zondag 16 december 2012

Waarom hij opeens een levensloos object kuste in een door mensen druk bezochte plaats.


Hij dacht: “Je bent er niet. Maar goed. Even op mijn tanden bijten.”

Ze kleedden zich in geel en groen en wit. Ze hadden kappen over hun mond. Ze droegen handschoenen en ze leken te slenteren als zombies. Eéntje stak een naald in zijn arm. Hij probeerde in te zoomen op zijn gezicht. Het beeld werd maar niet helder.  Het beeldscherm van zijn hartmonitor flikkerde. Er was niemand die zijn brein trachtte op te eten. Dat was dan toch een opluchting.

Hij had meer flessen met dingen op sterk water verwacht. Pancreassen, levers, harten en nieren, één enkel groot brein met een stukje ruggengraat. Niets daarvan. De kamer was vruchteloos en kaal. Het was geen ruimte om in te leven. Hij vroeg zich af hoeveel mensen er hier al gestorven waren. Was het licht in een ruimte ooit al zo geel geweest? Er lag een nicotinekleurige filter over alles. Hij probeerde het gonzen van hun zielen te horen. Alleen de elektriciteit in de leidingen en de stappen van de dokters en verplegers.

“Vijfentwintig jaar en het is de eerste keer dat je in een ziekenhuis komt?”, had de dochter gelachen. Een gebruinde technicus zonder mond. Alleen de rimpels rond zijn ogen verrieden dat hij gevoelens had. Hij bedacht dat hij vast een zeiler was. Hij moest onwillekeurig aan reclames van Club Med denken.

Zes boeken waarvan hij vond dat iedereen ze moest gelezen hebben. Misdaad en straf, De meester en Margareta, Vaders en zonen, de Kreeftskeerkring, Slachthuis 5 en Voor Wie De Bel Luidt.

Drie Russen en drie Amerikanen. De oorlog is gedaan, de wereld is mooi in twee gedeeld.
De russen: bijna ondoordringbaar, religieus, diep en melodramatisch, maar ook lichter dan een veertje. De Amerikanen: seksueel, speels,  altijd op de oppervlakte maar nooit ver van de kern.

Wat waren hun boodschappen, wat dreef hen? Waarom had hij hen gelezen? Waar gingen al die teksten over? Hij kon het zich niet herinneren. Al zijn vragen leken slechts naar andere vragen te leiden.  

 Hij vroeg hoe laat het was, maar de dokter begreep hem niet. Zijn tong voelde gezwollen aan.
“Je gaat nu slapen, hoor.” Een stem met een brede grijns met kattentanden. Over de inktzwarte achtergrond druipen bloederige  stromen. Slapen is verstommen. Hij probeerde zich te verzetten, maar het harnas rond hem was loodzwaar geworden.

“Ze heeft een goede lach”, dacht hij. Hij probeerde het woord “mooi” te mijden. Hij was bang dat hij zichzelf belachelijk zou vinden. Maar “goed”, dat ging nog wel. Hij lag op zijn zij naar haar te kijken terwijl zij op haar rug maar wat lag te lachen. Een uur ervoor, beiden nog aangekleed, had hij haar glimlach minder goed gevonden, maar hij was best ook wel nog oké geweest.

“Hoe heb je de penetratie gevonden?”, vroeg hij. Die had ze best wel goed gevonden. Het strelen en het liefkozen mocht er ook wel zijn. “Ik wil voor eeuwig bij je blijven”, wilde hij zeggen, maar in plaats daarvan zei hij: “tien minuten”. Meer gelach. Hij kon zich niet inbeelden dat hij iets grappigs had gezegd.

Hij typte een verhaal op zijn tekstverwerker en hij herlas het en hij dacht: “ik schrijf met andermans handen en ik lees met een vreemde stem. Ik ben mezelf onbekend geworden.” Hij printte de bladzijden uit en scheurde ze kapot. Hij keek naar haar plek op de zetel.

