zaterdag 28 februari 2009

Pleidooi 1 tegen de onstoffelijke natuur

Mijn dames en heren van de jury, ik vraag u om het volgende in overweging te nemen.
De dood is een platitude zonder snor en Sandy ging eraan zonder zich te verhangen, te vergiftigen of zichzelf lood door het lijf te knallen. Ze viel gewoon met haar voorhoofd voorop achteraan op een kar, beladen met scherpe stenen, waardoor een kei zich met enig aandringen in haar frontale kwab uitnodigde.
Ze droeg een t-shirt van Nijntje en het ding bleef star uit zijn ogen staren, ook al ontrolde er zich een bloedbad. Dat heb je dan met van die poppy t-shirts met iconen erop, je koestert ze, strijkt ze en wast ze voorzichtig op veertig graden maar als het moment komt om je enigzins terug te betalen kan je voor geen fuck op hen rekenen.
Terwijl het licht zich voor de laatste maal inwaarts door haar puppillen voortbewoog dacht ze natuurlijk na over alles dat er in haar leven gebeurd was. Erg veel was dat niet, en erg belangrijk was het ook niet. Er was een evenement of twee dat er voor haar weliswaar uitsprong en waardoor ze zich voor zichzelf waarschijnlijk onderscheidde van het overgrote gros van het mensdom maar het is voor ons eerlijk gezegd van ondergeschikt belang, nogal flets en flauw en gekruid in een zoutloze saus voor proleten en verdorven werkers met het hoofd.
De kleurschakeringen van het brein die over de kar spatten varïeerden van licht oranje tot donkerrood en roze en het vlekkerige mozaische patroon dat er op de kasseistenen van de weg verscheen was met enige goede wil wel mooi te noemen. Het had een grilligheid van patroon die je in deze wereld buiten de fluidodynamica, die hoogeëerde tak van de wetenschappen, niet veel tegenkomt. Zoveel impressionistische esthetica kunnen we hier aan onszelf makkelijk toestaan.
De synapsen in haar hersenen stopten met schieten en als er één ding was dat zeker was dan was het wel dat er na haar noodlottige bezwijken niet veel elektrochemische activiteit in haar lichaam te meten was.
Ze zou zich nooit geen zorgen meer hoeven te maken over al dat verdomde alleen wakker worden en de resolute en ontegensprekelijk sterke gevoelens van stervensverlangen die dit bittere feit bij haar opwekten. Ze zou haar hond Lukas geen eten meer hoeven te geven en ze was vrijgesteld van het gezelschap houden van haar moeder, die een heel eind door-dementeerde.
Dat is allemaal goed en wel, en eerlijk toegegeven, het zijn vrolijke zaken.
Ze zou echter ook nooit naar Sirius kijken en daar enige gedachte aan wijden. Ze zou nooit meer naar televisie kijken en daar enige gedachte aan wijden, als dat de plebejers en verdomde meerwaardezoekers enigzins meer kan plezier qua analogie. God weet dat ze het niet makkelijk heeft gehad. Verdient zij geen leven zoals ieder ander? Waarom heeft men haar van ons ontnomen? Erg veel belofte toonde zij niet, maar niet minder dan anderen, en meer dan sommigen dus het is allemaal erg inconsequent.
Mijn dames en heren van de jury, het kan niet dat zo'n onrecht nog geschiedt in onze uit meerdere polymeren bestaande lichamen in onze uit vele chemische stoffen en verbindingen bestaande maatschappij en ook niet in de uit symbolische structuren bestaande samenleving. Daarom: schuld aan hen die de onpersoonlijke machten bijeenhouden, boete en straf voor de vier natuurkrachten.
Schuld aan de zwakke kernkracht. Schuld aan de sterke kernkracht. Schuld ook aan de elektromagnetische kracht. Duizendmaal schuld aan de zwaartekracht, ontglippend en hortend en stotend en steeds aan degelijke theoretisering onttrokken, als een vogelvrije rabauw. Genoeg is genoeg. Ik dank u.

donderdag 19 februari 2009

Ontmoeting met weinig resultaat met een mogelijke hippie van het derde knoopsgat.

