Posts tonen met het label Heterobiografisch. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Heterobiografisch. Alle posts tonen

maandag 6 oktober 2008

Open brief aan de pitaturk en zijn onverstaanbare feuilletons.

Het overkomt me wel eens dat ik me op culinair bezoek bij de pitaman ontzettend eenzaam en uitgesloten voel. Dat heeft in eerste instantie natuurlijk te maken met het feit dat kebab een erg trieste staal van vrijgezellenvoedsel is en dat ik me ook slechts tijdens mijn meest duistere en solitaire momenten in het gezellige okergeel geschilderde holletje van mijn favoriete snor of snorrin bevind. Met andere woorden: wanneer ik niemand vind die met me wil eten of mijn gezelschap kan luchten eet ik pita. Leuk toch?
Er is echter nog een andere reden waarom ik me de laatste tijd op mijn ongemak voel in deze horecazaken voor gedegenereerden, studenten en fastfoodliefhebbers van allerlei slag.

Mijn pitaman (die ik voorlopig en tot in de eeuwigheid pitaman zal blijven noemen want ik vind het moreel verwerpelijk om hem om zijn naam te vragen, het zou een flagrante verbreking van het Oosterse mysterie van de mens zijn) is namelijk een fervent soapfanaat.

Nu houd ik sowieso helemaal niet van soaps. Geef me een aflevering van Neighbours te zien en ik ga mijn buren op hun smoel slaan, laat me een uurtje naar Familie kijken en de lust bekruipt me om mijn familie uit te schelden. Poot me neer in de zachte contreien van de Eastenders en ik krijg zin om Oostendenaren Engelse bolhoeden te geven, ze thee te laten drinken en hen de horlepiep rond een stuk Cheddarkaas te laten dansen. Faldera.

Maar ik ben een tolerant mens zoals mijn moeder wel zal toegeven, na enig aandringen, misschien nadat ze je verteld heeft over mijn voorkeur voor een totale ongegronde en instantane veroordeling van mensen, dieren en gebouwen die ik niet eens ken. Tolerant mens zijnde zou ik het kunnen tolereren als generische pitaman naar een of andere Vlaamse, Engelse of enigzins verstaanbare soap zou kijken. Goede tijden, slechte tijden. Prima, glashelder. (Soms zijn er goede tijden en soms zijn er slechte tijden.) The Bold and the beautiful. Welja, als je niet stoutmoedig bent ben je knap, en vice versa. Anders kan je ophoepelen. Tof, begrijp ik! Days of our lives. Leuk! Dagen uit ons leven, die zijn er in overvloed. (Behalve op één keertje en dan zijn ze op en dan sta je daar ook weer schoon te schilderen.) Ook de soap "Kutkutkut, ik ga echt de trein missen, gisteren weer te veel gezopen" vind ik watn aam betreft erg tot de verbeelding spreken. Maar wat in de naam van Uri Geller wil Asmali Konak zeggen? Asmatische Konan? Een sprookje over een barbaar met respiratoire problemen? Of kende een zekere Ak een zekere Asmali? Waarna natuurlijk nog een mysterie blijft: wie zijn Asmali en Ak?

Nee, daar versta ik echt geen ene reet van, van al dat Hettitisch geblaat. Goed, mijn polyglotie reikt tot hoge maar tot eindige hoogten en ik kan niet verwachten dat ik elke onnozele taal die er op de wereld is kan leren spreken. (Ik spreek al het volstrekt onbenullige nederlands, dat kan wel volstaan.) Maar dat is het punt niet: ik schets even de situatie.

"Een Dürum met Andalouse alstublieft."
Hij kijkt naar het scherm. Hij lacht. Er is een of andere vrouw te zien aan een tafel, alsook een (knap) jong gesluierd meisje en een man in pak.
"Zeker meneer met Andalouse."
Heel de bereidingstijd van mijn Dürumrol lang kijkt hij met één oog naar het scherm waarop een of andere man in met modder besmeurde en gescheurde pak over de grond sleept, de branding tegemoet. Het lijkt me erg dramatisch, maar zeker ben ik daar niet van, want ik versta er vooralsnog geen reet van. Pitaman zegt me de prijs van mijn Dürum, ik betaal en paf, vier potentïeel interessante minuten van mijn leven verspild omdat hij naar een soap kijkt waar ik absoluut geen snars van snap.

Vroeger was dat anders. Toen hingen er nog geen televisieschermen in pitazaken.
Toen vroeg zo'n pitaman: "Lekker weer he meneer?"
Of: "Meneer veel gewerkt vadaag?"
Of: "Meneer ziet er erg parmantig uit vandaag."
Interessante toffe vragen van een man vol levenslust. Een man die met zijn twee voeten in het echte leven staat en zichzelf niet verliest in één of andere godersakkerse fantasiewereld vol met kwelende en lachende en vaak afgeborstelde Osmanen. Een man die vragen stelde waarop ik dan laatdunkend kon antwoorden. Vragen waarop ik mijn wenkbrauwen kon optrekken of "dat zijn je zaken niet" kon zeggen.

De gouden tijden van de pita zijn voorbij, zoals het er nu voorstaat kan ik beter naar een frietkot gaan. Als daar de vtm opstaat, versta ik er tenminste nog iets van en hoe hard ik dan ook word genegeerd, het geeft zo'n lekker thuisgevoel om zeker te weten dat je sociaal in de kou wordt gezet om volstrekt onbenullige redenen.

Thuis. Bah. Ik ben niet jaloers op die Turken met hun waarschijnlijk ijzersterke soaps, grrrmbbl.

zondag 11 mei 2008

De capriolen van een pretentieloze, doodeerlijke, brave, vriendelijke totale klootzak.

Ik ken op de wereld maar twee mensen die echt onverdeeld hilarisch grappig zijn. De eerste van dit duo lolbroeken ben ikzelf, hoewel ik vroeger grappiger was, of zo vertelt men. De tweede oerclown ontmoette ik een tijdje geleden op de Irisfeesten in Brussel. Zijn naam was Eduard, hij was 42, ongehuwd en gescheiden, kalend en meestal straalbezopen. Eduard had het grootste deel van zijn leven in Charleroi gewoond maar hij is desondanks een rasechte Vlaming met Antwerpse roots. Hij sprak me gisteren in Brussel aan met de woorden: "Koningin Victoria kan ferm mijn kluten kussen. Met haar moralistisch gezever." Ik was onmiddelijk verliefd op deze flamboyante en erg marginale man, die daarbovenop een zeer kwalijke lichaamsgeur had. Hij vertelde me dat ik hem Chanduard te noemen had, in het Nederlands zou dat Kalduard worden maar dat vond hij niet goed klinken. Hij liet de keuze toch aan mij. Ik koos voor het eerste en vertelde hem waarom. "Dat kan mij geen kluten schelen, manneken. We gaan nog enen drinken." En zo gingen we, op naar het avontuur, de wijde wereld in.

Na een kwartier in de eerste de beste bar aan het noordstation, alwaar vrouwen wel zeer dicht tegen onze tafel dansten. Zeer dicht, zeg maar op de tafels. Chanduard had mij een gogobar binnengelokt. Ik heb ooit één cola gedronken in een hoerenkast,maar wat het combineren van horeca en ranzigheid betrof overtrof dit zeer sterk al mijn voorgaande ervaringen. Chanduard scheen zich niet te storen.
We zaten na 15 minuten praten al aan het verhaal van zijn 30ste levensjaar. Zeer korte rechtenstudies, een mislukte legerdienst, een mislukte carriere op een olieplatform, een overbeschermende dominante moeder, een overbeschermende dominante vrouw, even later een ex-vrouw, een kind met leerproblemen en een vlucht naar het zuiden van Spanje waren al aan de revue gepasseerd. Op dat punt raakte Chanduard in ernstige logische problemen.

"In Spanje heb ik de ware betekenis van het leven voor de eerste keer gezien."
"Haja?"
"De mensen iets wijsmaken en het zelf geloven."
"Zoals?"
"Dat ge een patser zijt, dat ge goed kunt beffen, dat ge een financieel wonder zijt. Tegen uzelf vertellen en dan genoeg herhalen tot ge het zelf gaat geloven."
"En werkt dat?"
"Dat is het juist. Van het moment dat ge dat beseft zijt ge verloren. Slaagt ge er niet meer in om u zelf iets wijs te maken."
"Moeilijk."
"Zoals die bosaap uit de deer hunter altijd zei. Fucking A."

Hij nam een slok van zijn breedgerande pint, het schuim bleef aan zijn poreuze lippen hangen, waardoor hij er nog meer uitzag alsof hij leed aan ernstige en waarschijnlijk dodelijke vorm van hondsdolheid. Zijn ogen hadden de kleur van wijnappelsienen. Hij stonk nog steeds dodelijk uit zijn bek. Ik besliste dat hij mijn grote voorbeeld op deze wereld was. Hij was niet echt van plan om zijn theoretische uiteenzetting over de levenskunst te staken.

