zaterdag 22 januari 2011

Ancientism

“Ik innoveer mijn keuken met beukenhout. Want dat is gewoon beter.”
Barbara, 43 jaar, geïndoctrineerd door beukenhoutmaffiosi.


Plastered in the rotting walls,
I am rocking the cradle
Of our stillborn baby
The house is quiet
Alien screams are leaving,
The festered gape of my mouth,
Momma,
What will we eat tonight
It echoes right back at my head,
There is no answer,
And death is all around.

I was never a swordsman,
In the imperial army.

Oblivion,
As I’m accelerating,
Greenish around the eyes,
With blue foam at the mouth,
Into the zombie-like state,
Of middle age.

donderdag 20 januari 2011

Van spite naar spijt, in minder dan 4 minuten.

"Homo homini pinata est."
Thomas Hobbes, na een paar pintjes, zwierend met een stok.


Die hele godverdomde materialistische hoofsheid van het gebeuren.

Je bent de mooiste van het land.
En met welke auto rijd jij eigenlijk?
En wat vind je van de politiek en zal je me nooit bedriegen?
Wat bedoel je?
Je weet best wat ik bedoel.
Ik ben rechts gematigd, centrum links, hier en daar een beetje begrensd.
Dat bedoelde ik niet. Die andere vraag.
Nee, dan.
Echt nooit?
Bijna zeker echt nooit.
Dat is goed.
Je bent zo mooi.
Ja, dat zeg je maar.
Nee, echt.
Iets anders?
Wat anders?
Zou je voor me doodgaan ook?
Hm.
En wat als ik mezelf zou misvormen?
Tja.
Of als ik blind zou worden, doordat ik door een gekke Duitser in mijn ogen wordt geschoten?
Terugschieten.
Sorry?
Ik zou terugschieten.
Dat vroeg ik toch niet.
Wat dan?
Laat maar.

Is ze preuts?
Of is ze een hoer?
Het lijkt wel alsof ik met een kind praat.
Mijn moeder was een heilige.
Laat haar nu niet op mijn moeder lijken.
Wat zou ze een goed geschenk vinden?
Een bon voor een chocoladelavement voor twee? Voor drie?
Schilfers? Een konijn?
Bloemen misschien, of misschien is ze het type niet,
Daarvoor. Te vrijgevochten.
Vrijgevochten vrouwen willen nooit bloemen.
Die planten ze zelf.

Misschien is hij wel een player,
Een pimp, een trickster, een hoerenloper, of
Misschien heeft hij gewoon het geduld niet,
Om een meisje te leren kennen, echt te leren kennen,
Ook al ben ik zelf wel bijna dertig jaar,
En hoef ik ook geen tien jaar te wachten,
Mijn moeder wil ook graag eens kleinkinderen,
Liefst nu of anders volgend jaar.
Of is hij soms een lul die meteen wil,
En die niet kan wachten,
Je weet wel,
zo’n patser die tegen 200,
Met zijn zilveren Lexus over de baan glijdt,
En vrouwen behandelt alsof ze snoepjes zijn,
Zoet en voor eenmalig gebruik.
Misschien zou dat ook wel leuk zijn.

Het is een hemeltergend traag proces,
Zelfs al duurt het maar een avond,
Je voelt de tijd vreten en de zwaartekracht rukken,
Want het moest maar eens lukken, of niet,
En zij/hij denk dat hij/zij de ware is,
Of ze is gewoon wel heel,
Heel erg lekker.
Of hij is aardig en lief,
En heel heel, goh ja,
Wel hij is wel aardig.

