zaterdag 8 januari 2011

Binnen of buiten.

“De dood is slechts een leerling van de liefde,
geen meester.
En hij woont zeker niet in Duitsland.”
Henry van Spaeveldt Mencius, literair criticus in
‘Over Paul Celan en andere voddenventen.’


Het is een glorieus klein monster,
Lillend, vunzig en jubilant schreeuwend,
Schurkend in de schaduw, grijnzend aan de hoeken,
Het is voor altijd voor jou,
Het is niets, maar een kleinigheid,
Een knipoog, een hand verstrengeld,
Een lach onder blonde lokken,
Het is futiel, echt,
Het is van de grootste onbelangrijkheid,
Een uitvinding van binnenhuizen,
Terwijl er buiten mensen sterven,
En de raven in ogen pikken,
En kannibalen peuters en bejaarden verscheuren,
Metaforisch gesproken, dan,
En dat is ook al jammer.

Hier is het warm en zacht,
En als onze armen en ons vlees kruisen,
En als onze lippen raken en onze banale lichamen,
Gekastijd door het leven, eeltig na wrijving, beven,
En als ons gemoed zwelt,
Tot het de ruimte vult,
Dan weet ik dat ik zo kan sterven.

Er zijn,
Geen vragen die nog resten,
Er zijn,
Geen oplossingen voor ons scheiden.
Er is alleen nu,
Er is geen morgen,
zogezegd.

dinsdag 4 januari 2011

De verkrachting, een verhaal over kroketten.

Moreturius Degrill was in de eerste plaats een fascinerend persoon. Pas daarna was hij een klootzak en een totale verliezer. Vooreerst kon hij ervoor zorgen dat mensen zich verloren in zijn onverdeeld fantastische en breedsprakerige uiteenzettingen over de kosmos, het leven en alles daarbuiten. Het was pas na een paar keren met hem in contact gekomen te zijn dat er dingen begonnen op te vallen, kleine dingen, zeker, maar dingen die desalniettemin niet zo fraai waren.

Het viel bijvoorbeeld op hoe hij nooit echt luisterde wanneer je iets vertelde dat niet over hem ging. Hoe hij de kont van alle passerende vrouwen met een strakke blik aankeek. Hoe hij hen ook vaak effectief achtervolgde als ze in een bar hun plaats verlieten om hun spons te gaan uitknijpen. Hoe hij eigenlijk nooit iets positiefs of lovends kon zeggen over de kosmos, het leven en alles daarbuiten. Hoe hij altijd te veel dronk en dan ruzie zocht met iedereen en uiteindelijk, maar niet onbelangrijk, hoe hij zichzelf steeds verloor in uitgebreide verbale geweldfantasieën over het aftuigen van stumperds die hem hoegenaamd niets verkeerd konden gedaan hadden, veelal gehandicapten en kinderen. Hij had het ook niet zo voor de multiculturaliteit, omdat hij vond dat die niets dan problemen had gebracht.

Hij leek absoluut geen gevoelens of affectie te bezitten voor gelijk wie dan ook en hij ging er zelf ook prat op dat de weke genoegens van de liefde niet aan hem besteed waren. “Ik ben een beest van de passie, liefde is dan toch maar een secundair en week afbleeksel van wat echt telt. Stompen en gestompt worden.” Wie daarmee niet akkoord ging kon wat hem betrof oprotten, en deed dat ook meestal. Het overgrote deel van de mensheid vond hem een pompeuze eikel, ondanks zijn dashing good looks, zijn dandystatus, zijn formidabele scherpzinnigheid en zijn gevoel voor ironie.

Moreturius zelf twijfelde echter niet aan zijn sympathiciteit en morele integriteit. Meer nog, hij vond zichzelf het einde, een formidabel mens, met bijna bovenmenselijke gaven. Hij was om zijn eigen woorden te gebruiken “een toffe peer, maar dan zonder zoetheid”. Hij achtte zichzelf ook een goed minnaar en die overtuiging straalde, zoals dat vaak gaat, af op de vrouwen die hij ontmoette.