"Het enige wat ge uzelf derna nog kunt wijsmaken is dat ge iets meer weet dan de rest. Dat ge een wijsheid hebt die de anderen niet hebben."
"Maar dat is ook zo, toch?"
"Ik merk dat ge ook al in mijn val gelopen zijt. Het gaat niet makkelijk voor u worden manneken. Wat ik juist beschreven heb, een mens die zo denkt, weet ge hoe ze dat in de volksmond ook noemen?"
"Een filosoof?"
"Een zot. Ze noemen dat een zot. En vanaf het moment dat ge besloten hebt om een zot te worden, kunt ge u beter ophangen. Alle pret is zo uit uw leven."

Op dat punt besliste Chanduard dat het genoeg was geweest met al die ernst en hij schreeuwde naar een vent aan de andere kant van het groezelige vertrek dat hij "direct bij hem kwam".

"Dat is Agressieve Fons, we hebben nog iets te bespreken."
Agressieve Fons had een stierennek, een zeer gebruind gelaat en een aantal gouden ringen met indrukwekkende edelstenen. Hij droeg een donkerrood hemd waarvan de kraag rechtstond, zijn haar was met brillantine stijl achterover gekamd. Als je naar hem keek liepen er onwillekeurig rillingen over je rug. Als hij naar jou keek kon je maar beter je knieën beschermen.
"Maar laat ik nog iets vertellen. Het is een parabel. Wildet horen?"
Ik knikte van ja, nog altijd een beetje onder de indruk van heel de van testosteron zinderende omgeving.
"Op een dag staat Koningin Victoria des morgens op en ze gaat naar haar raam. Ik spreek over Koningin Victoria als oude vrouw hé. Ze was al ver voorbij houdbaarheidsdatum. Haar kouch was al dichtgegroeid en ze had haar citroenensmoel zo geoefend dat ze zelfs niet meer kon lachen als ze wilde. Elke ochtend ging ze naar het raam om naar de lucht te kijken, want zoals de meeste ouwe wijven vond ze het weer heel belangrijk. Het weer en over dode mensen praten waren zowat haar hobbies. Nu koningin Victoria staat aan het raam en ze ruikt een vreselijke stank. Echt de vuilste rotte vleesgeur dat ge u kunt voorstellen. Een beetje zoals de afvalcontainers van een leerlooier. Ze draait zich om, want ze wil de oorzaak van die geur vinden, ze kijkt naar haar bed, maar ze ziet niets. Ze zoekt gans de kamer rond maar nergens vindt ze een teken van enige bron van stank. "Strange", peist ze, maar het was een volhardende vrouw, een bikkelhard wijf. Ze komt op het idee om ook eens onder haar bed te kijken. Ze kijkt onder haar bed..."
"En...?"
"Een hele plas vloeibaar schijt met in het midden van de plas een wit object dat ze niet direct thuis kan brengen. Ze roept haar knechten om het ding uit de plas te vissen en het blijkt een gezellige 18e eeuwse damesonderbroek te zijn."
"Wat gebeurde er dan...?"
"Hoe wat gebeurde er dan? Gij dommekloot. Koningin Victoria had onder haar bed gescheten, haar onderbroek erin gesmeten en was dan gaan slapen. Ze was gewoon gaan slapen boven haar schijt."
"Ja, oké. Maar het is een parabel zeg je, wat is de boodschap dan?"
"Het is al gelijk wat de mensen over u vertellen: als ge onder uw bed schijt en ge zijt het 's morgens vergeten dan gaat het niet goed met u."
Bij die laatste zin stond Chanduard al op van het tafeltje, daarbij voorzichtig opletten dat hij de schaars geklede vrouw niet van het tafeltje duwde.
"Drink wat ge wilt, ik ken de eigenaar. Als ge lief zijt tegen de meiskes moogt ge misschien foefelen. Ik moet weg."
Hij ging bij de man met de stierennek aan de andere kant van de ruimte staan. Cindy, het meisje dat net nog op mijn tafel danste, ging wulps naast me zitten. Ze was niet onknap, op enkele vieze tanden in een overigens perfect gebit na.
Chanduard maakte aanstalten om naar de achterkamer te vertrekken, maar niet voor hij me nog iets toeriep. Ik verstond er geen woord van. De rest van de avond werd heel vervelend en ik kwam wat te weten over Cindy en haar collega Samantha.

De volgende dag stond ik op met enorme hoofdpijn. Ik ging naar mijn vensterraam om te kijken welk weer het was. Plots vingen mijn neusvleugels de meest vuile rotte vleesgeur. Met een waanzinnige sprong stond ik naast mijn bed en na een flinke ademteug keek ik angstig onder mijn bed. Niets te zien. In mijn bed lag een onaangeklede gogo-danseres. Ik kon de stank niet verklaren. Mijn geest trachte de mysterieuze woorden die Chanduard net voor zijn vertrek naar me riep.
Woord voor woord sijpelden ze bij me binnen. Na enige reconstructie kan ik met zekerheid zeggen dat hij dit zei: "Als ge denkt dat ik stink moet ge morgen maar eens aan uw fluit ruiken als ge met die vuile Cindy daar vogelt."
En zo geschiedde.

woensdag 30 april 2008

De onpartijdigheid van fruit


Als er vandaag een uitspraak met een zeker waarheidsgehalte door mij kan neergezet worden dan luidt deze: ik heb vandaag zeer veel aardbeien gezien. Dat komt doordat ik vandaag op bezoek was bij een Limburgse aardbeienboer. Jos. Een degelijk 'dirt in the ground' type die Jos, ook niet te beroerd om het een en ander aan te klagen als dat moet. Dat boeren het niet makkelijk hebben bijvoorbeeld. Dat hij een aardbeienboer van de derde generatie is, maar dat hij zijn kinderen niet aanraadt om een vierde generatie te worden. Aardbeien worden gekweekt in grote glazen serres. Het is er altijd windstil. De hommels bestuiven de planten en de aardbeien hangen hoog en droog. Zo ongeveer een meter twintig hoog, schat ik. De aardbeien zijn altijd stil. Ze klagen niet, ze kniesen niet, ze hebben geen besef van de devaluatie en de inflatie in de wereld van de bewusten. Tussen die rijen loopt de boer, ook wel Jos genaamd, met zijn eeuwenoude boerenzorgen. Kan ik nog overleven? Ik scheur mijn broek aan dat fruit. Hij is vergeten hoe hij vroeger van de vruchten hield of wil dat niet toegeven. Hij is ook vergeten hoe zijn vader tegen hem zei dat hij nooit landbouwer mocht worden en hoe hij dat wel deed uit liefde voor de stiel.

Mijn stille bewondering voor de man en zijn noeste arbeid zorgden ervoor dat ik dit niet verried. Ik knikte alleen maar instemmend en hoopte een soort van riem onder een soort van hart te zijn. Ik begrijp zijn zorgen, het leven is onbarmhartig en hard voor ons allemaal, zeker als er wezens afhankelijk van je zijn. Maar laat één van zijn beide zonen alsjeblieft aardbeienteler worden.

dinsdag 29 april 2008

Echte mannen

Echte mannen flossen niet. Ze hebben slechts een zeer vaag besef van tandhygiëne. Echte mannen laten tandhygiëne over aan andere en meer fijngevoelige mensen. Mensen die een muziekinstrument spelen en poëzie schrijven. Echte mannen rijden met een bmw 'decapotabel' en luisteren naar Hip-hop, hard Rock, hardcore of trance. Je kan een echte man niet alleen laten of hij heeft een hand in de voorkant van zijn broek gestoken. De haren van een echte man zijn altijd vettig. Tijdens het liefdespel wil een echte man altijd bovenaan liggen of alleszins de overhand hebben. Echte mannen houden van vrouwen maar zullen dat altijd ontkennen. Echte mannen kunnen vals zijn, en ook agressief en drankbelust.

Echte mannen luisteren naar de muziek van Streisand en vinden haar een klerehoer. Echte mannen zeggen zeer vaak; "Hippiegelul" en "Romantische quatsch".

Echte mannen begrijpen niet wat er met dit land en de wereld gebeurt. Als ze het programma "Queer eye for the straight guy" zien worden ze misselijk.

Afgelopen vrijdag kwam ik des avonds een echte man tegen. We wachtten samen even stilzwijgend op de bus, want een echte man voelt wel iets voor het concept van het openbaar vervoer. "Heb je een sigaret voor me?" vroeg de echte man. Ik zag onmiddelijk hoe slecht zijn tanden waren. Herkenning en identificatie traden onvermijdelijk op. "Nee, ik rook niet", zei ik. Voorzichtig en met overduidelijke afschuw schuifelde hij achteruit. "Ik heb maar één long. Oorlogswonde, achtendertig scherven", voegde ik er vlug aan toe. Voor een echte man is maar één long hebben de enige aanvaardbare reden om niet te roken. Zichtbaar blij kwam hij weer wat dichter bij me staan.

