donderdag 11 juni 2009

La reine (de la literature Flamande) Margot

Jullie favoriete cynicus geeft het grif toe: hij is een klein wraakzuchtig eikeltje. De schrijfster en journaliste Margot Vanderstraeten, momenteel wellicht het bekendst als de controversiële opvolgster van ouwe bleitknar Bernaar, schopte ooit vrij hard tegen zijn ego en nu kan hij het mens niet meer luchten. Het liefst zou hij de bovengenoemde vrouw, vanaf hier toverkol, met haar billen bloot aan haar kuiten aan een lantarenpaal langs de E17 richting Oostende zien bengelen. Bij voorkeur tijdens een verlengd weekend, zodat de kindjes op weg naar zee een pedagogisch waardevolle les bijgebracht kan worden. ("Nee Pieterke, voor culturele hoeren kennen wij hier in de Vlamen geen genade. Die moeten allemaal kapot. Je moet niet wenen jongen, ze had erom gevraagd.") Tussen droom en werkelijkheid staan gelukkig luiheid en beleefde voorzichtigheid en deze schuchtere knaap is uiteindelijk veel te lief om zich te vergrijpen aan zijn dwaze rancunes, maar het is mijn inziens niet keurig om objectiviteit te simuleren waar er te veel emoties in het spel zijn. Dus: ontplof objectiviteit, ik haat Margot Vanderstraeten.

Ik las “Alle mensen bijten”, de met de Vlaamse Debuutprijs bekroonde roman van de toverkol, met een mélange van afschuw en hilariteit. Het is een melodramatisch verhaal over een zekere Lydia. Lydia is een vrouw die het moeilijk heeft. Uiteraard. Vrouwen hebben het in de metafysica van Margot, als we al zo stout een woord mogen gebruiken, zonder uitzondering moeilijker dan de doorsnee Iraakse vluchteling. Margot is ogenklaarblijkschijnelijk een volgeling van de psycho-analyse (dan wel niet die van Freud of Lacan, maar eerder een versie van Dunaldy) want de seksuele en emotionele trauma's uit de jeugd van het personage zijn allesbepalend voor haar latere leven. Haar moeder is alcoholiste, haar vader is een hoerenman en ze wordt op haar kostschool verkracht door een bende rigide nonnen. (Helaas vermeldt Margot niet of het al dan niet met strap-ons gebeurt en of er al dan niet video-opnamen van het evenement zijn.) Hierdoor groeit ons lieftallige flat charactertje Lydia op tot een bikkelhard mannenhatend teringwijf, wiens misandrie door de schrijfster overduidelijk erg sympathiek wordt bevonden. Eind goed al goed. Ik vraag me af wat ze nog op VijfTv spelen. Misschien wel iets met Yasmine Bleeth. Dat zou echt te gek zijn.

Maar wacht eens even? Ik hoor iets!
Kreunde daar iemand? Hoor ik in gedachten Hugo Claus zachtjes grienen in zijn graf omdat de literatuur in Vlaanderen nu echt gestorven is of zit Bernaar weer een potje te huilen op mijn stoep omdat hij alles te mooi vindt?

Het, godbetert, met een debuutprijs bekroonde boek leest als een flauw afkooksel van de eerste de beste soap. De personages verdrinken in obviousness, de dialogen geven nooit de indruk van dialogen maar zijn anderzijds ook niet literair genoeg om andere kwaliteiten te hebben en van spanning heeft de toverkol geen kaas gegeten. Heinz Konsalik, de overbekende Duitse schrijver van stationsromans, springt spontaan in onze gedachten. Je neemt wat romantiek, een verhaallijn die rammelt ("Maar wat zou het ook, ik sta daarboven", moet Marge gedacht hebben), nog wat oppervlakkige personages. Je kruidt het geheel met een lauwe saus van kwaadaardigheid en moeilijk te overwinnen obstakels en klaar: je hebt een boek als een Iglo-menu, klaar in vijf seconden en flets. Ja flets. Maar wel klaar in vijf seconden. De prulletjes van Konsalik zijn volgens deze formule geschreven maar, in tegenstelling tot de romans van Margot, razend populair en wel nog een beetje spannend. Bovendien schreef hij er om en rond de 150 van, soms wel vijf per jaar. Hij was ook geen arrogante hoogdravende vrouweikel. Margot schreef drie boeken in zes jaar (en dat is geen aansporing om er meer te schrijven), verkocht extreem weinig exemplaren van haar eerste twee romans (de derde zal door een meer uitgekiende marketing wel beter lopen vermoed ik) en haar schrijfsels zijn even opmerking als een potje muilen met Martine Tanghe. En ja, ze is ook een hautaine vrouweikel. Tegen ons verzuchtte ze ooit dat 'het toch wel vervelend was om aan de top te staan' want 'dat je dan nooit geen kritiek meer kreeg'. Wel, daar kan ik dan even een handje helpen, geloof ik.