“Ze lijken maar al te bereid om met hun scheur open op hun rug te gaan liggen, die wijfjes. Aan zo’n bink kunnen ze niet weerstaan”, zei hij, waarna hij met zijn linkerhand zijn kloten iets meer naar boven in zijn broek trok en met zijn linkerhand zijn glas pils leegdronk. Zijn vrienden knikten en lachten. Hij had een exquis gezelschap van ja-knikkers en idioten om zich verzameld, een select clubje.

Zijn criteria voor lidmaatschap waren eenvoudig, iedereen kwam in aanmerking, maar wie hem tegensprak vloog eruit. Over de blijvers sprak hij met eerbied en op serene toon, dat was hun beloning. “Dat zijn mijn maten, mijn echte makkers.” Niemand van hen kon het tegenspreken of ontkennen, ze waren er immers voor geselecteerd om het niet te kunnen.

Nog iets waar Moretorius vaak over pochte was over zijn fantastische gaven als amateurkok. Zijn specialiteit was de zelfgedraaide kroket.

“Mensen denken vaak dat kroketten maar banaal voedsel zijn”, declameerde hij keer op keer,” maar dat is een belachelijke en banale gedachte van mensen die niets van koken kennen. De waarheid is dat de kunst van het kroketten maken één van de hoogste gastronomische disciplines is, en dat hij, die deze kunst beheerst, en alleen hij, een meester van het culinarisme mag genoemd worden. En ik, ik beheers die kunst tot in de puntjes.” Het was dan aan zijn vrienden om de juiste gevolgtrekkingen te maken, wat ze al gauw deden, tot zijn trots en grote tevredenheid. Hij vond dat zijn selecte kring niet selecter kon worden, en ook niet perfecter. Voor de zekerheid zei hij toch nog “Ik ben een meester van het culinarisme”, waardoor alle twijfel werd weggenomen.

Enkele vrienden pinkten een traan weg en toen ze in zijn afwezigheid, want hij ging vaak vroeg slapen om rimpelvorming op zijn gezicht tegen te gaan, zijn uitspraken prezen waren er een paar die helemaal in de ban van een geweldige emotie kwamen en geen woord meer konden uitbrengen.

Op een avond in juli reed hij met zijn BMW cabriolet door de lauwe avondlucht. Hij had zijn trui rond zijn schouders gebonden, wat hem altijd een gevoel van jeugdige onstuimigheid gaf en hij genoot van de omgeving en de luide muziek die door de speakers van zijn bijzonder krachtige audio-installatie kwam. Op een bepaald moment zag hij een knappe jonge vrouw met motorpech aan de zijkant van de weg staan. Hij twijfelde geen moment en besloot om haar te versieren.

“Oké, groovetime”, dacht hij en hij parkeerde zijn auto voor die van haar op de berm. Ze bleek Irma te heten, wat hij maar een belachelijke naam vond, en ze was een lieflijke bruinharig meisje van een jaar of twintig. Na haar met het vervangen van haar band geholpen te hebben keek hij diep in haar ogen. Hij dacht: “ Ze valt zoals bakstenen vallen als ze van een hoogte naar beneden gelaten worden, keihard en zonder enige restricties. Voor mijn onweerstaanbare charme.” Hij nodigde haar uit om bij hem thuis iets te komen drinken. “Wie weet, kunnen we wel een kroketje eten”, zei hij, zonder met zijn ogen te knipperen. Irma keek lichtelijk verbaasd naar hem terug. Hij keek even naar zijn biceps, en merkte op dat ze nog steeds bruin gebronsd en gezwollen waren. Dat was een opluchting. Irma liet haar auto staan en stapte naast hem in. Hij schakelde meteen naar tweede, gaf serieus gas en racete de baan op. “Speciale naam, Irma”, zei hij. Ze knikte. “Wat zijn die man zijn tanden wit”, dacht ze, maar ze zei er niet van. Ze was niet het soort van vrouw dat vaak of vlug complimenten gaf.