Het was al half drie. Hij zette zich recht om nog een fles uit de koelkast te nemen en hij vroeg zich af waar ze bleef. De grond kwam vliegensvlug op hem af. Alsof hij op een vliegend tapijt was gestapt. Er was niets solide aan de vloer. Het was nochtans een stevige van steen. Een dure. De storm in zijn brein bereikte zijn bewustzijn net nadat hij had kunnen bellen. Hij was sprakeloos. Waar zou ze nu zijn? Daarna duizend kleuren en een lauw gevoel dat van zijn keel uit naar al zijn ledematen ging.

De eerste nacht in het ziekenhuis. Duisternis en de schaduw van de planten. De zesde verdieping zou nooit zo veilig mogen lijken.

“Als het ding an sich bestaat hoop ik dat het lelijk is”, dacht hij, “want wat zou er anders het punt van zijn dat we het niet gewoon kunnen zien?”

Lelijke dingen: hijzelf in zijn puberteit, de asbak van zijn moeder, wat hij tegen haar zei toen ze toegaf dat zij hem niet wilde houden. “Lelijke, stomme, talentloze, middelmatige hoer.” Dingen die hij niet meende.

“Als god bestaat dan hoop ik dat hij niet houdt van technocraten”, dacht hij, “dan hebben we toch al één gemeen.”

De eerste ochtend in het ziekenhuis. Een vrolijk zoemende jonge verpleegster die hem water en wat zompige boterhammen brengt. Een tweede verpleegster, ouder en norser, die zijn polsslag meet. Hij maakt een grapje. Eéntje lacht en de andere vraagt hem naar zijn “welgevoelen”. Hij knikt maar wat. “Vrouwen zijn zoveel mooier dan mannen, al zijn ze nog zo nors”, denkt hij en dan moet hij weer lachen.
De televisie gaat aan om elf uur en de oude vrouw naast hem verstomt al haar gesprekken. Het is alsof ze het universele signaal tot stilzwijgen heeft gekregen. Op zijn scherm knabbelt een koala van wilde eucalyptusplanten. Hij heeft een heel kleine piemel, zo’n koala, en met een curvatuur, zo weet men te vertellen.

De dokter komt voor de middagpauze en hij bromt wat. In de namiddag mag hij naar huis. Of hij blij is. Blij genoeg. De dokter beweegt even zijn mondspieren, alsof hij zijn gezicht verplicht om haar spieren te trainen ook al wordt er niet echt gelachen. “Hij heeft zeker en vast een zeilboot”, denkt hij en hij kan het zilt ook al ruiken, “of anders heeft hij zijn piemel niet goed gewassen.”

’s Middags vertrouwt zijn buurvrouw hem toe dat ze haar vorige kamergenoot niet vertrouwde. Of toch niet zo erg. Het was wel een brave, maar er was iets dat niet koosjer was aan zijn ras. Ze zegt dat ze zo haar redenen heeft om dat te zeggen en ze tikt daarbij tegen haar neus. Hij vraagt zich af of ze de piemel van de dokter ook heeft geroken, daarnet. “Wellicht niet”, bedenkt hij, “want daarvoor zat ze te diep met haar tong in zijn reet.”

Hij wordt binnen een paar uren ontslagen en ze is er nog altijd niet. “Ze gaat niet komen”, denkt hij. Hij vraagt zich af waarom hij de vorige nacht heeft overleefd. Het lijkt allemaal zoveel moeite en zoveel gedoe, al dat verder leven. Hij probeert de ademhalingsoefeningen die de vrouw naast hem kreeg voorgeschreven ook eens uit. Ze merkt er niets van.

Om half drie staat hij in zijn kleren van de dag ervoor op het voetpad voor het ziekenhuis. De zon maakt alles witter en echter dan het feitelijk is. Tussen de atomen bevinden zich vreselijke leegtes, zo herinnert hij zich, en terwijl hij zijn eerste stappen zet vreest hij dat hij ertussenin zal vallen. 

Maar niets gebeurt, het voetpad blijkt niet eens elastisch mee te veren met elke stap die hij zet. Hij denkt: "Ze is weg voor altijd", en hij zou willen huilen, maar in plaats daarvan gaat hij een broodje eten.  Hij bestelt een broodje dat Martine heet. Hij vindt het een grappige naam voor een broodje en denkt:  “Er valt altijd wel wat te lachen.” Hij geeft zijn broodje een zoen en de mensen fronsen.

Geen opmerkingen: