vrijdag 14 november 2008

Druppelen voor het eten.

Het regent al de hele middag en ik verlang zo naar je lichaam, schatje, dat kan je niet geloven. Gekke midstormnovemberdagen waarop ik je lichaam verkende, wij twee alleen in de duisternis. Waar kijk ik naar? Een blad aan een boom, een tak in een gele bus, een zwangere moeder met nog kinderen, twee jongeren met diepe kappen aan hun zwarte jekkers. Je keek van me weg, je hebt ons samenvlechten weggegeven. Dat is behoorlijk gemeen. Wou je me zo tot slachtoffer reduceren?

Je zei: "Er is geen hoop voor zwakke jongens", en streelde mijn kaak met vier van je vingers. Toen ben ik, zeer stoer, op mijn zij gaan liggen. Ik sloot mijn ogen, deed alsof ik sliep, ik kon je radeloze eenzaamheid wel proeven. Ik weet niet meer wat er daarna is gebeurd, maar ik weet wat ik heb bekomen. Een neutrale eindbalans is de droom van elke boekhouder in crisistijden.

Ik zit in een tuin en we eten lever. Mijn moeder lacht, ze draagt haar groene jurk. Kon ik maar nog even op haar schoot gaan zitten, maar het is te laat op de dag en de woorden zijn ertussen gekomen. Hoe kan het een moeder ook ooit goed vergaan, dit leven? Je hebt naast me in de zon gezeten, met je glimlach. Ik vond kracht waar alleen de fenomenen waren. Maar je mond scheurde, plots. Ik schreeuwde maar het ging verder en verder, als een ordinair vel papier, tot er niets meer van je gezicht overbleef. Je smolt en vormt een drekkige poel naast me. Iedereen lacht vrolijk, maar mijn namiddagmaal is afgelopen. Wat moet ik dan behalve blijven zitten, met mijn vork prikken en doen alsof? We heffen het glas en drinken op het leven.

Toen een storm nog vrolijk was, toen ging ik door de regen lopen. Mijn haar dat voor mijn ogen plakte, mijn adem stokkeloos, zoete druppels op mijn wangen, je hoort de zwijgende uilen en je ziet mijn handen in de lucht. Ik schreeuwde, onbekommerd en gerust: "Ik ga voor eeuwig jong blijven."
"Dat zal wel jongen."

zaterdag 8 november 2008

Voor K. & M., bevriende filosofen

Ergens op de dansvloer ontwaakt een demon in de ritmiek. Dat is het begin.

Antropologen zeggen dat de dans van Noord-Amerikaanse Indianenstammen, lang voor de casino's er waren, een dubbel doel diende. Men danste vooreerst om demonen te bezweren maar bovenal ook om ze op te roepen. Wat hogere machten betreft was er één duidelijke regel: het is beter om een momentaan verbond te sluiten met de heidense Parakleet dan hem je helemaal te laten consumeren. Ik weet het niet met die antropologen, ik vertrouw ze niet, ze zitten te veel in het buitenland en ze klinken soms verdacht veel als Tolkien.

Als je die verleidelijke ritmiek, het perfecte samenspel van lichaam en muziek, niet kan bereiken voel je je potsierlijk en kan je het niet nalaten om jezelf vragen te stellen bij je keuzes voor die avond. Waarom ben je hier? Waarom lees je geen goed boek of kijk je niet naar een goede film, thuis? Verder en belangrijker: waarom ben je niet bij je eerste liefje gebleven? Ze was een goed, aardig, en snugger meisje (mooi ook, maak je maar geen zorgen). Waarom uit haar armen vluchten? Is dit jammerlijke en onbehaaglijke vluchtig bewegen al wat er in de plaats is gekomen? Was dit wat je wilde toen je naar de universiteit vertrok, de wijde wereld in (alhoewel ik het hier in retrospectieve niet veel ruimer vind dan in de baarmoeder)? Je epitaaf zou vermelden bij je onmiddelijke sterven: 'Hier ligt een vriend van de bokkengod. Hij deed niet veel, niets goeds alvast, hij bereikte niet veel, maar hij bleef wel dansen. Ook al niet zo goed. Maar goed'.
Na vijftien pintjes willen die gedachten zich weleens reduceren tot een onbestemd gevoel van onbehagen, dat zich lichamelijk uit door een stembandgerochel, samengevat door de onomatopee: "uuurghhhll". Maar wat een vreugde als je de eenheid waar je naar verlangt wel kan bereiken. Dan pompen de bassen zich naar het einde van je ledenmaten en bewegen je heupen alsof het geen heupen waren, met schokken en dreunen, glijdend en bevend en wiegend.