Melchior Braamstruik zwierf over de vaste wilde savanne. Zijn ogen waren stevig op het heden gericht en in zijn aangerecht had hij het verleden gepoot. Hij droeg het aangerecht steeds met zich mee, want het zou maar eens moeten gebeuren dat hij op een verre reis door een of andere stoffige woestijn of woeste steppe liep en hij tot de conclusie kwam dat hij niets had om zijn borden op af te wassen en op te drogen te leggen.
Melchior Braamstruik was een door en door praktisch mens, en hij was zich daar zelf ten volle van bewust. Hij riep bijvoorbeeld vaak: “Nee hoor, met dat theoretische vergif, nee daar zullen ze mij niet hebben die hele bende socialisten, kwatongen en vuige hippies van het derde knoopsgat!” In de hiërarchisch geschikte wereld van Melchior was geen enkel wezen zo vuig als een hippie van het derde knoopsgat. Het eerste knoopsgat dat vond hij nog kunnen. “En met ééntje van het tweede knoopsgat kan je soms nog eens een babbeltje slaan dat de moeite is”, maar, voegde hij er met zijn uitgestrekt vingertje in de lucht haastig aan toe, “Opgepast! Hou die handjes maar mooi en minzaam op het aanrecht!” Maar een hippie van het derde knoopsgat kon je maar beter meteen met een bijl in zijn of haar met wijnvlekken bezaaide gezicht slaan. “Niets mee aan te vangen!”, riep hij plots, en hij spuugde tot eenmaal toe op de grond. Dat was niet veel, maar in de bloedhete zon moet je een beetje precieus met al je vocht en je sappen omspringen ook al is het dan maar gekwijl, zever, speeksel en gerochel.
“Wie de rochel niet eert is geen trap in zijn ossenkloten…”, hij krabde even over zijn kale voorhoofd. Melchior kon wel zweren dat de spreuk nog verder ging, maar hij kon het zich met de beste amnesiepillen van de wereld niet herinneren. Die pillen zaten in het aanrecht dat hij mits enige moeite nog enkele centimeters in de richting van het doel vooruitsleepte. Verder zat er niet veel in het aanrecht. Nogal veel afwasgerief, emmers, zeemvellen, sponsen en sausbussen voor als hij op een ader stootte, want hij was een sausmijner voor de Grote Sauzencorporatie Inc.
Ben ik vergeten te vertellen dat Melchior Braamstruik een antropomorf konijn was?
Normaal gezien zou ik in het begin moeten vermeld hebben dat Melchior Braamstruik een konijn was. Dan zou ik, eenmaal ik op deze plaats in de tekst aangekomen was, dat meteen ontkracht hebben. Dan zou ik gezegd hebben. Geloofden jullie dat nu werkelijk, bende sodemieters? Een konijn, ook al is het antropomorf, met een aanrecht? Dat kan toch niet! Hierop zou er zo’n gigantische verwarring bij jullie ontstaan zijn dat jullie vatbaar zouden zijn voor de zeemzoete emotionele crap die ik daarna op jullie af zou vuren. Maar ik ben het vergeten dus laat het maar vallen, het is een maat voor niets en ik word er erg verdrietig van.
Op een bepaald moment, het moet zo’n zwurts na zorp geweest zijn en de tweede maan stond al op zo’n 65 graden inclinatie in het dekbed, kwam Melchior een meisje tegen.
Ze zag er allerlieflijkst, een beetje als een vrouwelijk antropomorf konijn, en ze droeg een jurk met bolletjes van het merk Bollo. De jurk zelf was van een ander merk, maar welk merk dat kon Braamstruik niet zien aangezien het etiket aan de binnenkant zat en het toch erg onbeleefd zou zijn om zomaar aan het meisje haar binnenkantjurk te komen.
Het meisje sleepte een anker mee in en door het zand. Melchior vroeg haar, na zich voorgesteld te hebben als ‘Melchior Braamstruik, dwaler’, waarom ze een dergelijk zwaar anker met zich meesleurde. Ze lachte een beetje, want ze was één van die schampere feministische wijven die nog liever een grote rotspeer in hun baarmoeder stampen dan meteen een beetje vriendelijk te zijn tegen een aangename goed bedoelende en niet op seks belustte man, en ze zei:
“Dat kan ik evengoed aan jou vragen.”
“Ik draag toch geen anker?” antwoordde Melchior, niet in het minst van zijn stuk gebracht door de boude en gedurfde uitspraken van het vrouwmens.
“Waarom draag jij een aanrecht?” Haar stem klonk zwoeler dan een Verlaine-vogel op het eiland Rimbaud, zij het een tikkel minder anaal vasthouden.
“Voor de afwas”, antwoordde hij schamper en cool, want hij was één van die vreselijk arrogante manzakken die nog liever een gigantische lampedusa-aal in hun pisgatje steken dan één woord van vriendelijke troost tot weduwen, kinderen en bejaarden te richten. Laat staan tegen zo’n feministische kut die zich geen beetje te goed voelde om tegen hen te praten zoals tegen normale volwassen mannen die een aanrecht door de steppe slepen moet gepraat worden.
“Nu jij”, snauwde hij en even leek het of ze zou gaan huilen.
Ze zei echter: “Ik moet maar eens een schip tegenkomen, op drift in de onmetelijke zee, en dan geen anker bij de hand hebben.”
“Goed punt”, zei hij en hij applaudisseerde tot hij niet meer kon en zijn arme handen blauw waren door zijn eigen kracht.
Ze leek erg vertederd door die plotse aandacht en bijval en in een opwelling van een idee dat ze plots kreeg, zomaar zonder waarschuwing, opeens, als het ware, zei ze:
“We kunnen misschien samen gaan zwerven.”
Maar dat vond Melchior toch wel een erg grote stap. Bovendien had hij haar gezicht eens goed bekeken en hoewel ze onmiskenbaar erg knap was zag hij toch dat ze al kleine kraaienpootjes in haar ooghoeken kreeg en dat zou er in de toekomst vast niet veel beter op worden. Bovendien had ze verdacht veel weg van een hippie van het derde knoopsgat. Hij maakte zich klaar om het haar te vragen en hield ook al zijn vuisten gebald in zijn zakken, klaar om zich een wilde weg te slaan, loefwaarts, loefwaarts naar de vrijheid. Maar hij bedacht zich, want zo zitten mensen in elkaar, ze hebben meestal geen motieven nodig om iets te doen, zelfs niet om elkaar kapot te maken met gebalde vuisten, aanrechten, vuisten en armlange machetes.
“Lijkt me niet”, zei hij.
“Oké, dan”, zei ze en ze gingen elk hun weegs.
Op een dag vond Melchior wat hij zocht in de steppe, en hij was gelukkig en tevreden en beken van gouden honing en mirre en balsamico kruiden voor de pesto stroomden als voldoening door zijn hoofd. Maar dat is alles tesamen een ander verhaal en het is ook al niet echt gebeurd, dus welke zin zou het hebben om het te vertellen?