Maar kom, het gaat goed,
En ze gaan samen naast elkander liggen,
Zoals men neuken vroeger noemde,
De minne bedrijven,
Verstop de saucijs spelen,
En dan begint er weer een heel
Delicaat gevoelig psychologisch spel,
Oftewel: gewriemel,
Dat uiteindelijk culmineert,
Met de man die een verlengstuk,
Dat plots magischerwijze is verschenen,
In haar schuifje dringt,
En dan als een spastische gek begint te beven,
Alsof hij een gsm met handenvrije functie is
Die pas werd opgebeld.
Dan wat grappige geluiden,
En zoutig vocht, tot hij harder begint te trillen,
En zijn oogleden lillen,
En explodeert.
Wat een natte zooi.
Staan er geen doekjes naast je bed?
Hij is tevreden,
En als het meevalt heeft ze er ook wat aan gehad,
Maar dat hoeft niet echt.
Varkens, apen, koeien, springkanen en neukberen,
Doen het ook,
Maar zij hoeven achteraf niet te spreken.
Gelukkige beesten.

Ik lag naast haar, zonder te bewegen en
Ik wreef over haar haren,
En ze moest lachen en fluisteren,
En ik moest wel om haar geven,
Godverdomme, ik kon het niet laten,
We probeerden te bedenken of er iets belachelijkers,
Dan de vleselijke liefde bestond,
Maar we vonden niets,
Of het moest alles zijn,
En dat was wel wat te veel,
Om zo laat nog op te sommen.
“Zou je me ooit verlaten?”
Schreef mijn vinger op
Het glooiende oppervlak
Van haar vlees dat ik vereerde,
Met een nederigheid die aan het belachelijke grensde,
Ze lachte weer en door haar lippen te tuiten,
En wind uit haar borst te blazen,
En haar tong tegen haar mondholte te klakken
Zei ze: “Nee. En jij?”
“Nee”, zei ik, en ik dacht:
“Dat is niet gelogen.”
Waarop we een potje belachelijk deden.
Ze is een trut en ik hield van haar,
En ik ben een grote stomme onnozelaar.
We zijn mensen. Alle sympathie voor onze zwakten.

maandag 17 januari 2011

Treurlied van de carnivoren.

Wanneer daalt,
De toorn van de goden
Op het leven onverstoord, nooit
Door de emoties van anderen gegrepen,
Een lyriekloos varken,
Op een grauwe vuilnisbelt,
Onwillekeurig verplicht,
Door zijn aard en door zijn genen, om
In zijn eigen uitwerpselen te leven,
En naast hem, om en om, vele anderen,
In oneindige uitzichtloze rijen,
De lucht is rood, of nee, geel,
In het kamp bestaat er geen lucht,
Het hoofd gaat geen tachtig graden,
De poten blijven dicht bij de grond,
En de snuit snuffelt aan alle stenen,
Beter om vandaag te leven en te vreten,
Te schijten en te pissen, wat rond te knorren,
Geen eeuwigheid om,
Naar de bruine lege vlakte te staren,
En door een man met een strooien hoed,
Aangetikt te worden,
De lome koelte van de vroegzomer te voelen,
En vanbinnen het lied van de eeuwigheid
Te horen,
Beter slapen en schransen, en slapen,
“Wie zal er met me dansen,
Als ik dood ben,
En het zelf niet meer kan?”
Vragen die niet wakker houden.
En maar schijten.
Een beest naar het beeld van de mensen.
De meer opportunistische vogels,
De gieren, de meeuwen, de eksters en de raven,
Misschien zelfs ook de duiven,
Het hele areaal aan ongedierte,
Een bonte vergadering,
Klaar om het vlees te vergaren,
Aan de resten te plukken,
Stomme beesten hebben,
Geen ethiek.
Hoe vlug kan je je vader worden,
Hoe snel kan je hem vergeten?
Hij was er maar heel even,
Voor hij is weggesneden.
Er zijn maar enkele ogenblikken om te ademen,
Het bestaan is kort,
Maar we zien elkaar terug, na dit leven
Onder helder licht, binnen grijze muren,
Een plaats,
Bevolkt door engelen met gezichtsmaskers,
En scherpe botte boutgeweren,
Van de schroeikop tot de hakmolen,
We zijn allemaal vlees,
En God is ons vergeten.

zondag 16 januari 2011

Drie clandestiene brieven

“Ik heb geen adem meer voor jou
Want ik heb astma, door de kou,
En dat mag dan banaal klinken,
Het doet mijn bek wel stinken.”
Friedrich Nietzsche, 14 jaar, voorlopig nog geen Ubermensch.