Toen ze bij hem thuis arriveerden had ze nog maar nauwelijks iets tegen hem gezegd. Hij daarentegen had haar al bijna alles verteld wat er met hem gebeurd was de afgelopen vijf jaar en hij maakte geen aanstalten om te stoppen met tateren. Hij parkeerde de auto voor zijn deur en legde de motor af, waarbij hij haar even schalks en, zo hoopte hij, sexy aankeek. Hij had het kinderslot van de deur aan de passagierszijde ingesteld, zodat hij een heer kon zijn als er mensen keken en nadat hij was uitgestapt keek hij even sardonisch glimlachend naar haar tevergeefse pogingen om zelf de deur open te doen. Met enig misbaar stapte hij naar de andere kant van de auto en maakte de deur open, waarna hij haar zijn hand aanbood. Ze nam zijn hand aan en stapte koket uit de auto.

“Dit wordt een superavond, die griet is zo geil als boter”, dacht hij.
Ze stapten zijn huis binnen en hij leidde haar rond waarbij hij niet naliet om haar te imponeren met zijn meticuleus uit magazines overgenomen interieur en zijn door literatuurprofessoren samengestelde boekenkast. Hij vroeg haar om het zichzelf makkelijk te maken en te doen alsof ze thuis was en nadat ze haar schoenen had uitgedaan en op de sofa was gaan zitten kondigde hij aan dat hij kroketten voor haar zou maken. Het was zijn ultieme verleidingstruc. Ze wierp nog tegen dat ze niet zoveel zin had om te eten maar dat bezwaar wuifde hij weg.

Hij ging naar de keuken en deed zijn kookschort om en hij begon met een aardappelpasta te bereiden. Binnen de kortste keren had hij een tiental goudbruine kroketten gebakken. Hij deed ze in een schaal en kwam weer in de woonkamer binnen. Toen hij haar hoofd vanachter de plant zag verschijnen leek er niet veel aan de hand, maar hoe dichter hij kwam, hoe meer het hem opviel dat ze poedelnaakt was. Zijn mond viel open van verbazing.

“Wil je geen kroketje”, zei hij en hij rinkelde schaapachtig met zijn schaal. “Ik lust geen kroketten”, zei ze, en ze trok hem bovenop haar. Ze had zijn kleren in geen tijd uitgetrokken en stak zijn lid in haar muts.

Nu, ze was een prachtige vrouw met mooi haar en een geweldig lichaam en het hoeft niet gezegd dat hij van hun hitsige vrijpartij genoot. Maar toch lag er een nevel over zijn fysieke plezier, want het was niet helemaal verlopen zoals hij dat had gewild. Ze hadden eerst kroketten moeten eten, dan had hij ondertussen een plaatje soulmuziek opgelegd en daarna had hij haar een glas wijn uitgeschonken en haar traag maar zeker uitgekleed. Nu was het allemaal ontzettend prozaïsch geweest en hoe meer hij erover nadacht, hoe meer hij zich een gevioleerd man voelde. Ze reed met haar kathedraal van een lichaam op zijn piemel en ondanks zijn irritatie kon hij niet laten om meebewegend te kreunen, haar kont vast te nemen en na een paar minuten haar poes krachtig vol te spuiten. Ze schreeuwde en viel bovenop hem, zuchtend als een gek. Met het verlaten van het sperma uit zijn lichaam kwam meteen weer zijn gevoel van irritatie naar boven. Hij duwde haar onzacht maar niet al te ruw van zich af en ging op zijn zij naast haar liggen.

“Wou je dan echt geen kroket?”, vroeg hij verbaasd.