Ik zou mezelf niet graag mijn gang zien gaan, opgaand in mijn trance, maar dat hoeft gelukkig ook niet. Zelfvergetelheid in de eerste persoon is een zegen.

De tocht huiswaarts heeft heel wat minder weg van een zegen. Er is plots weer het denken dat je kan overvallen, je neocortex haalt je in, na korte tijd door drank, licht, geluid en sociale overstimulering uitgeschakeld geweest te zijn. De contemplatie loert als een struikrover zonder struiken. Je beschadigde geest probeert zich opnieuw op de wereld te oriënteren. Je ziet een man, hij kotst op de straten, je ziet dronken mensen lallen, je ziet duistere figuren in de schaduwen lurken. Dat was je allemaal even geleden niet opgevallen. De duistere fenomenen van de nacht steken hun hoofd op en roeren hun fangen. Het gegeven laat je onbekommerd of veroorzaakt grote angsten, naar gelang je stemming.

Je kruipt in je bed en tot je verrassing is je interne wereld een draaimolen geworden. Je hoopt dat er spoedig een vast referentiepunt zal komen, maar je slaapt voor het zover is. In je dromen dansen er kippen en spreken ezels je aan. Je drinkt uit een massieve betonnen trog en de boer met zijn emmertje schijnt iets te verbergen. Een mysterie achter zijn grijns met bruine tanden.

Je wordt wakker en alles is kapot. Je hoofd in de eerste plaats. Je maag en je darmen ook. Je hebt krampen in voeten en kuiten. Betekenissen ontbreken, verklaringen zijn belachelijk. In de lege straten hoor je kinderen lachen, pijnlijk opgewekt. Je lijdt aan echolalie, je lijdt aan echolalie. Waarom is de wereld zo'n lege en ver-legende locatie? De dag wordt een zoektocht, een poging om iets van de volheid, die je nooit bezat maar ergens de nacht ervoor even dacht te beleven, te hervinden. Het is een dag met gaten in een leven dat een open wonde is, nooit geheeld genoeg of je wil het openrijten. Maar spoedig, wanneer de nuchterheid went, en je met je koffertje de baan optrekken al te saai vindt worden, sta je weer in de bres voor een tel vergetelheid.

donderdag 6 november 2008

Nog eenmaal tegen de ingenieuze mens

Waarom nog de liefde, met al haar opofferingen, haar kleine en grote frustraties, haar pathos en haar apathie, haar extreme hoogten en diepe dalen, als je voor amper 320 euro een Playstation 3 kan kopen? Waarom nog investeren als amusement en verstommende bezigheid zo makkelijk kunnen komen, na een weekje werken en sparen?
Ik hoop dat er een antwoord op die vraag bestaat maar ik begin ervoor te vrezen.

Als ik je vraag om me even bij te staan in mijn moment van wanhoop, waarom zou je dat dan ook niet doen? Omdat je andere dingen te doen hebt zoals viool leren spelen, of een carriere uitbouwen of een huisdier voedsel geven? Onzin meisje, en je weet het. Je wil gewoon een verstommende bezigheid waarin je je innerlijke luiheid kan laten primeren, want ik ben pokkemoeilijk. Dat is prima, want ik wil dat ook.

We lopen over de straten met onze hoofden gebogen en als onze ogen andere blikken raken dan is het een ongeluk, een schaamte en een groot gevaar. We staan stilzwijgend met onze boodschappentassen in onze handen te wachten tot de stilte wegvalt en we weer door onze huizen opgeslokt zullen worden. Maar ik wil niet moraliseren, want ook dat is een onzinnig tijdverdrijf.