Kijk, Marge, schatje. Geen probleem als je voor de ‘Flair’ of voor ‘Goed Gevoel’ wil schrijven. Je zou kunnen uitblinken in het genre ‘harde eerlijke vrouwen die op een stilistisch povere manier door mannen in de harige lippen worden getrapt’ als je nog een beetje oefent. Doe maar. Leef je uit, geef de meiden iets om naar uit te kijken. Het drieledig ontaarde rijk van het kwaad, Roularta, Sanoma en Corelio, verdient het immers ook om te blijven bestaan en je zou voor de duistere Triple Alliantie een geniale bijdrage kunnen leveren door het schrijven van amusante pulp. Maar beweer dan niet dat je een serieuze schrijver bent, Midge, zuurtje van mijn gal, want daar krijg ik de Rikiki van.

Het is altijd een slecht idee om als schrijver verliefd te worden op je hoofdpersonage en ik hoef geen lang betoog te houden om te bewijzen dat je in ieder geval autobiografische elementen in je personages legt als je over ze schrijft en ze dingen (meestal gebeurtenissen, maar in het geval van Margot ook vaak non-eventen, pun intended) laat meemaken. Een schrijver kan dan ook niet zonder een zekere dosis zelfhaat, ook al is hij de meest larmoyante romanticus die oprecht in het heroïsme van zijn hoofdpersonage gelooft. Als je de boeken van Margot leest kan je je jezelf niet van de indruk ontdoen dat ze het gewoon heel de tijd over zichzelf heeft en wil bewijzen hoe speciaal, uniek en vrijgevochten ze wel is. Goed dan Wil iemand haar in godsnaam vertellen dat ze speciaal is? Ze zit intussen alweer aan haar derde kutboek, het is welletjes.

Deze dekselse vrouw, deze absurd ongetalenteerde verwerkelijking van de menopauze staat nu elke twee dagen met haar schrijfsels op de voorpagina van wat één van de meest intellectueel voorname kranten van Vlaanderen zou moeten zijn. Gelukkig staat het me vrij om de krant niet meer te kopen als ik haar kop of naam zie verschijnen. Maar dan mis ik zoveel! Ah nee, wacht, ze hebben iedereen van belang ontslagen. Oef.

Ik geef jullie nog een uitsmijtertje mee, want als de VRT het mag, dan… Ja dan mag VTM het ook! (Fuck you lezer, fuck you.)
In het onderstaande filmpje vertelt ze geheel in haar onnavolgbare stijl (want ik wil best toegeven dat ze onnavolgbaar is) de grootste en meest prachtige wijsheden die ik in lange tijd gehoord heb.
Margot heeft net een boek gelezen en wat blijkt? Ze is trots als een kind op haar prestatie en het biedt toch wel ook nog eens daarbovenop en plus extra en voor niets de oplossing voor alle wereldproblemen zeker! Oblomov, als in het hoofdpersonage van het boek van Gontsjarov, had de economische crisis helemaal voorspeld! En wij hebben dat niet gelezen! Domme mensen, we hadden al die financiële miserie kunnen voorkomen als we gewoon wat meer romans hadden gelezen. Nou moe.

Klikkie

zondag 7 juni 2009

Hooikoorts

Ik ben een elegante man.

Laat ik dat even preciseren. Ik zou graag een elegante man zijn, maar ik ben wellicht gewoonweg ijdel.

Ik bekijk mezelf voortdurend in spiegels, winkel- en autoruiten en volg tijdens het stappen mijn bewegende silhouet zorgvuldig. Ik heb daarbij geen achting voor de oordelen van andere mannen. Ik minacht de oordelen van andere mannen actief. Ik denk: “Wie zou er nu zoiets willen missen?” Wanneer andere mannen zichzelf in ruiten bekijken dan denk ik: “jeannet.”

Al jaren lijd ik aan hooikoorts. Wanneer ik moet niezen (soms valt zo’n kriebel gewoonweg niet tegen te houden) dan kijk ik na de laatste stuiptrekking onmiddellijk rond me in de hoop dat niemand me gezien heeft. De gêne is groot als ik plots merk dat iemand inderdaad mijn snotterige hand en/of mouw in de gaten heeft. Meewarig kijkt hij of zij naar mij en denkt daarbij waarschijnlijk: “Nu ja, die jongen heeft hooikoorts.” Mededogen dat ik altijd voor spot verwar. Het is het grootste probleem in mijn volwassen bestaan. Het is een interpretatief probleem. Valt wel mee, ik weet het, ik kon ook de kanker hebben, maar het is toch een probleem.

Er zit iets komisch in de nies van een mens die ondanks zijn interne problemen met zijn alledaagse bezigheden bezig is. Hij niest om zichzelf te bevrijden van de kriebel maar haalt zich daardoor iets veel vervelender op de hals, hij wordt plots het luidruchtige punt van alle aandacht.
Zijn gezicht gaat in een grimas, zijn halsspieren gaan stram en stijf staan en hij klapt zowat half voorover. Het niezen heeft hem overvallen, hij had geen tijd om zijn zakdoek te nemen, het slijm hangt zowat overal. De omstanders maken zich, half proestend, uit de voeten. Hij doet alsof het hem niet stoort, snuit even en gaat door met wat hij deed (of vuurt eerst nog even een nieuw salvo af), maar vanbinnen hoopt hij: “alsjeblieft niet meer, jeuk ga weg, vade retro.” Hij beweegt zijn neus als een soort van schichtig konijn. Zijn hele lijf is geconcentreerd op het tegenhouden van wat er toch gaat komen, een vijandige en gewelddadige neusejaculatie.

Hij niest opnieuw. Mensen lachen. Hij mompelt iets verontschuldigend, zijn zakdoek voor de zekerheid in de aanslag houdend. “Je maakt het alleen maar erger, gek. Blijf van je neus.” Als hij even zou pauzeren zou niemand erover vallen, maar hij negeert het probleem hardnekkig.
Het niezen maakt hem kwetsbaar, het is ongewild exhibitionisme en maakt de omstanders tot voyeurs die moeten lachen om zelf geen schaamte te voelen.

Het ‘hatsjoe’ is het ongewilde gebed van de onmachtige die zichzelf op het toneel van de ander projecteert. Het vraagt: ‘wil me niet aankijken, want ik ben maar een lichaam, vatbaar voor alles, ik ben zwak’. Het rukt zelfs de grootste ijdeltuit of egotripper uit zijn egotrip.

Niezen is als onbeantwoorde liefde. Het gevoel is niet voluntaristisch maar breekt door tijdens een trip met de auto als je alleen bent. Je denkt aan haar gezicht en iets dat ze zei en er trekt plots een regen van zijden messen door je lichaam. Je wilt haar aanraken maar je hoopt dat ze je geaffecteerdheid niet zal zien als je bij haar bent.

Gelukkig: niets dwingt je om te niezen en om jezelf op die manier te verraden. Er gaat geen fysiologisch onbedwingbare kriebel mee gepaard. Je kan het voelen, de emotie die door je lijf giert maar het is hooguit te merken aan wat extra zweten, stamelen en je stem die nu en dan omslaat.

Misschien is de eerste onuitgesproken verliefdheid het mooiste moment, want wie zegt dat ze straks op je gebeden in zal gaan? De kans is groot dat je straks met snot in je handen voor haar staat en dat je hoopt dat je verder zal kunnen zwijgen. Maar eens de stortvloed is begonnen is het nog maar moeilijk om hem weer te stoppen.

Ze denkt vast “Nu ja, die jongen is verliefd.” of toch "Wat een domme sukkel?" Je wilt spot noch mededogen, dus het maakt niet echt uit. Je zou willen dat ze je lichaam bespringt en je geest zou gaan bewonen. Ze doet het niet.

Gelukkig: niets dwingt je om te niezen en jezelf op die manier te verraden. Maar wat, als ze toch ja zou zeggen? Wil je die kans dan wel missen? En ach je kent jezelf, je bent immers zo’n ijdele man, die maar wat graag aan zijn hand iets moois in de spiegels ziet voorbijglijden.

zondag 31 mei 2009

Kort leven, nu bellen. (in de TT)

Ik zal je handen wassen, ik zal je voeten laven en ik zal je honger van je wegnemen.
Ik zal niet versagen, ik zal roemrijk ten onder gaan.
Ik zal a en b zijn en c,d en e vergeten tot de z.
Ik zal je naam met affectie spellen.
Ik zal geen steen onomgekeerd en geen boom onbeklommen laten.
Ik zal als vissen in je poelen zwemmen.
Ik zal je diertje zijn en je poesje te eten geven (ik ben allergisch voor feleinen).
Ik zal geen seksueel getinte metaforen gebruiken.
Ik zal een stoute jongen en een brave bengel zijn.
Ik zal linguini met je eten. Ik zal nooit de verjaardag van je mama vergeten.
Ik zal schreeuwen, roepen en ook wel praten tot je ruft me in het gezicht raakt maar.
Ik zal daar niet over klagen.
Ik zal je haren kammen en je huid bedwingen.Ik zal aan je ruiken tot morgen en.
Ik zal je niet als ik het wel kan en.
Ik zal je niet als ik wel moet.
Ik zal geen verplichtingen kennen. Ik zal je wilde jaren mennen.
Ik zal oud zijn en ik zal denken.
"Ik zal nog één keer met haar vrijen."
Ik zal me opbergen en ik zal er vreselijk uitzien en ik zal vergeten worden.
Ik zal je niet ontzien. Ik zal je pijn doen.
Ik zal je spijt ontzeggen en.
Ik zal in je lachen.

vrijdag 15 mei 2009

Toen bleef ik staan.

Nasaal en verkouden en misantropisch en beleefd nam ik nog een cracker en verliet ik het grote feest, de deur met een smak achter me dichtplakkend. "Die zitten mooi voor altijd opgesloten", dacht ik. Maar och, "wat is de wereld kil en blauw en gemaakt van caoutchouc. Dan kan je maar liever aan de binnenkant zitten, in het vlees, tussen de levende lijken. Daarbinnen.", bedacht ik te laat. Al te laat, want het temporele heeft de neiging om de dingen die uitmaken ver achter zich te laten. Meer nog dan het harige heden en de tandenloze toekomst herdenken wij de ruimtes waarin wij het genot beleefden. Onze ervaring is volstrekt spatiaal, tijdloos tot het einde van de duur. Zo zijn we dan ook weer wel.

In het holst van de nacht zoog ze me op met rode ogen, bloederige emulsieve poelen, purper niet door het schreien maar ook niet uit lust. Ik betrad haar benen, maar enkel in gedachten, dus ik lachte met haar moppen en haar triestigheden en hervond me in haar dromen. Ik stond stijf van de hemoglobine, het schoot alle kanten uit.
"Je hebt hele mooie dromen", wilde ik haar zeggen, of misschien "Ik vind dat je zo leuk en schattig lacht, als je lacht" maar zelfs dat durfde ik niet. Ik ben een dorstig en angstig wezen, ik durf niet veel, ondanks die kurkdroge bek van me. Ik droeg de jas van de vrouw die ik ooit beminde, ik was beschermd tegen ziekten, een bruine lap rond mijn roze lenden.
Ik dronk en zij dronk: we dronken.
Ik wilde haar vertellen dat ze mooi was maar vroeg mezelf af of daar geen betere formulering voor was. Het was een dwaas verlangen, want wat de fuck kunnen woorden. Ik zei: "Misschien moeten we eens opkrassen". Toen bleef ik staan.
Stilstand is niets zonder de gedachte aan de verscheuring, hompen vlees voor de raven, mijn met honing ingesmeerde buik en een griezel-y-beer.
Ze vertelde me dat het niet kon, en ook "Eén leven is nooit genoeg" en dat was de waarheid, of iets dat daarbij in de buurt komt en ik verbood haar om ooit spijt te hebben. Ik had zelf wel spijt: de waarheid heet banaal te zijn, maar doet daarom niet minder pijn.

Buiten en.
In de verte hoorden we Damascus en zijn slakken. Duizend afgebeulde ijskoude lijken van werkers in ruil voor een lila hoed voor Leo X. Een jood met sluik haar droeg een kruis naar zijn slaapkamer, een moeilijk af te schudden gewoonte sinds jaren, we zagen het door zijn ruiten. De wereld binnen leefde alweer, als ecoli in de darmen. De nucleaire woestenij begon op anderhalve meter van mijn armen. Ik bazelde wat als "Ik ben radeloos en buiten mijn zinnen." en beet op mijn tong om te kunnen zwijgen. De passie vliegt per chartervliegtuig heen naar warmer oorden. Een tel en het is over en in het moment vindt de hele geschiedenis zijn concentratie en wat maakt het uit dat ik een man ben en jij een vrouw, als dit niet kan of mag gebeuren? Er gebeurde niets minder dan veel maar er lag een twijfelwoord in al onze zinnen.

Ik zit als Diogenes in zijn ton, maar dan op een stoel en zonder ton, en ik hoor inderdaad de honden blaffen naar de put in mijn genenziel. Larmoyant misschien, maar het is niet anders. Ik ben hier alleen, en wat niet dood was is in die nacht dan maar gestorven. Gecrepeerd.

donderdag 14 mei 2009

Illyricus Blaaskorst

De Belgische dichter Illyricus Blaaskorst (1889-1933) schreef, tijdens een bui van hevige inspiratie bij het lezen van een bundel van de hermeticus Mallarmé, wel twee en een halve onvolledige gedichten. De gedichten waren van een ongekende genialiteit ondanks hun gargantueske betekenisgeslotenheid en blonken vooral uit in het zeggen van het niets. Moeten we niet, op het einde van de dag, gelegen op onze buik, en misschien met een maes pils in de hand, allemaal "een 'pintje' gaan pakken" zoals de dichter suggereert? Wie zal het zeggen, het mysterie ligt vooral in het raadsel en nooit daarbuiten, in het park bijvoorbeeld, waar de zon schijnt. Geniet van deze literaire parel, exclusief op delaatstecynicus.blogspot.com en ook op youtube, enzo.

vrijdag 24 april 2009

HV I

Druppels in de zon
Tuinen van smaragd,
Gekraak van gevels,
De gangen leeg,
De vloer is glad en stil,

Moeder zoogt ons,
met gekloofde tepels.

donderdag 9 april 2009

Rit naar Messier 24.

Vervolg van Wake-up call

Download het hele verhaal als Epub: Hier

Met zijn handen in zijn zakken, en diezelfde handen in die zakken omzwachteld met zware plastic verbanden, wachtte Blaffetuur Argwanend op de Pony-express van half zeven. Het dikke synthetische materiaal van de interstellaire stationsbuis stelde hem gerust.
“Ik ben toch wel tevreden om in de rijkste van alle rijke staten te leven”, dacht hij, “ook al is het er vaak droger dan in de kut van een woestijnwijf in haar menopauze.”

Het stationsgebouw was afgesloten met een driedubbele stalen deur met oog-, vingerafdruk- en silhouetidentificatie. In feite was je leven niet echt veilig na zes uur ’s avonds op de straten van de megametropool Durbuy. Het hordengeweld, de atavistische stammentwisten waaraan de rijke snobs met woedepillen zich na werktijd vergrepen, was de laatste maanden hevig uit de hand gelopen. Er werden bijna geen technologische wapens meer gebruikt tijdens de vele schermutselingen en meelees, alleen nog knotsen, buizen en stenen, en naar verluidt hadden velen ook de drugs die hen in een woedende trance brachten geheel en al uitgebannen. Puur op puur eigen chemische krachten geweld begaan was natuurlijk nog illegaler dan het gesteund door de pillen van de farmaceutische giganten te doen. De allianties waren willekeurig en schenen alleen gesloten te worden om het geweld en de eigen macht te maximaliseren. Er was met andere woorden geen sprake van oprechte allianties die iets met broederlijkheid of vriendschap te maken hadden. De clansleden handelden enkel uit sangui-politiek opportunisme.  De nieuwe Goddelijke Wind, een clan van door klassieke Aziatische oorlogsgeschiedenis geïnspireerde intellectuele snobs was op dat moment het sterkst, maar het viel nooit te voorspellen wie er in deze gewelddadige stadsarena de leiding over zou nemen. De overheid kende alle leiders, maar liet hen begaan, want ze wisten dat de ene hiërarchie al vlug overging in de andere en dat iemand arresteren alleen tot de onmiddellijke eliminatie van de leiderloze groep zou leiden. Voor de eerste keer sinds de Grote Droogte wisten de leiders van de federatie en de stadsbesturen van de Gouden Vier niet wat doen. Repressie zou hier niet werken en gezien de omvang van het fenomeen en de positie van vele clansleden zouden executies een catastrofe voor de economie betekenen. De wijze Ohm en zijn Stroombestuur, het hoogste orgaan van de hele federatie, zaten met de handen in de simulatiealgoritmes van hun virtuele haren.

Er was nog wel meer aan de hand dat niet in orde was in de Megalopool en daarbuiten. Het holonieuws berichtte constant over de rebel Briargh, een zwarte halfgod die zijn fortuin had verworven door de door de overheid gesubsidieerde speculatie op financiële transfers. Hij ageerde vanuit een geheime locatie en predikte een geheimzinnige ideologische leer waarvan de inhoud nooit onthuld werd. Blaffetuur sympathiseerde met Ohm, omdat hij verplicht de empathiemodule aan de basis van zijn schedel diende aan te klikken tijdens het holonieuws.

Blaffetuur wenste innig dat hij meer dan vijf keer gemasturbeerd had voor hij zijn eenmansflat, de enige soort die nog bestond, verliet. Maar de geschiedenis mocht dan niet onwankelbaar vast liggen in het behoorlijk solide krentenbrood van de ruimtetijd en het lag in de technologische mogelijkheden om kleine gebeurtenissen in het verleden aan te passen, het was burgers sowieso maar één keer per week toegestaan om het verleden te manipuleren. Blaffetuur had die maandag zijn krediet al opgebruikt via het auto-bio-netwerk (abn) toen hij zijn geschiedenis vervalste met drie boterhammen met bonenkaas drie uur eerder omdat hij honger had en geen zin had in vertering. Hij was nerveus als gevolg van zijn lange seksuele abstinentie en hij voelde de lust om zichzelf enkele neurotranquillizers, wat pretpillen of zo, toe te dienen mits een tongklik in zijn kaakwand. Maar zijn voorraad was nogal laag dus hij deed het maar niet, want hij wilde helder blijven. Zijn stress vuurde hem aan en hij had een vertrouwen in de obsolete methoden van de natuurlijke pretechnologische mens dat hem zowel bizar als irrationeel toescheen. Maar seksuele spanning was niet het enige dat hem voortstuwende angsten bezorgde.

De waarheid was dat hij de avond na het immateriële telefoontje van de zich ontvoogde Wendy, zijn favoriete hologram, zijn nummer één, al behoorlijk in paniek geslagen was. Het telefoongesprek dat zich ontrolde was simpel, romanesk en ontechnologisch. Wendy vertelde hem, natuurlijk, dat ze van hem hield en dat ze van hem wegging, dat ze haar eigen pad ging volgen, net omdat hun liefde nooit zou slagen, omdat hun relatie, zoals zij die wou, onmogelijk was in dit gestel, in deze wereld, met die toekomst. Hij zei: “Nou, ja.” Daarop had ze de verbinding verbroken. Een noodoproep naar de holo-centrale, drie tranquillizers en twee virtuele masturbaties verder lag hij al in een diepe maar onverzadigende slaap. Hij droomde dat hij een eekhoorn was, hoewel er nergens bomen te bespeuren waren, en hij droomde van de liefde, voor het eerst, alhoewel hij ze niet zo benoemde, en ze ook niet begreep. Hij voelde zich gewoonweg angstig. Hij werd wakker met twee bloedende sneden in de palmen van zijn handen. Zijn lakens en zijn lichaam waren besmeurd met bloed. Hij wist plots zeker dat hij ergens moest zijn. Op een plaats ver van waar hij was. Hij richtte zich op, iemand had een getal op zijn muur geschreven. Het was 1024, in Romeinse cijfers, een m, twee keer x, een v en een streep ervoor. Had hij dat dan gedaan? Had hij dat geschreven?

“Dit moet de heftigste schijt zijn die ik ooit heb meegemaakt.”, zei hij luidop en hij klikte zich een angstremmer in zijn brein.

Toen hij gekalmeerd was, en na de nodige masturbatie, die hij nodig had als een chocolaverslaafde zijn witte crunchybar, een chocoladesnoepje met 98 procent cacao, bitter, niet eens lekker en zeker ongezond. Kortom: overheerlijk.

“1024.”, dacht hij, “Het jaar duizendvierentwintig? Een antieke pixelresolutie? Een ïtiegeheugenformaat in bits. Dat lijkt onwaarschijnlijk.” Hij werd plots geholpen door de sterke intuïtie dat hij diende te vertrekken. “Een plaats? Een coördinaat?” Wat als de M nu eens geen deel van het getal is, fluisterde hij zichzelf in, alsof hij een dwaas inlichtte. M24. Sterrenstelsel M24. Hij wist zeker dat dat het was, de ontcijfering van de randactiviteiten bij zijn nacht in coma, maar hoe kon hij zo zeker zijn van iets waarvoor helemaal geen evidentie was? Hij haalde zijn schouders op.
“Ach ja, jij hebt het natuurlijk zelf geschreven dus natuurlijk weet je het zeker, kutkop.”

Hij boekte een ticket naar de parallelle aarde in sterrennevel M ‘Messier’ 24.
Messier 24 was voor het grootste deel onherbergzaam en werd bijna nooit bezocht, zeker niet door de verwende inwoners van de Groot-westerse federatie op aarde. Er waren vrijwel geen vakantieparadijzen, zoals in de andere nevels van het stelsel steeds wel het geval was. De meeste planeten waren barre onbewoonbare plaatsen en werden zelfs met de meest geavanceerde terraformingtechnieken buiten het bereik van de menselijke agricultuur geacht. De zogenaamde ‘parallelle aarde’ was een relatieve uitzondering op die regel en bereikte extrema in temperatuur die slechts honderd graden van elkaar lagen. Dat was weliswaar een groot verschil maar niet gigantisch als je het met de andere planeten vergeleek. De replica van een Noord-Amerikaanse mijnstad in het verschroeiend hete zuiden van Messier 24 uit de 19e eeuw was er de grootste trekpleister. Het was er een heuse drukte, met zijn 13 bezoekers per vijf jaar.

Ondanks deze kleine geosociale aantrekkingskracht was de aandrang om erheen te gaan te groot om te weerstaan voor Blaffetuur. Hij verklaarde de neiging tot vertrekken door een niet-lokaal krachtveld. In de twintigste eeuw ontdekten wetenschappers al dat sub-microscopische deeltjes elke geografische afstandbarrière konden overwinnen om een invloed op elkaar uit te oefenen, mits ze samen ontstaan waren. De deeltjes namen simultaan dezelfde beslissing, zonder daarbij een boodschap naar elkaar te sturen. Men wist zeker dat de deeltjes niet communiceerden op een gekende manier, want gezien de tijdsspanne en de snelheid van het licht was daar geen tijd voor. Later ontwikkelde men methoden om veel grotere systemen elkaar niet lokaal te laten beïnvloeden. De verklaring voor het mechanisme van die onmiddellijke globale impact van een factor bij een object op een factor bij een ander object was echter nooit gewonnen en bleef een mysterie voor elke onderzoeker, die er dan ook steevast de tanden op kapot beet. Niet-lokale beïnvloeding kon dus geïnduceerd worden, maar men wist niet waarom het gebeurde als men het veroorzaakte. De enige voorafgaande vereiste aan de procedure was dat het systeem dat gesplitst werd ooit één systeem was geweest en eenzelfde origine deelde. Tweelingen bleken de ideale proefpersonen en in de vroege periode van de quantumbiologische experimenten ontstond er daarover de nodige ethische controverse. Wetenschapper werden door het slijk gesleept, beschimpt en voor dr. Mengeles versleten. Eén wetenschapper liet, gegrepen door de arrogantie die de zwaarwichtigheid van onderzoek omringt, zijn eigen twee zoons aan een experiment onderwerpen. Het experiment verliep prima maar de man verloor al vlug zijn verstand en ging in witte gewaden op een berg in Tibet zitten. Ze vonden hem met zijn reet aan zijn stoel gevroren terug, zo dood als lazarus voor Jezus Christus de hartmassage uitvond. Zoals dat gaat verloor men (de media, ook wel de mensen, ook wel de publieke opinie, in die tijd al volledige synoniemen) echter al vlug de interesse en onderzoekers werden met rust gelaten. Gestaag vorderden ze naar het niet-lokaal beïnvloeden van de menselijke geest. De experimenten gingen ver, en de causaliteit werd sterker maar het gezamelijke ontstaan bleef een niet te omzeilen obstakel.

Maar ook al schreef Blaffetuur zijn verlangens stiekem aan niet-lokale krachtvelden toe, dat wilde niet zeggen dat hij het ook geloofde of dat hij zijn gissingen rationeel vond. Hij was geen tweeling met Wendy of ze waren niet op een andere manier samen ontstaan. Meer nog, hij was een mens, een uitspuugsel van de levende natuur, en zij was een hoogst geperfectioneerd programma van de soevereine menselijke geest, ook wel het epifenomeen van de levende natuur. Wendy was maar een programma, niet eens echt in biologische zin, dat ze “verliefd”, wat dat dan ook wilde zeggen, zou worden was absurd. Dat hij verliefd op haar zou zijn was nog absurder.

Het was allemaal erg verwarrend en hij liet de schilden voor zijn oogbollen zakken om in afwachting van het verplaatstuig naar een interessante documentaire te kijken op de Rollende-oogbeweging-projector. Het voordeel van deze vorm van vermaak was dat je je dromen kon sturen zodat je tijdens je slaap de uren nuttig en prettig vulde met documentaire, drama en komedie. Het nadeel was dat je vaak opstond met barstende hoofdpijn. Blaffetuur koos voor een info-pornofilm, een populair genre in zijn tijd, over de opkomst van de door de clitoris gedreven verhaallijn in de kinderliteratuur van de laat 22e eeuw. Hij sloot zijn ogen en dommelde weg met de nieuwe wiegende prikkels.