zondag 8 februari 2009

Geile trieste kleuters

Het sluipt, inktzwart, zoals stilte dat is, maar het is ook energetisch met scherpe hoeken, het giechelt en het ruikt naar modder.
Zino en Judy zijn jong, gezeten in hun kussenhoek, zij met de traantjes op haar wangen en hij helemaal zo geil als hij maar kan zijn. Ze kunnen boetseren en knutselen en schilderen en plakken en knippen en copypasten en als grote geesten vermaakt worden door verhalen van grotere geesten die verhalen maakten. Dat doet hen allemaal niets. Ze hebben alleen oog voor elkaar, hij voor haar en zij voor zichzelf. “Er is ook geen oplossing voor”, snikt ze, “Er is geen uitweg, geen excuus, geen haast die noopt tot geloven, geen pad en er zijn dan ook nog geen stenen op het pad, ‘t is een streep mul zand tot voorbij het uitdoven van elke radioactieve nevel. Er is niets, en dat niets stelt niet eens zoveel voor. Er is onverschilligheid.” Ze voelt een vinger van hem, de zijne, en het laat zich bekruipen en ze ziet dat hij haar aan zit te staren, met zijn spleet verticaal naar haar gewezen. Die is niet in de ban van woorden, maar alsof hij een graal of een superpromotie in de heilige Aldi heeft gezien gaapt die zijn tanden door zijn bovenogen, dat zijn twee zeer expliciete dingen, en zijn klauwen grijpen als handen van een machine naar haar onderkomen, haar vlezen hoes, haar vloes.

Hij haalt zijn piemel boven, en wil graag dat ze hem inslikken zou en daar; het gebeurt. Het vocht in haar mondhoeken vermengt zich met speeksel in een biochemische burgeroorlog. Ze verwart vlees en ritme met begrip en inzicht. Laat hen de liefde maar bedrijven, liever dat dan iets anders. In de schaduw van zijn schaarvormige benen lekt er iets weg terwijl hij tegen haar aankruipt en alweer voelt ze zich in tegenstelling tot even, geheel en al tijdloos als een eikel die ver van zijn boom wegrolt. Ze vraagt zich af waar dat dan te vinden is dat verwijlen zonder duur, want ook tijdloosheid heeft ruimte nodig, en of het wel wenselijk is, wat zal dat weer veel kosten. “Alles kost iets”, ademt hij als antwoord uit en zijn rijp vormt schedels voor haar hoofden. Ze is een driekoppige hond, ze kan, moet, zichzelf in de wangen bijten. Dat kauwt niet makkelijk achteraf. "Moeilijk gaat ook", denkt ze, wichtje, hij komt bijna klaar.
Hij denkt, "dat zal ook tijd gaan worden." Zijn horloge. Zijn onderbroek. Zijn haren schikken. Het is plots uren later geworden.
“Misschien in een zompige rivierbedding, misschien moet ik op mijn buik als mos tegen stenen liggen, misschien”, snikt ze.
“Misschien moet je maar wat stil zijn en met me slapen”, zegt hij wat verveeld. Dat vindt ze goed. Ze slapen, en het slaagt erin hen te overwinnen, door narcose, maar het vraagt zich af welk spel het speelt, het grinnikt en kan niet anders dan slijmerig smaken.

dinsdag 27 januari 2009

Gil en het heroïsme

Op een dag kwam Gil tot een uiteindelijke balans, hij rekende zijn leven uit, probeerde daarbij nuchter als een rekenmachine te werk te gaan en kwam op negatief uit. Hij besloot dat hij er genoeg van had. De drastische gebeurtenis, zijn noodlottige daad, drong zich glashelder en met een onverkwikkelijke onvermijdelijkheid aan hem op. De bewuste dag, hevig omcirkeld met rode marker op zijn kalender, doemde voor zijn geestesoog op als een klif voor de navigator van een op hol geslagen schîp. Het eerste deel van zijn plan zou makkelijk gaan, even simpel als snoep van een baby afnemen. Daarna zou het vast moeilijker worden, men zou hem vast opsporen en neerhalen, hem gevangenzetten, hem beschimpen en honen. Maar Gil was niet berekend op de vlucht, wat er na die dag gebeurde interesseerde hem niet. Hij zou het gevecht frontaal aangaan, zijn eerste en laatste stap in de arena, zijn eerste en laatste daad van zelfbevestiging, zijn eerste en laatste manifestatie van zijn trotse en ambitieuze ego. De finale schreeuw van een doodvermoeide en moegesarde huisvrouw. Hij beschouwde zichzelf weleens als een huisvrouw, ook al was hij maar alleen en ook geen vrouw. Gil had echter lak aan alle conventies dus hij vond dat hij best wel kon zeggen dat hij een vermoeide huisvrouw was. Die gedachte deed hem lachen, hardop, zonder gêne, waar hij ook was.
"Mensen knokken alle dagen met elkaar, gelijk zes ratten in een piepkleine eierdoos. Overal is het een wereldwijd gevecht om het bestaan. Meestal is die prijs van dat gevecht één of ander wijf. Maar jongen, ze zijn het waard. Efkes toch", had zijn vader lang geleden tegen hem gezegd. Hij twijfelde niet aan de waarheid van die uitspraken, hoewel meisjes hem weinig zeiden. Het waren woorden die zijn afwezigheid kleur gaven, de enige duiding die hij gaf voor hij verdween. "Waarom zou ik niet mijn hoogstpersoonlijke strijd voeren? Op mijn eigen manier?", dacht Gil. Hij voelde zich heroïsch worden bij deze gedachte, als een krijger temidden van de vadsige lafhartigheid van de anderen, een eiland van verzet in zijn eigen oceaan van onmacht, een dropsteen in een doos vol zoete marshmellows en bepoederde baklava.

Soms praatte zijn vader nog wel tegen hem. Dan stond hij op de bus, tussen mensen gepropt in de wachtrij in de frituur, of zat hij op zijn brommer en dan zei zijn vader plots "Piep!", zonder dat hij ergens lijflijk te bespeuren was. Dat was om meerdere redenen verontrustend voor Gil, maar vooral omdat zijn vader, een macho pur sang, nooit iets onnozels als piep zou zeggen. Gil vermoedde dan ook dat de stem een bedrieger was, iemand die zich uitgaf voor zijn vader maar eigenlijk ergens uit een demonische diepte kwam. Hij negeerde alle raad die de stem hem gaf, ook al kon die redelijk dwingend en soms erg overtuigend zijn.