Mijn lieve Gertrude,

Ik heb je gisteren een brief vol beeldspraak geschreven, een epistel waar ik uren aan gezwoegd heb om het af te krijgen. Gezweet en gevloekt heb ik, mijn uiterste ik heb ik gegeven, omdat ik wilde dat het mijn meest perfecte brief zou zijn. Mijn hele dag heb ik opgeofferd om hem op punt te zetten. En het resultaat mocht er best wel wezen! Ik denk dat ik mezelf behoorlijk overtroffen heb wat de lieftalligheid van mijn prachtige lyriek en de poignante precisie van mijn proza betreft. Mijn brief aan jou is een parel, en zal de geschiedenis van het briefschrijven ingaan als niet minder dan een kunstwerk. Een episch stuk van een man die weet hoe zijn hart moet vergeestelijken en hoe hij een dame het hof moet maken. Mijn brief is een subtiele ode aan de liefde en een verheerlijking van de poëtische sensualiteit van de seksuele betrekkingen tussen man en vrouw.

Elke normale vrouw zou door zo’n schrijven overdonderd geweest zijn, mijn Poesje Katje Lieveke, en zou me vast mijn zin gegeven hebben. Ik vraag zo weinig, en ik span me zo hard in om je te behagen. Maar jij was niet tevreden, oh nee.
Vandaag kwam de elektronische bode aan mijn huis met een uiterst kort bericht van jou. Ik zat toen al uren op je te wachten. Ik had minstens verwacht dat je me met een lijfelijke aanwezigheid zou verrassen, maar blijkbaar heb ik te veel van jou verwacht. Blijkbaar heb ik je als vrouw en als seksueel wezen onderschat. Dat vind ik jammer.

Is het waar? Moet ik het jammer vinden? Of is er meer aan de hand?
“Nee, dat mag je niet. Ik voel me gekwetst”, is dat echt alles dat je me wenst te zeggen? Ik geloof bijna dat er een boosdoener aan het werk is, een gemeen en laag persoon die onze hoge liefde uiteen wil rijten.

Als het echter je echte antwoord is, dan moeten wij misschien als vreemden naar elkaar kijken, en als vreemden onze eigen wegen inslaan, respectievelijk, voor altijd op reis, zonder soelaas. Dat lijkt me oneindig hard, maar als het moet, dan moet het.

Vertel je me wat je denkt, Bezekoekske? Ik wacht op je antwoord, dat zonder twijfel alles zal veranderen.

Voor altijd de jouwe,

Hopelijk toch,

Je Bertrand.

Beste Bertrand,

Ik weet niet wat jouw standaarden voor de poëzie zijn, maar ik vond je onnozele verzen erg vulgair en puberaal. Ik citeer hier nog even de meest aanstootgevende passages, want blijkbaar is je geheugen wel heel volatiel.

“Gertrude,
Als ik jou met iets moet vergelijken
Dan hoef ik niet zo ver te kijken,
Hier naast mij in de wei,
Een beest net als jij,
Mevrouw Staesens,
U bent mijn koe,
Als ik u zie, I love joe,
U hebt uiers van wel tien ton zwaar,
En overal wit-zwart lichaamshaar,
…
(dan gaat het even verder en vergelijk je me ook nog met een zwijn en een loopse vrouwelijke hond, ik durf het precieze woord niet in de mond te nemen.)
…
Mijn lieve zoogdier,
Doe me een plezier,
Ik weet niet hoe het te vragen,
Misschien kan je het niet verdragen,
Maar zou je het erg vinden,
Als ik je vast zou binden,
En als een beest als ik mag,
Hem even in je gat rag?”

Noem je dat “een subtiele ode aan de liefde en een verheerlijking van de poëtische sensualiteit van de seksuele betrekkingen tussen man en vrouw”? Het is pornografie van de meest denigrerende soort.