“Ga je nu godverdomme zwijgen over die stomme kroketten!”, snauwde ze terug. Hij keek verbaasd naar haar gezicht en zag dat haar bruine ogen vurig en gemeen stonden, ze had een harde trek rond haar mond. Hij stamelde iets, maar ze onderbrak hem. “In wat voor een lelijk dwaas huis woon je ook? “ Ze vroeg hem ook of hij een sigaret had, waarop hij op verontwaardigde toon antwoordde dat hij geen sigaretten had, omdat hij roken een onheuse gewoonte vond.

“Oké, loser. Dan ga ik even sigaretten kopen”, zuchtte ze. Ze stond op een stapte in haar rokje en knoopte haar blouse dicht. “Houd die pik wat stijf”, want ik ben zo terug. Ze lachte alsof hij een hoer was die ze net een bundel biljetten had gegeven en ze knipoogde liefdeloos.

“Ze heeft helemaal geen klasse”, dacht hij en toen hij haar door zijn voordeur zag verdwijnen wist hij dat hij net verkracht was.

Hij voelde een brok in zijn keel zitten en zijn maag zat in de knoop door de emotie. Hij voelde de nood om aan iemand te vertellen wat hij meegemaakt had dus hij nam zijn gsm en hij belde één van zijn vrienden op. Die vond het helemaal niet erg dat hij zo laat nog belde. “Integendeel zelfs, ik vind het super dat je aan me denkt”, zei hij. “Er is iets vreselijks gebeurd”, riep hij in de hoorn. Zijn vriend reageerde precies zoals het moest, met nauwelijks verholen horror in zijn trillende stem vroeg hij wat er dan wel gebeurd was.

“Ik heb de meest wrede, gevoelloze en narcistische vrouw ooit ontmoet. Ze heeft geen culinaire smaak en ze heeft ook nog een lelijke naam”, zei hij.
“Gooi haar er dan uit! Je bent wel beter dan dat!”, zei zijn vriend.
“Je begrijpt het niet”, de brok in zijn keel kwam terug en hij voelde de tranen in zijn ogen komen, “ik ben stapelverliefd op haar, ik denk dat ze de vrouw van mijn leven is.” Het bleef even stil aan de andere kant van de lijn en hij zette zijn telefoon af.

Toen ze terugkwam lag hij nog steeds in zijn blote flikker op de zetel. Hij keek haar aan alsof ze het allermooiste was dat hij ooit gezien had. “Wat zit je daar zo stom te grijnzen, idioot? Heb je weer van je stomme kutkroketten gemaakt of zo?”, zei ze.

“Het is pure poëzie, die woorden van haar”, dacht hij. Ze doofde haar sigaret door ze met haar hiel op zijn mat uit te drukken, kwam naar hem, gaf zijn penis een tikje en verkrachte hem opnieuw.

maandag 3 januari 2011

Een lied voor de burgerman

Raak de blaadjes, maai het gras,
Strooi zout op debiele slakken,
De melaatsheid in je ziel kan
Alleen maar dieper zakken.

Je wijf heeft twee verlepte peren,
Je lijf gaat langzaam aan suiker kapot,
Je vrienden zijn hele grote heren,
En ik ben dan wel de zot.

Je bibliotheek is geen kattenpis,
En je auto is je trots, kan je me tonen,
Wat het zoveelste nieuwe snufje is,
Dan kan ik interesse veinzen.

Ik heb je eigenlijk niets te zeggen
Behalve dat ik je kom pakken
De hond, je vrouw, je dwaze jongen,
Ik kom iedereen in stukken hakken.

Voor elkeen komt een vrolijk doel,
Ik begraaf je vrouw als mest in het bos,
Je blonde dochtertje wordt een stoel,
En van je hond maak ik een Macintosh.

zaterdag 1 januari 2011

Nachthonger.