Voor ik je vergeten ben, in onze eigen ruimte, moet er ergens een mens verschijnen, die uitspreekt wat ik je niet zeggen kan en zwijgt overal waar er moet gezwegen worden. Dit is het tijdperk van de ingenieur en hij ingenieurt de wereld naar de kloten. Er is me niets aan gelegen om tweehonderd jaar te worden in deze schaamtelijkste aller werelden. Er is me niets aan gelegen om op mijn rug liggend en in een wijde pijp ejaculerend tegen driehonderzestig kilometer per uur naar de Caraïben te cruisen. Ik was al tevreden met brood en wat geitenkaas, met een gezin en versterkt door de zekerheid dat er geen kernwapen van drie ton op hun hoofden zou vallen. Ik hoef geen elf dimensies en ik wil geen zogenaamde vooruitgang, ik wil geen zeven miljard mensen in mijn nabijheid en ik hoef zeker geen absoluut zeker verklaringsmodel voor alles. Zoveel is duidelijk.

donderdag 30 oktober 2008

Banalapologie

Wat er zo mooi is aan het concept van de moderne stad is dat het je een begrensde ruimte geeft waarin je je hele leven naar believen kan verklooien. Je maakt wat mee als jongedame in de stad, maar het is nauwelijks ooit de moeite van het vermelden waard. Hoe banaal het kwaad ook mag zijn, het is vast minder banaal dan al die onverschillige middelmatigheid die elke dag overal de hoofdtoon voert. Tijd voor een apologie van de middelmatigheid en de onverschilligheid waarmee ze gepaard gaat en waarvan ze zuster is.

Het gaat al niet goed bij het wakker worden. Slapen is vooral geen kou hebben, wakker zijn is vooral verlangen om wakker te blijven, zonder reden of doel, een vrij ongericht gebeuren aangestuurd door het op niet-sterven gericht bewustzijn. Je wilt jezelf graag verblijden met de glimlach van een kind, door de geur en textuur van een bloem, door de aanblik van een overgelukkige zwangere moeder in de dop, je wil met vrienden converseren en hen zachtjes op de schouder kloppen. Alleen is er nergens een bloem te bekennen. Daarenboven zijn de kinderen huilerig en weigerachtig om zich naar school te begeven en zijn de zwangere moeders in de dop obees, onaantrekkelijk en voelen ze zich altijd onbegrepen. Je vrienden gaan momenteel door identieke of andere kwellingen en je kunt hen niet blijven opbellen, ook dat heeft zijn grenzen. Dat valt tegen maar zo gaan die dingen, dus kan je maar beter in je Peugeot 306 (maar ik wil hier beslist geen specifiek merk viseren, het kan bijvoorbeeld ook een Alfa Romeo, een BMW of zelfs zo een oerdegelijke kubische Volvo zijn) kruipen om meteen haast te maken van dat hele werkdaggedoe.

“Ik ben zo ongelukkig”, “150 kilometer file, shit!”, “Ik heb zin in een koffie”, je gedachten variëren ’s ochtends nogal naar gelang van je gemoedsgesteldheid bij het verlaten van je gezellige woonst. Laten we het houden op het zeer neutrale “zucht”, “sigh” voor alle anglofielen hierbuiten.

Saai is de rit en je wou dat die vreselijke radiopersonality nu eindelijk zijn bek maar eens hield en van de 27e verdieping van een kantoorgebouw trachtte te stappen. Zo wordt de dood van een mens voor jou een spirituele verlossing. Het gaat er vooral om ergens zin te creëren, hoe futiel ook.

Je baas lijkt een beetje op Ernest Claes, of dat denk je toch vaak, en omdat je helemaal niet weet hoe Ernest Claes eruit ziet besluit je dat het komt omdat de naam rijmt op het woord baas. Je baas lijkt ook een beetje op Vanuytsel Zjef. Dat is natuurlijk allemaal semantische, inconsistente meta-onzin en wanneer je er iets van vertelt aan de mooie jongen die je steevast aan het koffieapparaat ontmoet loopt hij met een wat verschrikte blik in zijn ogen weg. Hij heeft hazelbruine ogen.

Jij ook, een man in je verleden was er helemaal aan verslingerd. Hij is er niet meer.