Gil dacht die dag terug aan vroeger, aan zijn schooltijd. Bij de paters van de liefde, op het college. Veel liefde had hij daar niet gevonden, bij die paters. Hij vond zichzelf maar een instabiel en zwak figuur toen, in terugblik.
Het probleem was dat hij het allemaal niet zo erg had gevonden. Hij kon best tegen de blauwe plekken, tegen de vernedering, tegen de angst. Hij was alle dagen doodsbang, maar hij vond dat doodnormaal. "Iets zoals een neger het normaal vindt dat zijn huid zo zwart is", bedacht hij, trots op zijn eigen beeldrijke vindingrijkheid. Hij was sterk geworden door die angst, maar slechts op lange termijn, meende hij. Het was allemaal, hoe erg het op dat moment ook leek, niet zo moeilijk als daarna. Er was niets zo erg als alleen zijn, als het totaal nutteloze leven in de anonimiteit. dat was het extra element geweest, de kiem van zijn weerstand. Angst alleen was niet genoeg, maar in combinatie met zijn eenzaamheid was zijn moed onstuitbar geworden.

Op een dag in zijn schooltijd hadden een groep bullebakken hem een heel eind achteruit gedreven, toen in de middelbare school, tot hij met zijn rug tegen de muur stond. Zijn ogen spiedden zonder succes naar een uitweg. Hij voelde het vertrouwde gevoel van radeloze woede in zich opkomen telkens de knietjes van de jongens in zijn kruis neerkwamen.
"Wel De Melder, kleine vuile schijter? Kon ge uwen bek weer niet houden in klas?", Depré was een gezette jongen met een scherpe Wase tongval. Hij werd alleen gerespecteerd omdat hij je dreigde kapot te maken bij het minste teken van minachting ten opzichte van zijn persoon. Hij terroriseerde Gil jarenlang. In de wandelgangen van het College fluisterde men dat Depré vroeger zelf geplaagd werd door oudere jongens, gepest zelfs, en wel omdat hij toen zo dik was, nog dikker dan wanneer hij eindelijk zijn adolescentie bereikte en een deel van het vet in spieren werd omgezet. Na die bewuste pestpartij besloot Gil ook al eens dat hij er genoeg van had. Hij was zo'n 16 jaar oud en had nog twee lange jaren uit te zitten in die katholieke gevangenis. Hij stal de boekentas van Depré en, in een vlaag van vermeend inzicht en met een verstikte lach van de vreugde, scheet hij in de boekentas van Depré. De directie, een hevig geschokte bejaarde directeur, een altijd woedende adjunct en een zuiplap van een secretariaatsmedewerker die waarschijnlijk nooit aan iets dacht dat niet met alcohol te maken had, ging op onderzoek uit. Al vlug kwam het drietal bij onze Gil uit. Dat was niet zo moeilijk geweest, want hij was niet zorgvuldig of geslepen te werk gegaan. Hij had geen moeite genomen om zijn daad te verhullen of om zijn sporen uit te wissen. Hij wilde dat ze wisten dat hij het was, hij wilde dat ze alles wisten. Hij hoopte hierdoor hun respect te krijgen. Hij wilde een beetje aandacht voor de moeilijke omstandigheden waarin hij elke dag zijn tijd op school door moest brengen. Zijn bekendheid en aanzien schoten elk een andere richting uit. Opeens was hij de bekendste en minst geliefde jongen van de hele school. "Het genie wil omwille van zichzelf en zijn daden bekend worden", dacht hij, "en ik heb me ook aan die ijdelheid vergrepen. Mijn fout was dat ze mij niet genoeg vreesden. Dat zal me niet meer overkomen." De drie musketierders, zoals ze gemeenzaam bekend stonden, behandelde hem als een stout kind dat zijn bord niet had leeggegeten. Zijn klas- en schoolgenoten negeerden hem nu nog systematischer dan ervoor. Hij werd een schoolwijd, niet langer een klaswijd, mikpunt van spot. Hij verloor zijn enige vriend Filip, een bleke snakige jongen met vet haar, met wie hij soms LAN-games speelde, aan het boekschijter-incident.
"Ge zijt mij gewoon te raar, Gil", had hij gezegd, "Het spijt mij." en hij was met zijn bepokte rotsmoel weggelopen. Na het middelbaar was Filip voor Burgerlijk ingenieur gaan studeren. Gil hoorde dat hij het goed deed op de universiteit, dat hij goede punten haalde, dat hij zelfs een vriendin aan 'de haak had geslagen'. Hij hoorde het nieuws van zijn moeder, die na het kakincident haar stijgende teleurstelling over hem steeds moeilijker verborgen kon houden. Een vriendin, goede punten. Die klootzak. Zijn moeder zo opmaken. Hij zou wel weten wat te doen als hij hem zag. Zijn darmen eruit en hem opknopen aan de hoogste boom. "De dood is niet goed genoeg voor die verrader. Voor die sukkel. Vroeger kon hij met zijn fikken niet van mij blijven en nu heeft meneer een lief.", dacht hij. Hij schreef een verslag van meerdere pagina's over wat hij met Filip zou doen. Toen het af was voelde hij zich opgelucht, een klein beetje verlost. Maar de stem beval wat ze beval, en hij mocht Filip met geen vinger aanraken.

Vanaf zijn zestiende was hij altijd alleen geweest, elke dag, elk uur en elke minuut. Dat viel tegen. Depré en zijn bende sloegen hem zijn hele middelbaar lang met de regelmaat van de klok af. Eén van hen, Joris, een alternativo met lange dreadlocks zei na elke slagpartij net hetzelfde, hij bleef soms zelfs even alleen met hem achter om het tegen de van pijn dubbelgeklapte jongen te kunnen zeggen: "Het is je eigen fout, je moet gewoon terugslaan. Je moet een man zijn. Geen mietje. Geen schijter." Gil was Joris dankbaar voor zijn woorden, dankbaar voor zijn woorden, ook al was hij een smeerlap. Hij sprak met hem, als tegen een echt gewoon menselijk wezen.