"Weet je...", zei hij nadat hij van één of andere niet-echte man alsnog een sigaret had gematst. En toen zweeg hij. Voor een echte man is het duidelijk wat een andere echte man denkt nog voor hij zijn zin afmaakt. Dus zei ik: "Ja hoor. Tuurlijk weet ik dat." Vervolgens staarden we een tijdje minachtend naar de vrouw aan de overkant, die een verwijfde man naast zich meetroonde. Als een echte man een verwijfde man ziet bij een vrouw denkt hij onmiddelijk dat die vrouw de aanzetster tot de verwijfdheid is.

"Moet je dat zien", zei ik.
Hij speelde vlug en snedig in op mijn observatie: "Ja" Vervolgens vroeg hij, "Heb je..."
"Moeten we eens doen." zei ik.
"Daar komt de...", zei hij.
"Ja ik moet de..." zei ik.
"Oké dan...", zei hij.
"Tot dan", zei ik.

Echte mannen weten elkaar wel te vinden, zeker nadat ze een degelijk gesprek hebben gehad. Ik stapte op de bus en groette de buschaffeur. Toen ik me op een bank had neergepoot, want dat doen echte mannen, zag ik dat hij een hand in zijn broek had. De slechte geur die uit zijn mond kwam was zelfs vanop een afzienbare afstand nog te ruiken. De plicht schreeuwde me toe. Ik zette me recht en ging naast hem staan, benieuwd wat deze echte man te vertellen zou hebben. Een echte man moet onvermoeibaar zijn in zijn omgang met andere echte mannen.

De wereld is zo rijk en vol met wonderen, dat kan je niet geloven.

dinsdag 22 april 2008

Opa, the sequel.

Hij zag geel en er zaten overal buizen in zijn lijf. Tot zover het conventionele.
Ze vertelden tegen elkaar; "Hij ziet er erg slecht uit." en "Hij zal het niet lang meer maken", of "Laat het nu maar vlug gedaan zijn." Dat zegt men dan. Ik kon me er niet toe brengen om dat lichaam aan te raken, dat ding dat daar lag, niet meer mijn grootvader. Hij gaf me nog een hand op het laatst, zijn handpalmen waren klam, ik beeldde me allerlei groteske immunologische dingen in. Soms dacht ik erg blasfemische dingen, maar niet over God, wiens grote onverschilligheid wij hem zeker moeten vergeven. Waarschijnlijk werkt Hij in een plasticfabriek en is Hij zodanig gefocust op het spenderen van zijn zuurverdiende geld aan een of ander nieuw snufje van Sony dat hij niets anders meer opmerkt. "Nog enkele honderden euro's.", denkt hij elke keer opnieuw. En als je hem enkele euro's later dan vraagt of hij er veel plezier aan heeft, aan zijn snufje, dan lacht hij je uit: "Ik ben aan het sparen voor een mountainbike, nu, wat kan mij de Powerstation 3 nog verdommen." Gotterdammerung.

Vervolgens ging hij dood, opa, niet God. Ook; hij legde het bijltje neer, hij gaf zijn pijp aan sinte Maarten, hij danste zijn laatste wals, hij betrad zijn laatste oever, hij keek Chaaron in het gezicht. Een beetje peuterachtiger: hij was ribbedebie. Waarschijnlijk bescheet hij zich. Ik hoop dat ik als ik sterf, zo ongeveer in het jaar 2548, een enorme schijtplek achterlaat waar ik lag. Zo geef je je nabestaanden tenminste waar voor hun geld. Ze zeggen dat het cynisch is om zoiets te zeggen. Sommige mensen zouden nog geen grap herkennen als ze zestien meter zou zijn en een fluogroene boerka zou dragen.

Sommige mensen, breek me er de bek niet over open.

Hij gaf me nooit goede raad, hij was niet mijn held, hij was geen heilige, hij was geen voorbeeld voor andere mensen en ik heb hem nooit een zinnig woord horen zeggen.
Maar toch wou ik dat ik zijn lichaam het mijne iets meer geraakt zou hebben. "Een knuffel", zouden sommige mensen zeggen. Ze zouden waarschijnlijk ook zeggen: "Gezellig" en "Het is hier echt genieten" en "Gewoon lekker niets doen". Laat ik het maar houden op een aanraking met betekenis, een blijk van begrip, van het ene sterfelijke wezen tot het andere.

Als redelijk goed substituut daarvoor stak ik me weg achter humor, doorbrak ik pijnlijke stiltes met nietszeggen opmerkingen en kreeg ik regelmatig waterige ogen waarna ik over het weer begon. If you wanna talk about inadequate, well that's inadequate for you.