“Hey, hoe was jouw weekend?”, je collega blijft maar wat aan je bureau staan, hij gaapt je aan en zijn kruis is op ooghoogte. Hij heeft twee kinderen en een blonde vrouw. Je hebt ze ontmoet, haar naam was Myriam en ze wou maar wat graag vrouw onder vrouwen met je zijn. Dat vind je strontvervelend, natuurlijk. Haar man heeft helemaal geen fatsoen, staat wat met zijn benen tegen het meubilair te schurken en je voelt de neiging om je nietmachine keihard naar zijn hoofd te smijten. Alleen heb je geen nietmachine en paperclips zijn veel te klein voor dat doeleind en ergens wil je ook dat iedereen je tof en leuk en aangenaam en grappig vindt. Dus zeg je: “Tof weekend. Echt tof.” Je glimlach is zo fake als het decor van een soapserie.

Je mannelijke collega’s hebben een puntensysteem uitgedokterd om elke vrouw op en rond de werkvloer mee te beoordelen. Er zijn drie criteria: ‘kont’, ‘borsten’ en ‘gezicht’. Maar die laatste categorie telt maar half mee, zoals ze vaak tot algemene hilariteit van alle heteroseksuele mannen op de werkvloer, uitbrullen. Je vraagt je stiekem af hoeveel punten ze je gegeven hebben, hoewel je hun hele handelen intrinsiek veracht. Ze zouden het moeten weten, je gedachten eens moeten raden, het zou vast weer tot diepe filosofische verhandelingen over ’s vrouwens aard leiden.

“Zucht”

Dat is de tweede keer. Er komen er vast nog en het is zelfs nog geen middag. Je hebt krampen maar wanneer je op het toilet gaat zitten kan je plots niet meer kakken. Je voelt je licht uitgelaten omdat je het woord kakken in deze rigide omgeving hebt durven denken. Verstopping, een misselijk gevoel en kolieken in je darmen, het is een vervelende combinatie. Misschien moet je wat meer yoghurt eten. Je schrijft ‘yoghurt’ in je telefoon. Je voelt je altijd licht gegeneerd wanneer je het toilet binnengaat. Er loopt een lichte huivering over je rug wanneer je je billen op de koude wc-bril plaatst. Vroeger bedekte je vreemde toiletbrillen met toiletpapier. Dat was in de tijd dat je nog studeerde, toen je nog de luxe had om naar je eigen toilet te gaan en het maar zelden gebeurde dat je ergens anders hoefde te gaan.

Tijdens de middagpauze vlucht je uit het gebouw, weg van de haviken, de gieren en de lachende beo’s. Het is daar een bontgekleurde volière, maar jij hebt het nooit voor gevleugelde beesten gehad. Al het overzicht gaat verloren door al die aëronauten en je bent zelf niet gemaakt om hoge toppen te scheren. Al denken anderen vaak van wel. Je weet het zelf allemaal niet. Je bent jaloers, soms.

Het is werkelijk even aangenaam om op adem te kopen. Gewoon jij en één collega, weg van de meute, van de zoo. Zij heeft haar momenten waarop ze niet strontvervelend is. Je vreest dat je eigenlijk ook strontvervelend bent. Maar dat dondert niets, want fijngevoeligheid is hier onbestaande. Alleen is het een wat vervelende gedachte. Gedachten zijn er om weer uitgespuwd te worden en in actie omgezet te worden. Dat is hun evolutionair gegroeide functie. Je kauwt traag op je broodje, je voelt je meer en meer als een, weliswaar sexy, koe. De pauze vliedt voorbij.

Eén van je collega’s houdt ervan om imitaties te maken van andere mensen. Meestal mensen die hoger in één of andere hiërarchie staan dan hijzelf. Imitaties kunnen mits met zorg gedoseerd best leuk zijn, maar het euvel is dat hij er werkelijk rotslecht in is. Vandaag doet hij een verkeersagent na. Die had blijkbaar kapsones want hij durfde het aan om het verkeer van zijn richting stil te leggen net toen hij aan de beurt was gekomen om het kruispunt over te steken. Het wordt een hilarische imitatie, te oordelen naar de verrukte kreten van de anderen. Je wilt dat iedereen je tof en aangenaam en grappig vindt dus zeg je: “Ja Guido, jij bent me er eentje.” Je bent een toffe meid, een aangename gezel, een grappige en slimme vrouw. Je kunt jezelf wel voor de kop schieten.