Joris had ook gelijk. Hij had moeten terugslaan, maar hij durfde niet. Hij nam het zich steeds voor maar op het moment zelf verstijfde hij.
Waarom was dat zo? Ze sloegen hem toch al en het werd niet minder omdat hij zich niet verweerde. Depré liet er geen twijfel over bestaan, het kon allemaal nog erger. Maar dat was het niet, hij vreesde niet voor iets ergers. Hij fantaseerde soms dat hij Depré het hoofd insloeg met een schop, veilig in zijn kamer. Thuis voor zijn spiegel riep hij hem, met het mes in een holster rond zijn lijf, schold hij hem uit en stak hij hem neer, maar op de speelplaats durfde hij hem niet eens aankijken. Gil was een lafaard, hij had hazenbloed. Zelfs nu nog, na drie jaar, was hij bang als hij aan Depré dacht. Hij vond zichzelf geen lafaard meer, maar hij moest zich bewijzen. "Denken is niets als er geen manifestatie komt", riep de stem, die zich met de jaren steeds meer ging opdringen,"Je blijft een lafaard als je niet tot de heilige oorlog bereid bent." Zou de stem soms een moslim zijn? Hij koesterde hevig wantrouwen ten opzichte van de Irakese natie, democratisch of niet.

Gil zette een plaat op en liet de natuur in de diepe bedding van zijn oor gedijen. Hij werd nogal geplaagd om zijn flaporen vroeger, onder andere over zijn flaporen. Het bleken uiterst gevoelige instrumenten die een totaal verspild en ongewaardeerd bestaan leidden aan zijn hoof. Iced Earth was, hoewel hij dat maar een banale uitspraak vond aangezien het tegen zijn zelfverklaarde nonconformisme inging, zijn favoriete groep. De vijftallige band uit Florida zong in 'The glorious burden' over de lange bloederige strijd die zich in de nasleep van de secessie-oorlogen in de Vs ontrolde. De Amerikaanse burgeroorlog, één van de langst durende en meest bloedige civiele conflicten in de Westerse samenleving, was voor Gil en de groep het ideale materiaal om dromen van vrijheid en gelijkheid rond te construeren. Iced Earth bezong in haar liederen de heldendaden van zuiderlingen en Yanks, zonder daarbij onderscheid te maken. Heroïsme was de maatstaf, niet politieke overtuiging of levensvisie. Tijdens de slag van Gettysburg stapten bijna 7000 soldaten spontaan de dood in, oog in metalen oog met het geratel van het gaitlingkanon, één van de eerste types van mitrailleurs. Telkens wanneer de falsetstem van Jon Schaffer de hogere toonladders beroerde voelde hij de tranen in zijn ogen springen en sprong zijn hartverhevigd kloppend op in zijn borst. Hij was ook een soldaat, ook hij zou voor de vuurmond stappen en een bloederige revolutie veroorzaken. De wereld, weerloos in zijn handen, zou veranderen of branden. Hij gokte op branden, hoewel hij van statistiek geen kaas gegeten had. "Niets kan me stoppen", prevelde hij die dag op weg naar zijn werk, "ik ben de geschiedenis. De motor achter de geschiedenis die tot een onvoorwaardelijk slechte toekomst leidt" Hij herhaalde de mantra de hele dag lang. "Morgen, vergeet al je zorgen, Gil, schijter, luierik, nietsnut. Morgen doe je iets dat zal blijven." Hij lachte luidop, kon tijdens het werk zijn gegiechel niet onderdrukken. Zijn collega's keken verbaasd op van hun lopende banden en montagelijnen. Gil was geen lachend of vrolijk type. Hij was hoogsten een freak in het rariteitenkabinet van één of ander gotisch circus. De enige keer dat ze hem zagen lachen was toen de ploegbaas op een keer kwam aankondigen dat ze vroeger naar huis mochten. Hij werkte niet graag, die jongen, dat wisten zijn collega's wel zeker. Maar verder kenden ze hem ook niet. "Hij is zo gesloten", zei Martha, een dikke arbeidersvrouw met drie kinnen en bifiworsten van vingers, een keer op een blauwe maandag. De andere vrouwen knikten, de mannen haalden hun schouders op en Gil deed alsof hij niets gehoord had.

Die middag schoof hij voor de eerste keer in zijn korte arbeidersbestaan mee aan dezelfde tafel met zijn collega's, die hij in gedachten verachtelijke proleten noemde. Hij zei niet veel maar hij lachte mee met een mopje over de baas, hij bood iemand zelfs een overgebleven boterham aan. Gil voelde zich uitgelaten, zelfzeker, vrolijk. Het was een houding die bij hem paste als een witte haai bij een zitmeubel van Ikea.

De school eindigde en de zomervakantie begon. Hij was achttien jaar, woonde thuis en hij had plots geen zorgen meer. Die periode net na het middelbaar was de gelukkigste periode van zijn leven. Hij zocht niet naar werk, hij kwam zijn kamer zelfs niet uit, zijn moeder serveerde hem twee keer per dag een maaltijd en zijn kleren werden gewassen. Hij was bijna alle dagen alleen in het huis. Zijn moeder ging werken of in het huis van haar nieuwe vriend, zijn 'stiefpapa', slapen. Het was een koninkrijk, een royaal domein en hij had zeeën van tijd om zomaar weg te gooien, weg van iedereen. Hij speelde de hele dag World Of Warcraft, bereikte de opperste niveaus van het spel en werd in de online gemeenschap alom gerespecteerd. "Warlock de Melder", dacht hij op een keer en hij schudde zijn hoofd, lachte om zichzelf, "wie had ooit gedacht dat je het zover zou schoppen?" Hij riep luid "yahoo" en het geluid schalde door de lege gangen en kamers van het huis van zijn ouders tot het zichzelf in de leegte kapotsloeg.