Ik flans graag Engelse zinnen tussen al het Nederlands, dan krijg ik de indruk dat ik loskom van al die flanellen lullen als Lampoo, Vandeloo en Daisnes. Met dank aan Herman Brusselmans die ik in de vorige zin schaamteloos plagieerde. Maar ook hij is een flanellen lul, een gevoelige jongen met een delicate pen. Hij houdt van honden. Ze zeggen dat dierenliefhebbers gevoelige mensen zijn. Men placht dan te zeggen dat Hitler ook van honden hield. Alsof dat ergens op slaat. Paris Hilton houdt ook van honden. Ik niet. Ik houd niet eens van mensen, waarom zou ik dan houden van iets dat nog dommer is?

Hij leeft ergens achter een vitrine. Hij heeft zijn woonkamer ingericht achter een grote glazen ruit in een bocht van negentig graden met het trottoir. Dat wil dus zeggen dat hij achter een groot straatraam zit. Hij vindt het blijkbaar een te grote moeite om gordijnen te laten installeren, of hij kan ze niet betalen. Misschien is er een speciale reden voor zijn exhibitionisme. Ik heb het raden naar zijn specifieke drijfveren. Elke dag na mijn werk passeer ik zijn vitrine en dan zit hij daar naar de voorbijgaande mensen te kijken. Hij is grijs, oud, ernstig en waarschijnlijk verdrietig of erg ziek.

De eerste keer dat ik hem zag ging er een schok door me heen. Het moet zo'n week na de begrafenis van mijn grootvader geweest zijn. Ik liep een beetje verdwaasd over straat, ofwel omdat ik de dag ervoor dronken was geweest, ofwel omdat ik de zintuiglijke indrukken van de drukke straten niet kon verwerken, waarschijnlijk een combinatie van de beide. Ik liep voorbij de hoeren aan het zuid, over het Sint-Annaplein de volgende straat in. Ik stapte nog een honderdtal meter en keek toen achteloos en weinig bewust naar rechts. De ademende vleeswaren die daar uitgestald zaten benamen me prompt de adem. Opa 2; Grootvader with a vengeance

Je dode opa met een hollywoodfilm vergelijken, dat noemt men: slechte smaak hebben. Wat er ook van zij, alle kenmerken van de regelrechte Hollywoodsequel gingen op. Ik dacht eerst: "Leuk, nog eentje, kan wel tof zijn." maar ook "Godverdomme, gaan ze nu weer uit datzelfde vaatje tappen." Het verhaal viel tegen, aangezien de man achter een glazen ruit zat, en de film dus stom bleef, maar zoals dat gaat waren special effect duizelingwekkend.

Sinds die dag is opa 2 mijn vrolijke metgezel. Elke dag passeer ik zijn raam en ik ben al zover gekomen dat ik hem nu elke dag met een vriendelijke hoofdknik begroet. Vooralsnog knikt hij niet terug. Maar het komt. Ik zou het erg treurig vinden mocht hij op een dag niet meer aan zijn raam zitten.

Als een goede ingebeelde kleinzoon ben ik erg bezorgd over hem. Hij kijkt nooit erg gelukkig. Is hij ziek? Heeft hij wroeging over iets? Heeft hij misschien één keer te veel de smeerlap uitgehangen tegen vrouwen en hij daar spijt van? Heeft iedereen hem in de steek gelaten omdat hij een onplezierige lichaamsgeur heeft? Is hij een gefrustreerde universiteitsemeritus, die nooit die ene vergelijking in overeenstemming met de rest van zijn theorie heeft kunnen brengen?

Op een dag, voor hij finaal verdwenen is, zou ik eens bij hem willen aanbellen. Ik zou hem zeggen: "Vertel me eens meneer, wat u zo dwarszit." Hij zou me alles vertellen. Ik zou geen angst voelen voor zijn lichaam en gaandeweg zou hij mijn hand voorzichtig op de zijne leggen. Hij zou zeggen: "Het is goed geweest." en dan zou hij me innig omhelzen.

Maar ik durf het niet, dat aanbellen. De werkelijkheid valt ook altijd zo tegen. Ouwe mensen zijn meestal niet rozig, melancholisch en gevoelig maar in de regel zijn ze klagerig, ouderwets en hopeloos woedend op alles wat naar jeugd ruikt.