Op sommige dagen mag je na de middag het kantoor verlaten voor wat veldwerk. Dat is altijd een opluchting, een milde verlossing van zeer veel ergernis. Het is een pauze van de wreedheid van het banale. De opluchting duurt tot je effectief aan het werk ter plekke moet beginnen. Het is strontvervelend werk en hoewel je je kunt inbeelden dat mijnwerkers in Katanga een slechtere en zwaardere baan hebben kan je je er werkelijk niets bij voorstellen. Je bent het miserabelste wezen op de aarde, wat jou betreft. Je wijt het aan je tekort aan inlevingsvermogen in de mens in al zijn abstractie. Het gaat ergens om genoeg excuses voor jezelf te vinden, hoe futiel ze ook zijn.

Is het bijna vijf uur? Het is verdomme vijf uur. Je mag naar huis. Halle-fucking-luja. Je voelt het zweet dat je kleren bestinkt en je kunt het niet laten om te denken: “Ik word steeds meer als mijn moeder. Die kon ook zo zweten.” Je wilt helemaal niet als je moeder worden, maar je bent al te moe om je ertegen te verzetten.

Moe. Je bent nog nooit van je hele leven zo moe geweest, of het moet de vorige dag of die ervoor geweest te zijn. Het lijkt almaar erger te worden. Vroeger was een weekend tijd genoeg om te slapen, een zee van luilekkertijd na een lege week. Je wilt jezelf niet als een lui wezen zien, maar kon je maar zeven maanden slapen. In Groenland kan dat misschien. Je begint te dromen van een bestaan in eeuwige duisternis. Klinkt heel Satanistisch.

“Ik ben zo ongelukkig”, “150 kilometer file, shit!”, “Ik heb echt wel honger nu.”, je gedachten variëren ’s avonds nogal naar gelang je gemoedsgesteldheid bij het verlaten van je gezellige werkplaats. Je humeur pendelt ergens tussen zwaar gedeprimeerd en extreem onverschillig. Positieve emoties hebben voorlopig geen plaats in je lichaam of je brein. Je hormonen gieren, waar ligt die doos cleenex ook alweer? Maar je weent niet en het is moeilijk om je toestand onder woorden te brengen. Laten we het houden op het zeer neutrale “zucht”, “sigh” voor alle anglofielen hierbuiten.

Dat is de derde keer. Het is al erger geweest. Ook al minder erg. Alles komt uiteindelijk weer bij nul uit. Het leven is wiskunde voor mongolen. Een beetje optellen, een beetje aftrekken, je kunt alle moeite doen maar het is uiteindelijk makkelijker om gewoon onmiddellijk een nul op te schrijven.

De warenhuizen lopen vol met tuig en debielen allerhande. Wanneer je af en toe de blik van een mooie interessante man opvangt, kijk je daarna vlug weer naar je schoenen. “Waarom doe ik dat nu toch steeds?”, vraag je jezelf terloops af. Geen idee schat, je krijgt een 8 voor poep, een 9 voor borsten en een 8.5 voor gezicht. Maar dat laatste telt natuurlijk maar half!
“Kunnen ze me na het werk niet met rust laten? Uit mijn hoofd verdwijnen?”

Je komt thuis en je schopt je schoenen uit. Je loopt naar je zetel en ploft je lichaam neer. Dit is het grote moment van de zelfontplooiing, tijd voor jezelf, vrije tijd, een weg uit het slop maar het enige dat je kunt bedenken is om je tv aan te zetten en daar te blijven tot het tijd is om je eten klaar te maken/ op te warmen. Het smaakt nogal flets maar het vult. Misschien kan je dit weekend met een ouwe vriend iets gaan eten. Je stuurt hem een berichtje maar hij reageert niet onmiddellijk. Vervelend.