"In de schaduw lonken de dingen die jij niet meer wil zien, maar ze komen je halen, Gil. Ze komen je halen. Schijter, lafaard, nietsnut. Je weet wat je te doen staat.
Je weet wat je moet doen, je kan niet anders. Je bent de laatste mens." Ze werd onmiskenbaar sterker, en gebruikte meer en meer jargon van Tolkien. Hij las ook steeds meer boeken van Tolkien. "Hey wat een toeval!", dacht hij toen hij dit inzich kreeg, "zou mijn stem soms een kwaadaardige germanist zijn?"

Maar zijn stiefvader praatte op zijn moeder in en al vlug begon het geklaag. "Wanneer ga je nu eens werken zoeken? Gil? Wanneer? Je bent bijna 19. Je moet toch iets doen in je leven? Met je leven?" De dreigementen en het overholen gevloek begonnen iets later. "Je bent een nietsnut. Een hele dag videogames spelen, dat kan toch niet? Er gaat nooit iets van je komen. Je bent net als je vader." Ze werden ook wantrouweriger, ze vonden een tekst van hem waarin hij grote plannen aankondigde. Ze verdachten hem van de plotse ziekte van de hond. Daar had hij niets mee te maken, maar het idee dat het wel zo was beviel hem. Hij haatte die pluizige rotbeesten. Hij haatte beesten, kinderen en bejaarden. Hij had ook een term voor hen, 'periphernalia', gemakkelijk te vervangen nevenapparatuur.

Rond zijn negentiende verjaardag, in oktober, kwam er uiteindelijk een ultimatum. Zijn moeder kwam zijn kamer binnen en ging op zijn bed zitten. "Kom eens hier Gil, kom eens naast me zitten", zei ze. Hij reageerde niet en bleef koppig en schijnbaar doof met zijn muiscursor door de gepixelleerde wereld bewegen. "Gil, het is belangrijk", zei zijn moeder smekend. hij reageerde nog steeds niet. Ze verloor haar zelfbeheersing, stoof op van het bed en gaf hem een tik tegen zijn achterhoofd. Het deed geen pijn, maar hij barstte in snikken uit door de vernedering van de gewelddaad van zijn moeder. "Luister Gil, ik ga bij Dirk wonen. We gaan dit huis verkopen, ik en je vader." Ze ging weer op bed zitten en keek naar de grond. "Het spijt me."
Hij keerde zich om, met vragende ogen. Wat speet haar? Hij begreep het niet.
"Dirk en ik... we hadden gedacht dat je wel werk zou zoeken na je middelbare school...maar het vlot niet. Ik heb mijn eigen geluk altijd na dat van jou geplaatst. Mezelf weggecijferd. Het is nu al vier maanden." Ze streek met haar handen de plooien van haar lange groene rok glad. "Het gaat zo niet meer. Je moet maar eens alleen gaan wonen. Volgende maand zijn we hier weg."
Met stijgende walging en ontzetting zag Gil toe hoe zijn moeder begon te stotteren dat "het voor hem toch ook beter was" en dat hij "er op lange termijn baat bij zou hebben." Dat de beste manier om te zwemmen soms gewoon in het diepe springen was.
"Achterlijk kalf!", riep hij, "zie je niet dat je op mijn controller zit." Hij bewoog zijn vuist in de lucht alsof hij haar wilde slaan. Ze schrok hevig, te oordelen aan de scherpe gil die ze slaakte.
"Kan je me nu alleen laten. Ik zou graag alleen zijn", zei hij kalm.
Ze stond op en zei "het spijt me". Ze keek hem niet meer aan en sloot de deur achter zich. Hij bleef verbijsterd en machteloos achter. Wat nu?
Hij overwoog om zijn moeder en haar vriend in hun slaap te vermoorden. Het zou niet zo moeilijk zijn. Hij zou zijn mes onmiddelijk in de keel van Dirk planten. Dat was dan dat. Hij zou zijn moeder vastbinden en haar bed in brand steken. Net zoals in het liedje van Body Count "There's only one way I can make it right. Momma's gotta die tonight..."

Maar hij zag af van zijn plan. Het leek hem te moeilijk. Ook zijn mentale raadgever, ondertussen een goede vriend, en de enige die hem echt begreep, raadde het hem af. Hij voelde zich er niet klaar voor, maar hij wist dat hij voor grootse dingen voorbestemd was. Hij zocht en vond werk.
Hij werkte van acht tot vijf in een fabrieksloods, hij laadde dingen uit de vrachtwagen en stockeerde ze met de heftruck. Het was nogal saai werk, maar dat vond hij niet erg.

Hij at veel frieten, pitta's en ander fastfood. Gezondheidsspecialisten wijzen al jaren op de gevolgen van een onevenwichtige voeding. Hij ging zich steeds neerslachtiger voelen, steeds meer geïsoleerd. Hij schreef zijn muren vol met leuzen en verzen. Hij wilde graag dichter worden, dichter en krijger. Maar hij wist niet goed hoe? Zou de kunst hem redden?

