woensdag 22 augustus 2012

Kansai


Een bronzen poel, droom voor mindergoden,

Bedelaars, schmukkig, lange baarden en tranen,

Lachen is jezelf in one cup ozeki sake laven,

Een  straatsteen worden om jezelf te tanen.

 

Hoe kunnen tempels zo’n gaten boren,

Gouden dak, zilveren glans, plastic zakken,

Niet slechts schildpadden hebben koude ogen,

Zielen naar vroeger, lichaam kapot, travakken.

 

In het getto verkopen ze ninjaschoenen,

Er zit geen plutonium in alle groenten,

Leugens zijn er tegen het liegen,

Mannen houden nooit van mannen.

 

Binnen achter hoge gevels en deuren,

Labyrint als een oud wijf haar tanden,

Durf je arbeid en vege lijf weg te geven,

Aan kleine meisjes en ballen in zeeplanden.

 

Tussen Osaka en Kyoto,

Een langgerekte sliert als Vlaanderen,

Ook al kan je kilometers rennen,

 Huizen, wegen, winkels, geen verschillen.

 

(Vorig leven:

Ik was ooit een pachinkobal,

En ik rolde, rolde maar wat,

Flikkerende lichten in het heelal,

Betekenisloos tot in het gat.)

 

En mensen zijn mensen zijn beesten,

Geef ze vlees om te kauwen,

Geef ze daken om onder te feesten,

En laat ze, laat ze, kom niet dichter,

Je zal het je berouwen.

donderdag 21 juni 2012

Walen stelen vet van Bart De Wever.

La Louvière - Het parket van Aalst heeft een aanhoudingsbevel uitgevaardigd tegen een aantal mannen die verantwoordelijk zouden zijn voor de drastische afname in het gewicht van Bart De Wever (N-VA) van de laatste maanden. Pierke Buikspreker, de procureur van Aalst, wilde één en ander kwijt over de zaak: "We kregen een aantal maanden geleden een telefoontje van de huilende partijvoorzitter van de N-VA. Hij was in alle staten en hij sprak vooral in Latijnse citaten, maar uit het gesprek konden we toch opmaken dat hij de Walen ervan verdacht stiekem doch systematisch zijn vet af te romen terwijl hij sliep. We zijn onmiddelijk een onderzoek begonnen, maar het heeft een tijdje geduurd voor dat zijn vruchten heeft afgeworpen. We hebben een behoorlijk grote oppervlakte aan huid moeten afspeuren, aangezien meneer De Wever zo vreselijk vet was. Maar nu is het zover, dankzij moderne forensische technieken hebben we de identiteit van de drieste vetstelers eindelijk kunnen vaststellen."
Het gaat om drie kwaadaardige Islamitische oost-blokkers van Waalse afkomst. De mannen zijn waarschijnlijk ook werkloos en ontvangen maandelijks geld, dat met kruiwagens uit Vlaanderen over de taalgrens wordt gedropt. Het is niet duidelijk of de politie en het parket een idee hebben waar de Walen zich verbergen. In de wandelgangen wordt echter gefluisterd dat de mannen een tijd geleden een aantal weken in het paleis van de Groothertog van Wallonië in Marche-en-Famenne logeerden. Verschillende getuigen terplekke bevestigen dat ze een aantal schrale types gezien hebben die in de straten van Marche-en-Famenne grote sier maakten met een grote hoeveelheid buikvet. "Je kon zo zien dat het gestolen waar was", vertelt een inwoner, "zo'n buikvet heb je gewoon niet in Wallonië. Dat was duidelijk Vlaams buikvet. Echt goeie kwaliteit. Gezellig vet." De hele episode heeft een heel nare invloed gehad op Bart(je) De Wever, die nu noodgedwongen als een mager man door het leven moet, althans voor een poosje. De voorzitter was niet beschikbaar voor commentaar, maar wel voor frietjes. Of de voorzitter onder het "Margriet Hermans Effect" zal lijden en er voortaan niet meer dik, maar wel erg eng zal uitzien, is nog niet duidelijk. EINDE. (FD)

The science of the future.

So Demur didn’t call out,
His voice stood there, motionless,
Grinning too,
Like a drained and gutless boar,
Nobody played the piano,
And there were no white horses.

 Blood gasped softly upon the ceiling,
Thin copper metal bubble, unburst,
Some were breathing, still, shallow beating,
Moronic remnants of their own forever.