Je bent doodmoe. Elke avond ga je heroïsch het gevecht tegen de slaap aan. Je moet en zal nog iets doen met je leven. Een meerwaarde realiseren. Of zoiets. Je grijpt je boek, hardnekkig en met een kop sterke koffie voor je neus begin je te lezen. Maar het heeft geen zin want die oogleden van je worden steeds maar zwaarder. En… och ja. Waarom wilde je ook alweer wakker blijven?

Je wast jezelf in een diepe trance, je poetst je tanden half bewust. Met een oog half dichtgeknepen bekijk je je lichaam in de spiegel. “Welke man zou dit nu niet kunnen begeren?”, denk je, en “Ik heb nog minstens enkele goede jaren.” Je huilt heel even, maar het schokken doet je schouders pijn. Onder je dekens is het ijskoud en je laat je roman maar dicht want het is allemaal veel te zwaar en vervelend, zeker na vandaag, en na al dat gedoe en voor je in slaap valt denk je:
“Het zou toch ook allemaal anders kunnen zijn.”
Nog acht uren voor hetzelfde weer begint.

zondag 26 oktober 2008

Voorochtendlijke poëzie.

Om half vier voor de middag maakte ze me wakker met de volgende dichtregel.
“Je bent als een kind, je houdt alleen van wat je verblindt.”
“Wat wil dat zeggen?”
“Ik dacht dat jij het misschien zou weten?”
Ik krabde onder mijn kin en ging even iets meer rechtop in bed zitten.
“Misschien dat ik alleen maar kan houden van dingen die ik zelf niet begrijp? Van verblindende zaken?”
Ik kreeg de smaak te pakken en ging vlug en enthousiast door, alsof het allemaal iets uitmaakte: “Zoals fenomenen die te groot zijn om ze in één keer te begrijpen.”
Ze keek me met een opgetrokken wenkbrauw aan, ik zag dat ze erg sceptisch was want ze had het op haar voorhoofd geschreven. “Sceptisch”, in knalrode letters. Het was maar lippenstift, ze bewaarde er altijd één voor noodgevallen in het nachtkastje. "Geen loodverf of gouache, ze is geen artieste", vond ik.
“Zoals kernfusie?”, vroeg ze me met het nodige sarcasme in haar stem.
“Nee kernfusie is gewoon te moeilijk, met al die wiskundige vergelijkingen die je daarvoor moet leren, maar het is niet te groot. Ik had het meer over de zon. Of zoiets.”
Ze lachte me nu ronduit uit, zomaar in mijn gezicht: “Of zoiets? Is er dan nog iets als de zon?”
Maar daarop had ik al vlug een antwoord, want ik ben een geleerd baasje en ik lees regelmatig de Wetenschappelijke Amerikaan.(Amerikaan is in dit geval een metonymie voor Europeaan, Afrikaan, Aziaat, Oceaniër en Amerikaan. Excuus als ik iemand vergeet.)
“Quasaren, zwarte gaten en singulariteiten”, zei ik een beetje pompeus en volstrekt zelfvoldaan en eikelig.
"Wat is een singulariteit?"
"Ofwel is het een plek waar de kracht oneindig groot wordt, ofwel is het een huilende aap, een singus ulularus. Ik weet niet meer welk."
“Dat zijn toch niet echt fenomenen. Een zonsverduistering is een fenomeen. Een quasar is een object. Een huilende aap ook.”
Ik twijfelde daar toch enigszins aan.
“Weet je dat wel zeker?”
“Als we de Cosmo mogen geloven toch.”
Ik krabbelde onmiddellijk terug en bracht mijn handen tot voor mijn borst, met de palmen omhoog. Ik leek Jim Caviezel wel.
“Oh maar met de Cosmo zou ik niet willen discussiëren.” Ik giechelde hardop, dat doe ik soms.
“Dat zou zeer insolent zijn.”
“Insolent?”
“Respectloos?”
“Krijg ik een kus?”, vroeg ik respectloos. Die kreeg ik. Dat deed me glimlachen.
“Verblind ik je, Frank?”, vroeg ze me. Dat vond ik een zeer voorspelbare vraag van haar.
“Soms is het zeer gevaarlijk om achter het stuur te kruipen wanneer je naast me zit.”
Dat scheen haar gerust te stellen want ze lachte en kneep me in mijn rechterdij. Vervolgens draaide ze zich op haar zij om even later lichtjes kirrend in een diepe slaap te verzinken. Ik overwoog nog even om haar over haar hoofd te strelen maar deed het maar niet.
“Ik krijg daar vettige haren van.”, vertelde ze me eens toen ik haar hoofdhuid streelde en masseerde met een intensiteit die deed vermoeden dat ik dacht dat het iets uitmaakte.