Hij stapte op en zocht zijn weg in het tuig. De verschillende afdelingen van de sterrenkoets hadden van die leuke plaatjes om makkelijker je weg te vinden, pictogrammen zoals je in archaïsche systemen ook had. Hij ging zitten in coupé 5A-Y567IK, ook wel de coupé met het prentje van Alpha Centauri. Er zat maar één persoon, en Blaffetuur ging rechtover hem zitten, zij het ietwat diagonaal met zijn gezicht naar het raam, waarachter al een oneindige hoeveelheid aan grijze materie vlakbij de koets voorbijzoefde, als een monotone stoet 2dimensionele betonwanden. Het deed Blaffetuur denken aan de inrichting van zijn appartement. Hij moest ondanks zichzelf en zijn zenuwachtige staat glimlachen, trots als hij was om de ongekende gezelligheid van zijn woonst.

 Het uitzicht ging echter vervelen en hij overwoog of hij even zou masturberen. Eventueel kon hij aan de andere man vragen om hem te vervoegen in een of andere erotische module van één of ander holoprogramma. Vanuit zijn ooghoeken bekeek hij de man. Hij droeg een standaard synthetische plastic broek en een dik synthetisch t-shirt met lange mouwen en wanten van polyethyleen, aan zijn voeten had hij geen schoenen, aangezien hij gemodificeerde prothesen had met grijpklauwen. De klauwen deden vermoeden dat hij een klimmer was, een stevig sporter, maar zijn lichaamsbouw verried niets van die aard. Het was natuurlijk onmogelijk om op basis van uiterlijke biologische kenmerken te bepalen hoe oud hij was, want alle uiterlijke kenmerken van veroudering behoorden tot een ver verleden. Te beoordelen aan de vele anorganische prothesen en hulpstukken was hij een al wat oudere man, iets over middelbare leeftijd, zo rond de 160 zonnewendejaren. Daarmee was hij een stuk ouder dan Blaffetuur, die maar 47 jaren oud was.

Terwijl hij deze bemerkingen maakte en geheel en al als het ware aan een schelpvormig madeleinekoekje overgeleverd zijn eigen gedachten hun gang liet gaan kreeg hij een oproep op zijn communicatie-interface. Tot zijn verbazing belde de man rechtover hem nu naar hem. Zou hij soms zijn gedachten gelezen hebben? Dat was niet onmogelijk maar erg onwaarschijnlijk: de technologie was iets te illegaal om zomaar in het openbaar in een koets te gebruiken. Hij klikte de telefoon aan met zijn tong en stelde de modus af op ‘smalltalk’, wat inhield dat er maar keuze was tussen het overbrengen van enkele verschillende boodschappen met een triviaal karakter. Zinnen als ‘mooi weer vandaag hé’ en ‘reist u ver?’. Blaffetuur hoopte hierdoor duidelijk te maken dat hij niet erg veel prijs stelde op een gesprek. De man hield zich echter niet aan de protocolregels, boog op één of andere manier de beperkingen om en sprak hem aan met zijn voornaam. Blaffetuur reageerde heftig, aangevuurd door zijn zich in een staat van neuralgie bevindende perifeer zenuwstelsel, met andere woorden door zijn hoofdpijn. 

“Als u illegale programma’s gebruikt om mijn naam te weten dan zou ik willen dat u daarmee kapt.”
De man lachte luidop, een uiterst eigenaardige reactie in deze situatie, vond Blaffetuur.
Hij sloot de verbinding af, hij had geen behoefte aan de eigenaardige spelletjes van een excentriekeling. De man zocht meteen terug contact en Blaffetuur maakte een fysiek gebaar waarmee hij aanduidde dat hij geen verbinding zou maken.

“Die vervelende vent weet van geen ophouden”, dacht Blaffetuur toen het duidelijk werd dat de vervelende vent van geen ophouden wist en hij maakte contact om hem eens goed zijn vet te geven. De man wist hem te sussen met één enkele zin. Hij sprak met een vette stem alsof hij metalen stembanden had die ingesmeerd waren met olie, wat bij nader inzien waarschijnlijk ook het geval was.

“Wendy stuurt me.”

Lees verder: Moderne Luddieten.