"A bite to calm my mind,
a sip to smooth my thoughts,
are the only things,
that keep my brain,
from falling apart."
(Antoniu Lesucre, 'Memoirs of an eating disorder', p.124)


Houd mijn kussen warm, mijn lief,
Ik ben maar een poosje weg,
Ik ga even naar de koelkast,
Een goede oplossing voor die kleine,
Honger, die knaagt en fret,
Zo dwars door mijn domme dromen.

Misschien eet ik een boterham,
Of een stukje lasagne, misschien,
Die je zo lekker kan maken,
Ik vreet als een bezetene,
Met snelheid en precisie,

Dus slaap maar door,
Leg je hoofdje neer,
Laat je lieve boezem rusten,
En sluit je ogen.

Het heeft geen zin om te denken,
Wat als hij nu weg zou gaan,
Om in Siam langs groene velden,
Onze grote enge vijand te gaan
Bestrijden, als een echte held,
Bezeten van alle nutteloosheid,
die alle echte heldendaden delen.
Ja,wat dan?

Nee,
Mijn lief slaap maar,
Pieker niet,
De slaap van de rede,
Houdt ons samen,
Als het moeilijk wordt,

Houd mijn kussen warm,
Onze liefde blijft,
Ook als ik ben verdwenen.
Of dat valt tenminste toch te hopen.

vrijdag 31 december 2010

A note on the old year

How much happier, I was,
Just a mere year ago,
Though it now seems,
Like a thousand years.
Broken in your gentle embrace,
Sheltered and sighing
Between your loving thighs
And nurtured by your mouth
And lips, completely
Envisioned in your laughing brown,
Compassionate eyes.

I am a sensuous swine.
Please forgive me.

You will always be,
If the occasion allows me,
To be nothing but a scribbling
Sentimental fool,
A part of me.

And you will,
leave my memory no more.

Even though,
Our struggles fought
I can’t but think,
It’s all for the best,
This rupture I am feeling
As if my heart was torn,
From my ragged breast.

Sick and sickening,
Weary from all this mundane
And futile bickering and bitching,
I want to rest and be gone,
But I can’t but sleep and eat,
Cowardly and vainly follow,
The uttermost logic of things,
And wait for my end.

woensdag 29 december 2010

De geschiedenis van de westese wijsbegeerte.

Thales en zijn vrienden, de klassieke filosofen, besloten op een dag om een excursie te ondernemen om de filosofische vriendschapbanden wat steviger te maken. Er was de dagen ervoor heel wat gekibbeld en iedereen meende dat een wandeling allen goed zou doen. Op een bepaald moment liepen de wijsgeren voorbij een wilde rivierbedding.

“Mooi water!”, zei Thales, “dat is vast de oorsprong van alle leven!”

De meesten knikten en bijna iedereen verklaarde luidop zijn welbevinden. Iedereen behalve Thales’ vriend Anaximenes, die niets zei. Hij staarde naar boven en bevond zich klaarblijkelijk in hogere sferen.

“Niet akkoord, Anaxi?”, vroeg Thales kameraadschappelijk, en hij gaf de man een vriendschappelijk klopje op de schouder. Anaximenes viel echter totaal uit de lucht, brak zijn nek en was op slag morsdood.

Iedereen stond er maar wat ontredderd bij, behalve Socrates, die zich geen vragen stelde. Ook Parmenides scheen het niet goed te begrijpen.

“Is hij dan niet altijd al dood geweest?”, vroeg hij zichzelf luidop af. Heirakleitos gaf hem hierop een lap tegen zijn voorhoofd, waardoor hij in de rivier viel en terstond verzoop.

“Nu zijn er al twee dood!”, riep Seneca, “Dat moet het lot zijn!” Maar niet iedereen was daarvan overtuigd en velen hadden het gevoel dat er toch iets ondernomen moest worden. Pythagoras stelde voor om muziek te maken, maar dat vond bijna iedereen ongepast.

“Ik heb een Idee!”, zei Plato, waarop hij zweeg.