Hij zou maar eens die ene uitzondering zijn. Dan zou ik nogal wat missen. Als je uitgaat van de slechtheid van mensen maak je niets mee in je leven. Kan je evengoed alleen in de woestijn gaan leven. Je zal het zien op een dag bel ik aan, en het zal me misschien wel voorgoed geestelijk verheffen. Tot die dag verblijf ik bij jullie, mijn goede vrienden, een neurotische twijfelaar in gelijkgestemd gezelschap.

zaterdag 19 april 2008

De ideale leegte

Ze stapte traag uit mijn bed. Rond haar linkerenkel droeg ze het kransje dat een andere adonis, waarschijnlijk grover en mannelijker dan mezelf, haar gegeven had. Voor de rest was ze zoals de natuur het bedoeld had. Onbezoedeld door textiel, roze, glanzend, geurend naar lijflijkheid en een beetje bezweet, een schitterende aanblik. Ze beet op haar lip en staarde wat afwezig naar buiten, met een speelse glimlach op haar lippen.

"Weet je." zei ze grinnikend, "Ik denk dat ik een seksuele platonist ben." Ik zette me een beetje verbouwereerd rechtop in mijn bed. "Oh", zei ik. "Ik vrij nooit met jou, maar altijd met het idee dat ik van je heb." Nu moest ik glimlachen, stralend, ik kon het niet tegenhouden. Maar haar ogen glansden van het vocht. Dit was geen spelletje, het was haar menens. "Jij bent alleen echt voor me als je geen lichaam bent, of je bent dan zoveel echter. Ik ben bang dat als mijn idee van je zou vervagen dat je dan ook weg zou gaan."

In veel opzichten was ze mijn tegendeel. Maar iets van mijn revolutionaire kracht trok haar bij me. Het gebeurde op een avond in december. Het was die periode waarin iedereen gek wordt omdat er weer een jaar voorbij is maar er niemand is die dat ook wil toegeven. Het was alweer winter, en ik vond geen vrede, mijn hele lijf voelde koud. Ik liep door de straten, niets te doen zoals ik dat deed en zoals ik dat nog steeds doe. Dan zij, met een wollen mutsje, allerschattigst, onvermoeibaar vrolijk. Ze interviewde mensen voor één of andere corporatieve reus. "Wat doet u op Kerstdag, meneer?" Mijn antwoord toverde een bezorgde uitdrukking op haar gezicht. Later vertelde ze me dat de onverdroten grappigheid van mijn antwoord haar een onpeilbare droevigheid verried. Dat was voor haar meteen duidelijk geweest. Ik kan me met de beste wil van de wereld niet meer herinneren wat ik toen gezegd heb.

De grote verzorgende wolk die ze was moest me wel meenemen naar haar bunker. Een kale kamer waarin de weinige meubels een zeer distinctieve smaak verraadden. We hebben toen de hele nacht gepraat, de sterren weggepraat, of hoe zeggen ze dat met het cliché. Maar onze seks was geen bijzaak, die was er gewoon. Dat ging meteen, automatisch, ze was een fiets die ik nooit bereden had. En ik was een stijve hark met veel goede bedoelingen.

Het waarom van haar invitatie was me niet duidelijk. Ik ben een middelmatig gebouwde, middelmatig getalenteerde jongeman die het moeilijk heeft om zijn gedachten te focussen en bovenal geen baan kan houden. Zij was waanzinnig populair, meer dan doorsnee begiftigd met alle positieve eigenschappen waarmee een jonge meid begiftigd kan zijn.

Op een dag, we zagen elkaar al een twee maanden met een frequentie van zo'n tweemaal per week, legde ze het me uit. "In de normale wereld zijn wij natuurlijk niets voor elkaar. De wereld van het hier en nu bedoel ik, waarin ik werk en vrolijk ben, een succes in alle eerlijkheid, en waarin jij als een treurwilg je takken laat hangen." Dat was inderdaad zeer eerlijk uitgedrukt. De verbouwereerde blik op mijn gezicht spoorde haar aan om haast te maken met haar verklaringen. "Maar op een ander niveau zijn we als twee gescheiden elektronen, ver apart maar onoverkomelijk gelinkt. Als jij draait draai ik ook, ook al zit ik dichtbij de nevels van Andromeda en bevind jij je in de koude onvruchtbaarheid van Pluto de bijna-planeet."
Noem me een melige romanticus, beschimp me met de machokreten van de verenigde wereld, maar ik heb die avond gehuild als een peuter.