Hierna was ik een tijdje klaarwakker maar dan gebeurde er iets onverwachts.
Ik werd erg moe.
Op het einde van bepaalde verhalen valt de held uit zijn bed en blijkt alles maar een droom geweest te zijn. Het gebeurt daarentegen bijna nooit dat het bed uit de held valt. Het lijkt ook nooit zo te zijn dat de droom begint nadat de werkelijkheid zich ontrold heeft. Ik denk dus dat ik volstrekt origineel kan eindigen door te zeggen dat mijn droom begon nadat de werkelijkheid zich ontrold had, maar dat dat een heel ander verhaal is, en helemaal iets anders in zijn volledigheid. Ik hoop maar één ding: dat er morgen geen bed uit me valt, want dat kan bijna niet anders dan een vervelend gevoel zijn.

zaterdag 25 oktober 2008

Verdraaienisbetekening

Als ik schrijf plaats ik wel eens een letter verkeerd, zo hier en daar. Ik gebruik af en toe een woord als dat niet kan, wat betekenis betreft. Ik verkracht de grammatica, ik leid de regels van de stijl om alsof ze marsepeinen treinrails zijn. Het helpt me om de gewone alledaagse betekenis, die klote, leeg en drekkerig is en onbehouwen op mijn zintuigen inhakt, te verruimen en een atoom van doelmatigheid, van zin in te voegen.

Ook bij mijn handelingen werkt dat zo. Door acties te begaan die ongewoon zijn en niet stroken met wat je als ‘het gaat zijn gangetje’ zou kunnen benoemen, vind ik ergens een ademruimte in mijn diepe poel van onbehagen. Het hoeven niet eens strafbare zaken te zijn, de dingen die ik doe als ik ongewoon doe. Soms loop ik op een oude man af en vraag ik hem of hij me over straat wil dragen. Ik ga naar een klein meisje en roep ‘verkrachting’. Ik doe erg simpel tegen een mongool zodat die me ‘onnozelaar’ noemt.

Onlangs besloot ik om je te vertellen dat je wel heel luidruchtig was, dat je beter wat meer kon zwijgen en dat je geen talent had. Ik kon even later, toen je weer terug was van weggelopen, zien dat je gehuild had. Ik deed of het me niet kon schelen.

Stiekem houd ik erg veel van je en ik zou graag ergens in de provincie met jou gaan wonen, samen in een walgelijk kleinburgerlijke fermette. Twee bontgekleurde repen topklassechocolade in een waspoederdoos. Mooi toch.

Ik vrees dat je dat niet ziet zitten, hoewel ik het nog nooit heb voorgesteld. Ik durf het ook niet goed, want wat als je ‘ja’ zou zeggen? Dat zou vast het einde van mijn dromen betekenen.

Gisteren nam ik een vlootje minarine uit de koelkast, plaatste het ding onder arrest, deed het mijn liefdeshandboeien aan en stak mijn penis erin. Mijn huisgenoten waren onthutst. De conservatieve zeikerds.

Ik hoop dat je me niet haat na mijn dwaze verwensingen want dat zou te veel zijn om te dragen. Of haat me misschien als je daardoor aan me denkt, ik kan het toch allemaal niet dragen. In mijn dekens hul ik me elke avond knus en warm, de steekluizen lopen over mijn lijf en ik denk dat ik een streepje vlektyfus heb. Ik ben alleen hier, op de insecten na, we zijn allemaal bloedzuigers. Je bent meer dan een wijf met mooie blote borsten en een aardige toet. Je zou me kunnen redden van mijn omhelzing met mezelf. Want hier schijnt het knalgele gelaat van de ziekte tot de dood, de ogen van de vertwijfeling, de mond van de apathie en de haren en flaporen van de moedeloosheid.