Hij stond elke dag zwijgend op en trok zijn kleren aan. Hij ontbeet in stilte en kwam rond half acht in het magazijn aan. In de winter was het vaak nog donker buiten, wat zijn recent ontstaan gevoel dat hij in een desolate post-apocalyptische wereld woonde nog versterkte. Hij kleedde zich altijd als eerste om en glipte buiten voor zijn collega's er waren. Hij werkte vier uur aan een stuk, strak, zonder pauzeren of praten. Als ze een machine wilden zou hij dat zijn. Hij zou staalhard worden. Om twaalf uur ging hij steevast aan een tafel apart zitten, met de muziek van zijn mp3-speler op het hardst. Hij had één keer een boek meegebracht, een werk van Nietzsche, omdat hij graag wilde tonen hoezeer hij van hen, de proleten, verschilde. Maar ze hadden hem ermee uitgelachen en de plotse dreigende terugkeer van zijn middelbare schooljaren hadden hem doen hyperventileren.
Onder zijn schedelpan werden de verbindingen voor het plan gelegd. Elektriciteit smeedde de structuur van een ongekende daad en elke dag werden de verbindingen sterker. "Niemand die vermoedt, welk een vulkaan hier woedt", dacht hij nogal pathetisch. Hij wilde graag een dichter zijn, maar hij wist niet goed hoe.

De stem fluistert zachtjes in zijn grote oren: "Het is bijna daar, de laatste avond. Morgen, oh morgen!" Hij schatert van het lachen. Hij heeft alles, ze zullen het ontgelden. De pariphernalia gaan er als eerste aan. Hun onvoorstelbare nutteloosheid is een doorn in zijn machtige oog.
Alleen op de woonkamer/slaapkamer van zijn kleine appartement en met de muziek van de Noorse band Burzum hard op de achtergrond kan Gil de boosaardigheid van de hoge noorderlingen voelen, bijna smaken. Op een dag reed de Noorse blackmetalmuzikant Varg Vikernes van de band Burzum samen met een vriend en een tas vol bijlen en messen als compagnons naar de woning van zijn collega Oystein Aarseth en bracht hem met 23 messteken om het leven. Hij stak hem 2 keer in zijn nek, vijf keer in zijn hoofd en zestien keer in zijn rug, toen hij al neerlag. Hij beweerde dat hij uit zelfverdediging handelde. Gil voelt zich als een viking, alleen op zee, het is ijskoud op zijn snaak, maar het beloofde land is in zicht. Hij kleedt zich uit en laat het warme water in de kleine smerige douche langdurig op zich neerstorten. Hij masturbeert en wanneer het zaad tegen de wand spat zet hij de kraan uit. De resten laat hij op zijn buik drogen, hard worden, membraanachtig. Een deel ervan druipt tussen zijn tenen. Zijn slappe lid, zijn eendachtige voeten en zijn veel te lange tenen. "Maar die tenen zijn deel van de grootheid , niet meer Gil, maar G." Het was altijd al zijn wensdroom om fysica te worden.

Gekleed in zijn zwarte jeansbroek staat hij halfnaakt voor zijn raam. Zijn natte haren bewegen door de tocht en zijn tanden klapperen van de kou. Hij spreidt zijn armen en laat de klanken hem langs zijn rug omarmen. Hij zou weg kunnen vliegen, dat ligt in zijn macht zegt hij, maar Gil heeft nog een strijd uit te vechten. Hij is de lafheid van de hoop voorbij en eenzaam maar heroisch moet hij een gigantische demon bevechten. Winnen of verliezen, triomferen of sneuvelen, hij is er nog niet uit wat hij eigenlijk wil. Hij wil misschien wel levend doodgaan of in de dood doorleven: het maakt eigenlijk niet uit. De wereld zal anders zijn, en hij zal niet meer in menselijke categorieën denken. Zo schat hij zijn kracht in, zo zijn zijn denkbeelden. Hij is God, de almacht en alle snaren, de wereld lijkt op hem gebouwd en de mensen zijn maar apen.

En terwijl de wereld huilt, smijten de apen met hun stront en grijnzen de hyena's tot hun tandvlees bloedt.

Dit enigszins actuele kortverhaal is opgedragen aan de menselijke domheid.

dinsdag 13 januari 2009

Theorie der Sferen

Een man die zijn leven aan het wetenschappelijk bedrijf wijdde sprak vanuit zijn nis tot de zee en Eurynome, moeder van het schikken: "Laat ons onbenullige spelletjes spelen en onszelf op de steriliteit van dode weetjes bevruchten, laten we bevallen van een kreng, slijmerig en kreupel als een versgeplukte mossel. Laten we het een mantel aandoen en kijken of het binnen tien jaar nog kan lopen. Laten we de peuter als hij ons niet meer bevalt door zijn hoofd schieten, zwanger van nieuw gepruts door een oud paradigma. Laten we zo onze tijd verdoen tot we ergens iets vinden." De peuteraar op rust sloot zijn ogen, moe in zijn beroeste alkoof, murw door het gebeuk van de baren. Hij zag ooit god in de potloodlijn die zeventig punten verbond, nu zag hij slechts nog punten.

maandag 12 januari 2009

Het Ene is verdwenen

Een gebouw gaat in gruis en euforie overvalt ons want we zijn geen bakstenen meer. We verlustigen ons in onze macht. Verval is het verlagen van de grond om water te doen stromen. Fluxus, alles stroomt. Boem, alles moet kapot.

Het is een gekoesterde illusie om wat anders te geloven.

zondag 21 december 2008

Dood van Edward, kerstman

Naast zijn in een rood pak gestoken dode lijf vonden ze een briefje, met daarop een gedichtje.