“Kan je iets concreter zijn?”, vroeg Aristoteles.

“Als je goed nadenkt weet je het al”, zei Plato. Maar hoe ze hun hoofd ook braken,
niemand scheen op het Idee dat Plato bedoelde te kunnen komen.

Protagoras suggereerde om aan Anaximenes en Parmenides zelf te vragen of ze dachten dat ze dood waren. Ze deden dit. Na een tijdje proberen bleek er echter geen antwoord te komen. Voor Epicurus was de maat vol.

“Foert, als ze niet willen antwoorden laat ze dan liggen, mijn vrienden waren het toch niet. Ik ga in mijn bloot gat in mijn hof liggen”, zei hij en hij vertrok, op de voet gevolgd door een geïntrigeerde Diogenes van Sinope, hobbelend in zijn ton.

Het hele voorval leek op een impasse te gaan uitdraaien, maar het toeval wou dat ook de middeleeuwse filosofen net die dag een excursie hielden. Eriugena had hen immers beloofd om eindelijk eens uit te leggen wat de vier naturen van de Heer nu eigenlijk waren. Hij riep iedereen samen en liet hen plaatsnemen voor de grote theofanie. Toen iedereen neerzat had hij naar het plafond gewezen en “kijk daar den heiligen geest!” geroepen. Toen iedereen naar boven keek had hij het op een hollen gezet, recht het woud in. De woedende bende had daarop vloekend de achtervolging ingezet.

De opgejutte groep Middeleeuwers bereikte de rivierbedding en Augustinus zag meteen dat er iets mis was. De klassieke filosofen biechtten hem terstond op wat er gebeurd was, dat er al twee filosofen gestorven waren en dat ze niet echt nog durfden bewegen uit vrees voor meer doden.

“Ho maar, twee doden, dat is niet erg”, zei Augustinus, “ze waren vast toch al verdoemd, niets aan te doen. We zien ze terug tijdens het laatste oordeel.”

Terwijl Augustinus zo sprak was Pelagius helemaal rood aangelopen. Hij vloekte eens maar zweeg uiteindelijk toch, want Augustinus kreeg meestal gelijk van de overigen.

Thomas van Aquino vond het hele probleem maar triviaal en zei dat ook.

“Met alle respect voor de klassieken, maar de echte vraag is hoeveel mensen de heer zou kunnen doen sterven, gesteld de beperkte deelbaarheid van de tijd”, zei hij, “we kunnen het antwoord vinden als we het goddelijke licht laten schijnen.” Hij meende het.

Iedereen vroeg zich echter af waar hij het over had en menig wijsgeer voelde zich een beetje geïntimideerd door zijn formele eruditie.

Giordano Bruno, die altijd al een beetje een durver was geweest, trok zijn stoute schoenen aan en zei; “de kosmos is oneindig en er zijn natuurlijk nog vele werelden, dus de heer kan oneindig veel mensen laten sterven.”

De middeleeuwse filosofen waren geschokt en ook Thales en de zijnen keken niet echt tevreden. “Wil je soms zeggen dat God niet bestaat”, vroeg Anselmus van Canterbury,” ik heb het bewijs nochtans bij mij hier!” Hij flapperde met een papier, maar stak het vlug terug weg zodat niemand kon lezen wat erop stond. Bruno stotterde dat hij het zo niet bedoeld had, maar ze luisterden al niet meer. Er werd besloten tot drastische maatregelen. Ze besloten om Bruno in brand te steken. Boethius, die altijd al een zachtaardig en troostend karakter had gehad, ging ongemerkt dichtbij Bruno staan en fluisterde: “Ik zou wel helpen, maar ik ben bang dat ze me dan zouden wurgen.”

Ze sprokkelden hout, bonden Bruno aan een paal en maakten aanstalten om hem in brand te steken. Augustinus twijfelde echter.

Hij zei: “Ik twijfel.”