Ik had toen ik deze verhouding met je begon moeten weten dat ons leeftijdsverschil een probleem zou worden, en ook al vind ik dat je je soms kan gedragen alsof je een volwassen man bent, je bent het duidelijk nog niet. Ik voel me inderdaad een koe, een domme koe dat ik zo blind verliefd op je ben geworden. Maar dat is nu over, dit kan niet meer.

We kunnen elkaar maar beter niet meer zien. Jij hebt nog een heel leven voor je, en ik… nu ja, ik heb ook mijn verantwoordelijkheden, ik verwacht niet zoveel meer, dus ik heb niet veel nodig.

Het was leuk je gekend te hebben, Bertrand. Doe het goed, wat je ook doet.

Vaarwel,

Gertrude.

Lieve Gertrude,

Wat gebeurt er? Stopt de maan met stralen? Kan de zon niet meer schijnen?

Je kan, nee, je mag me niet verlaten! Mijn leven was leeg en betekenis zonder jou, je hebt me zelfwaarde en levensvreugde gegeven. Moet ik dan werkelijk terug naar het aflebberen van veertienjarige grietjes achter het bushok? Meisjes van mijn leeftijd zijn zo onbeholpen, ze lijken wel wasmachines. Ze hebben ook puisten, en ze ruiken niet fris. Ik moet onwillekeurig aan een muffe woonkamer denken als ik ze zoen, de verrotting van hun ouders zit hen in het lijf!

Ik besef dat ik in mijn lyriek, bevlogen en bezeten door de Dionysische demon, misschien een tikkeltje te ver ben gegaan. Je weet hoe groot mijn liefde voor natuurmetaforen is.

Maar mevrouw Staesens, ik vraag u met aandrang: maak het niet gedaan met mij. Ik zou niet weten hoe me te gedragen, als ik u weer zie, daar in dat muffe hok, omringd door al die idioten, die het niet waard zijn van naar u te kijken. Ik kan niet verder leven, doen alsof er niets gebeurd is! Niet als ik niet zeker weet dat ik u mag aanraken, betasten en de mijne mag maken.

Ik weet dat het verkeerd is, maar ik kan niet stoppen met u te willen. Is dat dan volwassen worden, verlangen en niet kunnen, kunnen maar niet verlangen? Het is belachelijk.

Ik smeek u: nog één keer, morgenavond. Nog één keer en dan nooit meer.

Wanhopig hunkerend,

Naar uw volle uiers,

Uw melkman,

Bertrand.

Liefste Bertrand,

Ach, ik geloof ook niet dat ik echt afscheid van je zou kunnen nemen, niet nu. Blijf na het zevende lesuur de vrijdag maar even in de klas, dan leer ik je iets.

Je lieve,

Gertrude.

P.S. Ik vind het nog steeds leuker als je me mevrouw noemt.

donderdag 13 januari 2011

Een E17 parabel

“No matter how many times you ask Him to forgive you for your sins,
You can pray as long as you want, even to the point of being a lamb of God,
most he ever does is sigh, shrug, and stare into the distance.
Guess he’s kind of disappointed. I must be the one to blame. Sure.
Blame everything on JC . Why the fuck not?”
J.C., the Messiah, taking up his troubled relationship with his Father.


“Poëzie (v, subst.) 1. In stukken gesneden proza dat er alles aan doet om niet als dusdanig geïdentificeerd te worden. 2. Excuus om doffe beeldspraak te verspreiden en als het ware literair uit de bek te stinken 3. Boekje waarin kleine meisjes hun seksuele onvolwassenheid belijden.”
F.D., Groot woordenboek van de Nederlandstalige pedanterie.



“Feng zi says: 'I hit the father with the stick, the father hits the son with the stick and the son throws stones at the bird. Heaven cries. I sure’d hate to be the bird, but hey, what’s he gonna do?' Master answers, says: 'shit on you'.”
Master Confukrap, One times a 1000 analogies for less than virtuous people.


