven moeten gekomen zijn. Maar Jezus verscheen aan me en maakte mijn lasagne heerlijk goudbruin. Hij zorgde er bovendien voor dat ik een overheerlijk stokbrood in huis had om bij de lasagne op te eten. Ik had zeker geen stokbrood gekocht. Het was een godverdomd mirakel en ik dankte de heer voor het brood en lasagne.

Jezus is daarna nog een paar keer aan me verschenen. Hij repareerde mijn douche, maakte een val met mijn fiets ongedaan, poetste mijn schoenen en zorgde er een paar keer voor dat mijn living proper lag wanneer mijn schoonouders op bezoek kwamen.

Ik kan niet echt zeggen dat de Heer mijn existentiële problemen heeft opgelost, ik blijf bestaan een zware dobber vinden, maar Hij maakt mijn leven zeker gemakkelijk. Als ik hem ergens mee moet vergelijken dan zou ik zeggen dat hij een erg efficiënte Filippijnse kuisvrouw is. Ik hoop dat Hij niet stiekem van me steelt, maar ik heb ergens ook wel vertrouwen in Hem.

De grote vraag is nu: wat is de volgende stap? Nu ik een religieus mens geworden ben lijkt het me logisch dat ik bij één of andere kerk ga, maar ik weet niet goed welke. Ik heb een probleem met rituelen en verplichtingen dus het grootste deel van de kerken zijn al uitgesloten. Shintoïsme zegt me wel iets, maar ik weet niet of ze naast Amaterasu en dergelijke ook Jezus Christus aanvaarden. Ik weet het niet, en eerlijk gezegd lijkt het me allemaal nogal een gedoe. Het zou kunnen dat ik gewoon een atheïstische misantroop blijf. Een atheïstische misantroop die soms rechtstreeks door God geholpen wordt. Het maakt niet uit. Het maakt niet uit wat je gelooft, als je je maar niet alleen voelt. Iedereen heeft een credo nodig. Een geloofsbelijdenis om de maximum 90 jaren kakzooi heelhuids door te komen. Mijn credo is, in twee zinnen samengevat: “Ik ben een slecht mens en ik ben geen kloten waard en ik hoop dat iedereen me zal willen vergeven als ik uiteindelijk kapotgegaan ben, dus sorry, alvast. Maar jullie, de anderen, zijn ook niet veel beter, dat hoeven jullie niet te denken.”. Mijn geloofsovertuiging maakt me mild, zacht, hard, lief, gewelddadig, extreem gevoelig, mensenhatend en altruïstisch. Vaak krijg ik het gevoel dat ik Jezus Christus ben, alleen aan zijn kruis, met zijn doornen op zijn hoofd en zijn lans in zijn zijde. Ook uit de dood verrijzen zou me niet gelukkig kunnen maken.

zondag 28 februari 2010

Twee volstrekt willekeurige ontmoetingen.

Het was alweer winter. Ik liep de tuin in en zag de dode bladeren van de herfst. Ik dacht: “Kutbladeren, dat is ook elk jaar hetzelfde.” Ik ging weer naar binnen, stapte in de keuken en nam een fles melk uit de koelkast. Ik dronk een slok en belde naar mijn moeder. Ze nam niet op. Ik liep de trap op en ging op bed liggen. Ik sloot mijn ogen en zag lichtflitsen in de duisternis. Het canvas van mijn geest was een leeg projectiescherm waarop alleen onzin werd getoond.
Het was zondag en er viel geen zak te beleven. De dag ervoor was ik goed doorgekomen dankzij de fysieke afleiding die mijn kater me bood. De dag voor die dag was ik goed doorgekomen door de mentale afleiding die mijn dronken baldadigheid me bood. De tijd is minder vergevingsgezind als je geen whisky als ontbijt hebt. Ik beleefde een schijtdag, alleen op mijn bed, alleen in mijn kamer, alleen, alleen. Schijt, ik was alleen. Schijt.

Twee dagen daarvoor, in volle dronkenschap, sprak ik in een bar een man aan. Hij bleek geen specifiek idee te hebben over wat hij aan het doen was. Hij dronk een Westmalle Tripel, zijn vijfde. Hij was van plan om een zesde te bestellen. Het kon me geen zak schelen of hij het deed of niet, maar omdat ik hem wel sympathiek vond bestelde ik er één voor hem. Hij vertelde me dat zijn vrouw hem steevast lastigviel wanneer hij van een zware dag werken thuiskwam. Hij werkte voor één of andere televisiedistributiegroep. Hij vond dat grappig, hoewel hij zei dat het zinloos en frustrerend werk was. Ik zei hem dat vrouwen niets anders deden dan klagen en liefhebben en dat mannen geen enkel ander doel dienden dan die dubbele behoefte te beantwoorden. Daar werd hij triest van, maar hij vond me een wijs man. Ik kon hem niet wijsmaken dat ik niet wijs was. Mensen hebben zo hun ideeën en probeer ze daar maar eens vanaf te brengen. Daar komen al vlug bajonetten en musketten aan te pas.