Hij had de woorden nog maar net uitgesproken of René Descartes, die zich al de hele tijd achter een boom verstopt had, kwam te voorschijn. Hij nam de toorts uit de handen van de kerkvader en wierp hem zonder verder nadenken op de brandstapel.

“Als er twijfel is, mag je zeker zijn!”, zo verklaarde hij zijn boude actie. “Dat weet ik nog zo niet”, zei Immanuel Kant, die nu ook vanachter een boom sprong, “maar het is goed dat je erover begint.” “Hij was alleszins een staatsgevaarlijk figuur,die Bruno”, zei Thomas Hobbes, die op zijn beurt uit de kruin van een grote eik kwam gesprongen.

Meer en meer moderne filosofen sprongen nu vanachter de bomen in het woud en de Klassieken en de Middeleeuwers voelden zich meer en meer in het nauw gedreven. De bisschop van Berkeley wist hen echter gerust te stellen met de mededeling dat hun aanwezigheid waarschijnlijk toch allemaal maar een droom was van iemand anders. Karl Marx en Friedrich Engels waren niet geamuseerd.

“Een typische opmerking van een bourgeois kapitalist”, zei Marx en hij streek zijn baard glad,“als het een droom is mogen we uitgebuit worden, wil je waarschijnlijk zeggen.”

Een felle discussie tussen de twee ontstond, alhoewel Berkeley volhield dat het geen discussie was maar een monoloog. Adam Smith moeide zich echter en Marx werd door een onzichtbare hand de mond gesnoerd. "Ik voel mij soms zo verkeerd geinterpreteerd", morde hij nog, maar de hand drukte al snel al zijn bezwaren weg.

In de stilte die ontstond vroegen de timide middeleeuwers aan de modernen of ze er goed aan hadden gedaan om Bruno in brand te steken, of niet.

“Was het in overeenstemming met het subjectief beginsel van uw wil?”, vroeg Kant. Maar dat wisten ze niet. Blaise Pascal vond het allemaal maar huiveringwekkend en zei hen dat ze in hun hart moesten kijken. Erasmus zei dat het niet echt humaan was om iemand in brand te steken, maar hij werd weerlegd door Hume die zei dat humaniteit niet door feiten bepaald werd. “Ach ja, wie kan dat nu wat schelen, als het maar werkt”, zei John Dewey en velen gaven toe dat daar wel iets in zat.

“Maar hoe weten we dat God het zo wil?”, vroeg één of andere kerkvader timide.

“God?”, riep Feuerbach uit en hij begon smalend te lachen. “God bestaat niet!”

Hierop ontstond er zo’n ruzie dat alles gewelddadig uit de hand leek te gaan lopen. Hume smeet aan de lopende band boeken in het vuur en Nietzsche sloeg mensen met een hamer op het hoofd. Levinas bedekte zijn ogen en huilde zilte tranen, hij vond het echt geen gezicht. Wittgenstein trok zich niets aan van de hele scene, zette zijn ladder tegen een boom, kroop erop en begon kastanjes te plukken.

Husserl sloeg de ruzie van een afstand gade en zei “Ik vind het echt een fenomeen! Maar het is moeilijk om de essentie nog te zien.” “En het ergste moet nog komen”, opperde Schopenhauer. “Zo’n vaart zal het wel niet lopen! We leven uiteindelijk in de beste van alle werelden”, zei Leibniz, waarop Voltaire smalend lachte. “Jij hebt gemakkelijk praten, meneer de aristocraat.” Marcuse, Horkheimer en Adorno probeerden kritisch te blijven, maar wachten af tot Marx iets zei. Die zat echter in een hoekje te mokken en de internationale te zingen.

“Ach reageer er niet op”, zei Russel tegen Leibniz, “wat hij zegt is toch niet logisch!” Als uit het niets maakte Wittgenstein zich kwaad van op zijn ladder. “Iedereen zou beter zwijgen waarover ze toch niet kunnen spreken, hoe kan ik mij nu zo concentreren op het plukken van mijn kastanjes?”