Op een recht stuk van de weg die van Oostende naar Antwerpen liep,
de E17,
lag een object van een merkwaardige aard.
Het betrof,
een vierkante kist van zo’n twee meter breed en
ongeveer even hoog, maar niet helemaal.
Ze was zichtbaar voor iedereen,
op voorwaarde dat men niet vlugger bewoog,
dan stapvoets,
dat is zo’n 5 km per uur.
De kist was dus
min of meer onzichtbaar
voor het passerende verkeer.
Het zal wel een mirakel heten
Of iets met quantumwetenschappen,
Maar dat is
voor de leek
toch hetzelfde.

Een pelgrim,
die te voet was gekomen,
uit het verre noorden van Afrika,
om redenen van economisch asiel,
wat populistische politieke partijen
“komen profiteren” noemen,
liep langs de wegrand,
Op zoek naar kansen, en
vond onmiddellijk,
door zijn traagheid,
een auto had hij niet,
de kist op de weg
hij glimlachte,
en mompelde iets,
"onverstaanbaars in dat taaltje".

Hij hoopte op iets leuks.

Hij stevende op de kist af,
verwijderde het laken,
snuisterde rond en kwam prompt
tot de heerlijke conclusie dat
al zijn tribulaties
en lange, harde zoektochten
naar meer materiële welvaart en
een toekomst voor zijn kinderen,
afgelopen waren.

Hij was niet
“beter in zijn eigen land gebleven”.
O neen.

Waren het goudstaven?
Of honderden kilo's coke?
Alleen de heer kan het weten.

Hij bracht zijn handen naar boven en
bedankte de krachten in de hemel,
waarvan hij meende
dat ze hem geholpen hadden,
naïeve neger.
Hij stond daar met zijn handen,
zijn tandvlees bloot te grijnzen,
en werd toen
pardoes
door een 45-jarige trucker uit Eksaarde,
stekeblind en met de radio op,
aan 120 kilometer per uur,
in 346 aparte stukken gereten,
en over honderden meters makadam
uitgespreid en gestreken,
als beleg op een stenen boterham.

De trucker,
die Ghyslain heette en
een tamelijk goed karakter had,
kon die ochtend aan de ontbijttafel
toen hij het spek met de eieren,
dat zijn aanzienlijk veel jongere vrouw
voor hem had klaargemaakt,
opat,
ook niet bevroeden dat hij,
die namiddag,
voor de eerste keer in zijn leven,
iemand zou doden.

Maar toch was het zo.
Ook al gebeurde het per ongeluk.

Het vreemde was,
noem het een mirakel,
of een metafoor,
dat komt voor leken,
op hetzelfde neer,
dat hij het vergruizen,
en vernietigen,
van het leven van de jonge pelgrim,
niet eens opmerkte,
en er geen minuut minder door sliep,
ook al was Ghyslain,
zoals de mannen van het café zeiden,
“gene slechten”.

dinsdag 11 januari 2011

Ironische apologie van een gementaliseerde penis.

Laat ik het me mezelf maar vergeven,
Mijn eindeloos smachtend kreunen,
mijn urenlang weemoedig zuchten,
Als een weke mossel in mezelf,
In een metersdiepe put begraven,
In de doodskist van mijn gedachten.

Laat ik mezelf maar excuseren,
Om mijn indolente en dwangmatige dralen
In de gangen van het verleden,
Om mijn dwepen met wat sterft en stinkt,
Als een gier op zijn kale knot,
Met zijn rug naar de zon gezeten,
Met de rode duisternis in zijn ogen.

Laat ik een pardon van mezelf verspreiden,
Geblaat in lege oren,
Gepleit tegen dove muren,
Als een binaire code te midden van
Polymorfe semiose,
Laat me,
Met een kwalijke geur,
de neuzen verkrachten,
en fluitend over de leegte kruipen.

Het heeft geen zin om
Al te zwartgallig te denken,
in het land van de vrolijke idioten,
in de tijd van de middelmatige imbecielen,
in dit lijf, tijdelijk en kort beschoren.

zaterdag 8 januari 2011

Macintosh conspiracy?