En later had haar stevige lichaam me te vertellen dat ze een Platonist was. Ze ging door, een en al tranen: "En hoe ik ook houd van jou als idee, dat is misschien niet genoeg.
Wat in tijd en ruimte gescheiden is, kan ergens anders nog samen zijn. En ik voel die verbondenheid met je als we samen zijn in al onze intimiteit. Maar de liefde verdraagt geen condities en geen voorwaardelijkheid."
Ik voelde het aanzwellen in mijn borst. In mijn trommelvliezen resoneerde, de tijd voorop, de echo van wat gezegd ging worden. Dat sloeg me neer en ik keek haar aan als een schaap op de slachtbank.
Maar ze liet het uitgesprokene alweer onuitgesproken en met een vrolijke stem spoorde ze me aan om me aan te kleden.

Ik zag haar na die dag niet meer. Ik hoop dat ze dit misschien zal lezen en dat ze zal weten dat ik aan haar denk. Ik weet dat ze gelukkig is en dat ze weet dat ik hoop op een hersteld contact. Maar er is natuurlijk geen haar op haar hoofd dat daaraan denkt, want zij vindt sequels fouten van slechte kunstenaars. Ik wil haar gewoon nog eenmaal aanraken. Het is zo waar dat we zo verschillend zijn. Om die gedachte moet ik altijd glimlachen, en zij, waar zij zich ook bevindt op dat moment, op een begrafenis of in de supermarkt, maakt niet uit, glimlacht dan ook.

maandag 4 februari 2008

Regionalistische reflexen en tribale pomo.

Wouter Beke, Christen-democraat en parttime dikke zaag, viel Joëlle Milquet vandaag in de Standaard frontaal aan. De officiële titel van Milquet is Cdh-voorzitter, maar ze is in Vlaanderen toch vooral bekend als 'Madame Non'. Beke beschuldigt Milquet ervan om uitgesproken regionalistische reflexen te hebben. Zij zou alleen voor België zijn omdat de financiële lasten voor de deelstaat Wallonië dan kleiner zijn. Regionalistische reflexen, dat komt een klein plattelandsjonk zoals mezelf zeer bekend voor.


Tot mijn studententijd woonde ik in de kunstmatige gemeente Groot-Hamme. Groot-Hamme bestond, en bestaat, uit de gemeenten Hamme, Zogge, Moerzeke, Kastel en Sint-Anna. Het hoeft waarschijnlijk niet gezegd dat de meer conservatief ingestelde Hammenaren, zo'n 95 percentiel van de gehele bevolking, deze fusionering nooit volledig aanvaard hebben. Vooral tussen Moerzeke en Hamme, de twee grootste deelgemeenten, heerst een rivaliteit die teruggaat tot de middeleeuwen. In de vroegere eeuwen keken de heren van Moerzeke vanuit hun kasteel in Moerzeke erg neer op de achtergestelde landbouwers van Hamme. Nu de Hammenaren, na eeuwen van achterstand, eindelijk in een bevoorrechte bestuurlijke, financiële en educatieve positie terechtgekomen zijn, is de rivaliteit ontaard in een regelrechte koude oorlog. Dat wordt ook weerspiegeld in de vlag van Hamme-Moerzeke, het blauwe van Hamme haakt zich in lineaire oppositie vast aan het groene van Moerzeke en vice versa.


Dat leidde, ook toen ik een pubertje met puistjes tot op mijn kont toe was, weleens tot een gespannen situatie. Ik weet nog goed hoe Hammenaren en Moerzekenaren het neutrale gebied Dendermonde, de meest nabije stad, uitkozen om daar hun vetes te gaan uitvechten, tot zeer groot ongenoegen van de plaatselijke ordediensten.

Belangwekkender en ook tekenender is wellicht het feit dat Hamme, door de stemmen van het conservatieve platteland dat de kern omringt, al sinds mensenheugenis door christen-democraten bestuurd wordt. Dat is een feit waar heel veel Hammenaren niet zo tevreden over zijn.

Nochtans, nog nooit hoorde ik hier in Hamme, of in Moerzeke for that matter, stemmen rijzen die een splitsing voorstelden. De oude rivaliteit kan dan ook het best gezien worden als een vehikel voor de eigen culturele identiteit. Dat jonge mensen in deze tijd van algemene vervaging van ethische, morele, sociale en culturele zekerheden aan zo'n vehikel vastklampen is zeer logisch te noemen. Maar het vehikel zal nooit een stormram voor verandering worden, want stiekem houdt iedereen wel een beetje van dat groot-Hamme. En als er dan eens een gemengd Moerzeeks-Hams huwelijk komt is iedereen eigenlijk blij, hoewel de wat bitse grapjes een heel leven voortduren. Humor is altijd de vrolijke gezel van de blijmoedige aanvaarding van verschillen, en daardoor de basis van tolerantie.