Zijn woede was zo groot dat niemand nog een woord durfde zeggen, en Hegel uit pure angst zelfs de Geest liet. William James, altijd al de meest pragmatische van de bende, liep naar Wittgenstein en stampte zijn ladder om, waarna die zijn nek brak. Zijn mand met kastanjes viel recht voor de voeten van Sartre die ze gretig binnenhaalde. Iedereen was verbouwereerd door de daad van James en het werd muisstil in het bos.

“Niemand moet James veroordelen”, verbrak Heidegger de stilte, “wat hij deed was uiteindelijk perfect te begrijpen vanuit de tijdsgeest.”

“Gij zijt ook nogal nen totalitarianist”, riep Hannah Arendt woedend uit.

“Het zal Tijd Zijn dat iemand dat zei!”, riep Heidegger uit.

“Iedereen is toch vrij om te doen wat hij wil!”, viel Sartre Heidegger bij, wat velen verraste, aangezien de twee vaak ruzie maakten.

"Vrij of niet. Je hebt wel alle kastanjes voor jezelf gehouden, je had ook wel even aan de minder fortuinlijken kunnen denken!", zei John Rawls beschuldigend tegen Sartre. Hierop ontstond er een handgemeen tussen de twee waarbij Sartre uiteindelijk met de sluier van Rawls gewurgd werd.

De kastanjes werden hierop herverdeeld. Alweer viel er een moment van stilte over de groep.

“Dat is toch geen rechtvaardigheid, ik heb evenveel kastanjes gekregen als de rest maar ik heb er wel veel harder voor gewerkt!”, snerpte Nozick opeens. "Jij, boef! Ze zouden je moeten disciplineren en in de gevangenis moeten steken", riep Michel Foucault, die zijn kastanjes voor geen geld ter wereld wilde afgeven. Iedereen begon nu door elkaar dingen te roepen over rechtvaardigheid en kastanjes.

De discussie liep nog harder uit de hand toen Kierkegaard plots ironisch begon te doen over de kastanjes van de anderen. Het leek maar een kwestie van tijd voor er weer een dode viel.

“Hola, wacht eens even!”, riep plots iemand met luide stem. Iedereen keek op en stopte met knokken.

Het was Lyotard. Hij wees op zijn horloge. “Ik zie hier net dat het narratief gedaan is”, zei hij, “dus we gaan beter naar huis.” Er volgde wat gemompel en gemor. "Het heeft hier misschien al lang genoeg geduurd", zei Bergsson,"maar dat is natuurlijk subjectief." Maar dat vonden de meesten ook maar zever.

Fukuyama beaamde wat Lyotard had gezegd. “Het is beter dat de geschiedenis hier eindigt”, zei hij.

Derrida probeerde nog om een andere interpretatie af te dwingen maar uiteindelijk werd hij door Nietzsche overhaald om ermee te stoppen.
“Het heeft toch geen zin”, zei hij, “dus we kunnen ons maar beter op café gaan amuseren met dionysische liederen zingen.” Plato zei: "Een goed Idee", en daarmee eindigde de woudtrip ongeveer zoals hij begonnen was.

Het hele gezelschap sprong in de auto van Camus en reed naar de bar aan de rand van het woud. Ze waren alweer een dag ouder en heel wat wijzer, maar nog steeds geen wijzen.

dinsdag 28 december 2010

Verfusion/conwarring

De ardente dampen of my past
Are creeping like Muselmannër,
(Ghosts from oude vuile Läger)
Door mijn hoofd et puis, moi,
I can’t but see, projeté partout,

Your soft en zoete bruine ogen
My rough en kwalijke handen
En de shame, de diepe silly sin,
That invades mein ganzes Leib.

Twijfel niet,
Aan mijn eerlijkheid.