Yesterday I was patrolling the lovely streets of my good old hometown when I came across an odd creature. He was wearing an old army trench coat and had a worn off pair of jeans on. His shoes looked like moonboots and he had these demented silvery gloves on his hand. He jumped about like an idiot, which completed the 'out of this world' look his clothes alone had already given me. As I shyly gazed at his face I noticed he had this utter look of madness in his eyes, which scared the dead shit out of me, so I quickly tried to get away from him. In passing him however he was able to slip a conspiracy note into my hands. I wanted to throw the thing away at first, but on closer inspection I found some things on it were, well, quite interesting. Basically, the note warns us for the human devil that will bring chaos to the world in this unholy year (MMXI). I will have put the integral text below for you, the loyal and somewhat weirdness prone reader of my Bie-log.

BEWARE OF THE MACINTOSH! IT HAS BEEN FORETOLD THAT THE EVIL ONE WOULD COME TO EARTH IN THE UNHOLY YEAR OF 1984, LINGERING FOR 17 YEARS ON THIS EARTH BEFORE SETLLING AND ESTABLISHING A KINGDOM OF DOOM! We can find proof of this throughout the holy texts of the ancients.

The bible (yeahsayer 12, 7):

"And they sayeth the evil one will cometh forth after the advent and rise of a man pursuing on his quest by a horseless horse, just propelled by two wheels and he willeth look silly and they will calleth him JOBUS andeth his carriage will be nameth SEGUWAI."

The Qur'an (Sura of the Apple)

"Many of them during that time dined from the Apples of the grandson of Abdallah, but the Seal was not pleased with this. It came during a nightly sand blizzard and forebode them to eat of the Apple. Musa, however, resisted the Seal's holy demands and bit from the Apple of the city known as Makh-Ibn Town. A voice came out of the heaven: "Be forwarned, Musa, I forbade you to eat but you ate. Now you and your kin will spend their lives sitting in damp rooms and thinking about imaginary worlds!" It is said that after this curse Musa made a contract with Iblis, the unhumble Djin."

The Epic of Gilgamesh (CH 6,5):

"And after the slaying of Google-anna, Gilgamesh and Enkidu encountered a path, most strangely shaped. And the voice of Ishtar came from heaven, exclaiming: "Because you denied me, Gilgamesh, you can only take this one path, known to mortal man as the I-PATH. Following it you will have to journey deep into the underword and suffer many hardships." And so it happened, and Enkidu cursed the earth, and was not allowed in this world anymore."

The Lalitavistara Sutra:

"Around that time Sakyamuni was temporarily blinded by the evil eye of Mara the tempter and in the darkness he had a vision. He saw a white square, not much bigger than a breastplate, and it opened in the middle thus doubling its' size and out of it shone a radiant light. And the voice of Mara said: "Heed this object. Touch it, for I will give you the unlimited power, the power as only the ancient Maya-toshi has had in ancient times." But Sakyamuni saw the hidden darkness and the straying from the path, and no transient glory did he touch. The evil vanished before his eyes, and the true jewel of Masa Dosa lingered, unsurpassed in both beauty and frugal practicality."

Pietje Puk en de grote gemene Informaticus (English version was not yet included, sorry people):

"Pietje was niet erg blij met zijn nieuwe I-pod. Het ding blokkeerde de hele tijd en het probeerde zich ook de hele tijd te synchroniseren met de nummers op zijn PC, wat Pietje helemaal niet wilde. "Maar", zei Pietje Puk, "Misschien kan ik naar de techsupport bellen." Pietje Puk belde naar de techsupport, maar er nam niemand op. "Dat is vreemd!", riep Pietje Puk,"ze zullen daar toch niet ALLEMAAL aan het vogelen zijn." Maar even later werd er gebeld en wie anders dan Steve, de grootste baas van de wereld zelf stond voor de deur! "Hoy, ben jij Pietje Puk?", vroeg hij een tikkeltje innemend. "Ja", zei Pietje Puk,"Ik ben Pietje Puk." "Neem dit schoft!", schreeuwde Steve plots en hij haalde keihard uit met zijn vuist, recht op de smoel van Pietje Puk. Pietje Puk viel op de grond, zo recht roefel naar beneden, en Steve maakte ervan gebruik om over zijn hoofd te urineren. Dat was niet lief!"