Hij klopte op mijn rug en ik op de zijne en we bereikten die affectie die heteroseksuele mannen maar bereiken als ze dronken genoeg zijn, een gevoel van wederzijdse appreciatie en de bereidheid om de ander niet onmiddellijk de kop te willen inslaan. Daarna ging ik weg, omdat je ook niet hoeft te overdrijven met die appreciatie en ook omdat ik te dronken was om nog te spreken zonder te braken. Ik braakte in mijn tuin, keek naar mijn braaksel en weerstond de drang om het weer op te eten. Dat had ik alvast voor op honden, zoals ik besloot.

De dag daarop werd ik wakker met hoofdpijn en waadde door mijn huis als een slak door een diepe kom gelei. Uiteindelijk werd het laat genoeg om ofwel weer te gaan drinken ofwel om mijn maag te vullen met vettige prut. Ik koos voor het laatste en reed op goed geluk met mijn fiets de straat op om frieten te kopen. Ik vond een frietkot, parkeerde mijn tweewieler tegen de gevel, ging binnen en deed vriendelijk tegen de baas. Erger nog dan onbeantwoorde liefde is onbeantwoorde vriendelijkheid. Ik rekende af, hing het plastic zakje aan mijn stuur en reed naar huis.

Na een vijftal minuten fietsen hoorde ik een stem naar me roepen. Op het voetpad stond een kleine bibberende man van een 55-tal jaar oud. Ik remde en vroeg hem of hij me geroepen had. Op dagen waarop mijn katers zo groot zijn kan het gebeuren dat ik me dingen verbeeld die er niet zijn, mini-psychoses in een wereld waarin elke fysieke beweging pijn doet. Hij antwoordde affirmatief op mijn vraag. Hij vroeg me waar het ziekenhuis was, alwaar hij iemand wilde bezoeken, een Liliane of een Juliette of een Paulette. Ik zei hem half lachend dat het ziekenhuis gigantisch groot voor ons uittorende als hij even naar rechts keek. Hij zag het niet en bij nadere inspectie bleek hij helemaal niets te zien. Toen ik hem vroeg hoe dat kwam zei hij dat hij het niet wist. Het was enkele dagen geleden begonnen. Ik besloot om hem naar het ziekenhuis te leiden, ondanks mijn honger en mijn steeds kouder wordende frieten. Diep vanbinnen voelde ik me al een held. “Hypocrisie en zelfwaan zijn de grondslagen van alle moraliteit”, antwoordde ik hem toen hij me bedankte. Dat begreep hij niet, of hij had geen zin om erop te reageren. Ik overwoog of ik op zijn smoel zou slaan en zijn geld zou nemen. Hij zag er niet erg rijk uit. Ik zag af van kwaadaardigheid en volhardde in mijn goedheid.

Na veel gedraal en gezoek en gezeik vond ik de ingang van het ziekenhuis en ik leidde hem met mijn hand op zijn rug de steile steiger op. Rolstoelpatiënten zouden onmogelijk op het ding kunnen geraken aangezien het meterslang en –hoog was en ik besloot dat het een soort van fascistisch ziekenhuis voor de toch al gezonden moest zijn. Mijn vooroordeel werd bevestigd toen de receptionist, een grote grijze kerel met een ouderwetse bril en een kop waarop een zure gelaatsuitdrukking stond getatoeëerd me niet binnen wilde laten. De halfblinde stakker had blijkbaar nog al aan de deur gestaan en was dus niet alleen halfblind maar ook in de war. Zijn vriendin bleek in een ander ziekenhuis te liggen. De receptionist wilde wel een taxi bellen. Ik zei hem dat hij zijn taxi in zijn hol kon steken, waarop hij met enige wrevel reageerde. Ik verliet het ziekenhuis en vertelde hem dat mijn frieten koud werden. Hij scheen daar begrip voor te hebben. Ik draaide hem in de juiste richting en vertelde hem dat hij onderweg nog maar eens de weg moest vragen. Dat zou hij doen, zei hij, en hij bedankte me nog eens. Ik liet hem achter als een hond aan een ketting in een bos vol wolven. De abstracte voorstelling van zijn lichaam onder een voortdenderende vrachtwagen was minder sterk dan het zeer concrete beeld van mijn frieten die met een rotvaart in mijn keel verdwenen. Ik bleef even staan en zag hoe hij zich steeds verder van me verwijderde, een dwerg met een groene jas, een hoofd dat rechtstreeks op zijn romp leek te staan en ogen die wanhopig maar tevergeefs naar herkenbare vormen zochten.

Ik ging naar huis en at mijn frieten op. Na drie happen had ik al maagpijn. Ik nam nog één moeizame hap en kapte de overschot in de vuilbak. Ik ging naar de tuin, keek naar de maan en vloekte. “Het is ook altijd hetzelfde met die schijtmaan.” Ik liep naar binnen, ging naar boven, kleedde me uit en ging op mijn bed liggen. Ik ging dood en het was alsof ik nooit geleefd had, maar dat kon helaas ook niet blijven duren.