Mushrooms growing out of split peas,
Malignant melanoma upon molecules,
Just feasting on and slurping away,
A liquid banquet of putrid skin.

Jolly forces reclaiming the stolen ground,
Gone, the boozer with the heavy forehead,
With the hapless voice, always whispering,
In the universal language of the cosmos,
Green vegetation on the blackboard of,
The blind one with his microscope.

Nobody protested,
Sighed or wept as,
They picked up their beakers,
 And their flasks, and accelerated,
And departed,
Through the walls,
And into the nothing,
In their reptilian trend.

Hopeless and unwilling,
They perceived a desperate quest,
To pierce the void, the abyss,
The gaping space between,
The world and its meaning.

“For sure,
There must be
Somewhere,
Some,
Neutrino,
Still out there?”

Nothing for ages,
They stopped to stare,
 At their bloodless hands,
And rubbed them on their bodies,
So red and callused and redundant.

“What is this thing,
Relentlessly burning above our heads?”

With nothing worth believing in,
There was no reason to keep on harvesting,
Redundant knowledge for their robot brains.
But as any good old neurotic would,
They just kept on going.

dinsdag 12 juni 2012

Peristalsis.

Underneath a,
Boring old liver,
Dog walking,
The rotten slumber,
Deeply in my brain,
When will all,
This lacking and
Faceless sucking,
Tear me asunder,
One big bloody push to,
Flush me out, at last,
A gob of shit in a tube,
Trembling before,
A shut down sphincter.

woensdag 30 mei 2012

Minderwaardigheid is een complex waarin ge geen winkels kunt bouwen.


Eerst wild vergroeien,

Dan proberen om weer los te komen,

Van het groene landschap,

Met zijn dorre koeien.

We speelden in den hof,

En Houdini de leugenaar,

Die eigenlijk Willy heette,

 Zei:

“Mijn ballen zijn als knikkers,

Ze tikken, tikken en ze mikken,

Mikken op de eeuwigheid.

Ik heb het hinkelspel opnieuw uitgevonden,

Het wordt nu zonder hinkelen gespeeld,

En zonder voeten.”

Wat een rare peer,

En zo zat en schurftig,

En simpel en lelijk.

En Pietje de Botanicus,

Van Roger het boerke,

Van Eulalie van de laller,

Zong:

“Ik ben een gele slunzige plant,

Mijn kop steekt boven het gras,

Maar dat bromt niets, want,

Ik sta willoos in een pot,

rot.”

En monseigneur André,

Na zijn wild en vurig verlangen,

In den hoek van den toren,

Door zaad te hebben vervangen,

Preekte aan den toog:

“Och mannekes toch,

Die zwarte beren in de Kongo,

Die zitten te wachten op onze Heer,

En wie zal Hem brengen?

Ikke niet.

Mijn voeten doen zeer.”

En ik dan in het midden,

Van heel dien troep,

Zo zot als een petroleumlamp,

En ik moet niet peizen dat,

Ik beter ben, of minder zat,

Omdat ik wat boekskes heb gelezen.

Oh Vlaanderen,

Hoe hebt ge mij,

Zo’n zotte kop gegeven,

En mij zo onnozel gemaakt,

En waarom, toch, waarom,

Ben ik het ook altijd gebleven?

zondag 27 mei 2012

Izanagi's yearning


Wandering alleys and temples,

The faint ringing of her bells and ribbons,
The scent of her underbelly,

The mildewed invasion of,

Ancient Yamato,
Ripping us apart,


In the land of the put down runt,
The sun is radiant,

All is fine as ever,
Dust strikes hard upon our brows.


Oh Mikoto,
Strut around my pillar,

If you holler first,
We’ll raise a tar skinned child,

A real blood sucker.


To be on an island, so solitarily,
Most fitting for a tenno,

In search of his basis,

And finding only cancer,

What a joke.


I left in the morning,

Time of dew and sweat,

Upon her curves and branches,

Unseen by servants and maids,
Sneaky and low and bloody and chanting,

You’ll get a letter before tomorrow.

Your iridescence of skin,
Great chameleon of my soul,

In this dullness of sin,

Is precious beyond,
All things seen.














maandag 21 mei 2012

Fysiologisch pessimisme.

De huid bloedt de lippen leeg,
Over de aderen druipt een web van vlees,
Waarin alle humoren besloten zitten,
“Bloed”, zo zong de Galliër
“Blauw en rood, gele,
En zwarte gal,
Het ergste moet nog komen.” Maar,
Dat wist ik al.