"Het verlangen gaat verder, vertrekt
Een kerstmutsje geeft het vleugels
En laat me hier heel erg zielsalleen
Verschopt als een vuile feestvloer"

De uitpuilende blauwe ogen van Edward pasten aardig en leuk bij zijn blauwe tong die uit zijn verkrampte mond stak. "Gestikt in eierpunch", zei de dokter, en hij haalde zijn schouders op. Niemand moest echt om hem huilen, maar de buurvrouw was toch wel wat geraakt. Ze had hem gevonden, zo. Edward woonde al jaren alleen, en de mensen van blok 5D zagen hem eigenlijk maar één keer per jaar, op het jaarlijkse kerstfeest in de foyer, en dan nogin zijn hoedanigheid als kerstman. Nu was hij dood. "Wie zal er zijn appartement nu nemen?", verzuchtte de concierge. Mevrouw Wils van 3B zag er geen graten in: "Hij maakte soms erg veel lawaai, vooral 's nachts. Een vreemde man."
"Jezus, mens, heb je dan geen schaamte. De man zijn lijk is nog niet koud en je zit al over hem te roddelen", zei jonker Daniël verontwaardigd.
"Is het waar, van dat lawaai?", fluisterde de weduwe van jean Desmet nieuwsgierig tegen mevrouw Wils. Edward liet al het gepraat over zich heen gaan, hij was immers dood, maar hij zou er anders ook niets over gezegd hebben. Dat lag niet in zijn aard, hij was een veeleer stille, rustige kerstman. De stroom mensen die zijn appartement overspoelde vergaapte zich aan de militaire eretekens en de vele foto's van militaire operaties en exotische locaties aan zijn muren. Edward was, voor hij de kerstman werd, luitenant bij de strijdkrachten.

Hij stond met zijn rug tegen de zijkant van een boom en keek ademloos naar het zwaar glooiende landschap dat aan de einder in de N'jelo berg overging. Pierre nam zijn schouder in zijn warme stevige handen. Hij plantte een kus op zijn blote nek. De majoor en de luitenant waren naar het noordoosten van Angola getrokken om eindelijk alleen te kunnen zijn. Droevig sloot hij zijn ogen, en hij draaide zich langzaam om, keek hem strak in zijn ogen. "Ik ga terug, terug naar België", zei hij, "ik heb ze te lang in de steek gelaten." en terwijl hij met de palm van zijn hand de kaak van zijn geliefde streelde, werd hij plots resoluut en pathetisch: "Ik kan het ze niet aandoen." Ze keken elkaar lang aan.
"Kan je het mij wel aandoen, dan?" zei hij, en hij trok zich los uit hun omhelzing, hij sprong over enkele bomen, liep, rende, schreeuwde naar de goden boven en de saters beneden en geraakte ondanks zijn fantastische fysieke vorm buiten adem en kwam enkele tientallen meters als een bevende schreiende pudding op de grond terecht. De verwachte warme armen van de majoor kwamen er niet, hij bleef alleen achter. Hij keerde naar België terug en begroef zich in blok 5D in diepe herinneringen.

"Hij moet een soort van militaire held geweest zijn", prevelde de weduwe van Jean Desmet vol eerbied, want voor officiële functies had zij alle achting. Zij liet het nooit na om de wijkagent even bij zich te halen als hij zijn ronde deed en hem te vertellen welke goede werken hij eigenlijk toch verrichtte.

Een vijftal jaren na zijn terugkeer van Angola kocht Edward plots een hoop rode stof, wat watachtige vulstof voor de revers en stikte hij een volledig kerstmanpak. Iedereen was verbaasd en enthousiast toen hij er plots in opdook op het jaarlijkse kerstfeest. Het werd een jaarlijkse traditie. Ze leerden Edward kennen als de eenzame kerstman die hij was, meestal verborgen voor de wereld, maar stralend in zijn rol voor één dag per jaar. Toen iemand hem eens vroeg waarom hij het eigenlijk deed lachte hij alleen maar. Hij nam de kinderen op zijn schoot, deelde cadeaus uit en er kwam jaar na jaar een kortstondig gevoel van warme vreugde over de mensen van blok 5D. Na het feest keerden zijn naar hun woningen terug, alwaar zij de armzaligheid van hun gammele meubels en de breekbaarheid van hun ultradunne muren even vergaten.

"We zullen hem missen", zei jonker Daniël en iedereen knikte instemmend. De politie kwam aan in het appartement en ze joegen de vele pottenkijkers uit de woning van Edward. Ze staken zijn opgezwollen lijk in een zwarte zak, namen het er weer uit in het ziekenhuis, iemand onderzocht het lichaam, concludeerde verstikking door eierpunch en dat was dat. Hij kreeg een kleine herdenkingsdienst die door de meeste mensen van het gebouw werd bijgewoond. Verder was er niemand.

Op een dag enkele weken later vond de concierge dat het toch wel eens tijd werd om het appartementje van Edward leeg te maken en hij stak alles in dozen en bracht het naar de centrale ruimte, waar iedereen eens kon kijken of er nog iets bruikbaars bij was voor al zijn spullen weggegooid werden. "Ik stel voor dat we deze een ereplaats geven", zei de concierge toen iedereen aanwezig was en hij toonde een oude foto aan de aanwezige mensen. Op de foto stond onderaan 'Angola 1987' geschreven. Hij toonde een man in een militair uniform met in plaats van een kepie of helm een kerstmuts op zijn hoofd en met een valse baard voor zijn gezicht. In zijn linkerhand hield hij een zak, waarmee hij schijnbaar aan het zwaaien was. Hij had een brede glimlach op zijn gezicht. Hij zag er gelukkig uit.
"Onze Edward, we zullen hem missen", zei jonker Daniël terwijl hij met zijn vingertoppen over het gezicht van de afgebeelde soldaat ging en iedereen knikte instemmend. De concierge gaf de foto een centrale plaats in de ontvangstruimte, op hun kerstfeestjes zou de kerstman niet ontbreken. Hierna doofden de concierge het licht en gingen ze naar hun appartementen terug. Niemand huilde, maar dat gaf niet.

Op de achterkant van de foto stond nog iets geschreven. Er stond 'denk aan me, mijn lief, als ik er niet meer ben, houd me even in je hart' en er stond nog een kruisje achter ook. De majoor op de foto bleef alleen achter, en de duisternis deed zijn glimlach vervagen. Ook hij was nu ook alleen.