We zouden van negen tot vijf in de stad kunnen werken, samen met de auto terug naar de provincie rijden. Eten kopen in de Delhaize, misschien. Dat zou ik erg leuk vinden. Ik vrees dat jij dat niet leuk zou vinden. Trut.

Ik vond gisteren een 2-eurostuk op de grond, vloekte even, waarna ik het vlokhard in de richting van een Franse Buldog aan een leibandje smeet. Het rotbeest keek me niet eens aan. Ondankbare klootzak.

Laat ons, bij wijze van afsluiter voor dit lamentabele stukje drek, even naar de toekomst kijken. Ik zie me heel banaal en bij wijze van experiment je handje vastnemen, en ik zie me in je ogen kijken. En voor het allemaal veel te verwarrend wordt zie ik me heel snel en bruusk en erg ordinair mijn lippen op de jouwe planten. Geen redding, geen betekenisverdraaiing, een kus in het doodgewone leven.

Het spreekt me hoegenaamd niet aan.

woensdag 22 oktober 2008

Het slaat niet voor een leugen.

Als ik je zou vertellen dat mijn hart alleen voor jou slaat, en vergeef me de dwaze Victoriaanse beeldspraak nu maar, zou je me dan aan je boezem drukken en me nooit meer loslaten?

Vast niet.

In het extreme geval dat iets dergelijks toch gebeurt, en laten we daarvoor vooral Manon en Eros en ook Shell Octagon aanroepen, zou je me dan echt nooit meer loslaten?
Dat is geen kleine belofte. Denk dus goed na voor je zomaar van ja schreeuwt. Uitroept. Van de daken.

In het geval van een ja krijgen we vast kinderen, je rekt wat uit daarbeneden en boven begin alles al te zwabberen, dat was al een tijdje aan de gang. Ik word zelf almaar zwartgalliger, donkerder. Mijn gemoed is bijna altijd verstoord. Dat is zeker niet eenvoudig voor je. Maar het gaat. Het is het leven van late twintigers. Je klemt je vast, je duwt mijn hoofd tegen je tepels en ik ruik eraan. Lekker dier, beestje van genot, mijn doel en mijn leven. Maar ook al gaat het, zal je nog wel denken; “Hij is dezelfde en zal dat blijven. Ik wil hem voor altijd bij me dragen, topaas, amethist, briljant, nooit zirkonium, nooit goedkoop, mijn man, mijn leven.”?

Vast niet.

Ik werk meer en meer, langer en langer, harder en harder. De dagen met jou worden steeds korter. Op een dag kom ik thuis en ruik ik naar vrouwenparfum. Misschien heb ik lippenstift op mijn kraag. Je slaat in paniek en krijgt een woedeaanval. Dagen-, maandenlang spreken we niet met elkaar. Je bent boos. Je bent ouder, 32 jaar misschien, en je hebt me het beste van je leven gegeven. Ik ben een pessimist, ik heb geen beste van mijn leven, ik verbeeld me enkel steeds slechtere tijden. Maar je vergeet mijn bedrog, leert om van me weg te kijken, je wonde heelt en we trekken onszelf uit de stilte.

Nog even slapen en daarna weer opstaan. Het is pas half zes en je bent al in de weer, alweer. Even een zoen en ik vertrek. Ik rijd met mijn steeds ruimer wordende auto naar het werk. Ik ben een monster buitenshuis. Om acht, negen uur kom ik thuis. Doodmoe. We ontduiken elkaar van duisternis tot duisternis. We glijden langs elkaar. Het is het leven van late dertigers. Mijn bankrekening groeit naarmate mijn gezondheid me meer geld kost. Zal je nog zeggen: “Hij blijft mijn man.”? Zal je mijn handen in je handen nemen, er hartstochtelijk in knijpen, naar mijn slapende lijf kijken en de minuten en seconden tellen tot ik weer vertrek? Zullen onze vrienden ons benijden?

Vast niet.

Op veertig beginnen de vrienden te sterven. Ook je vader. Ook die gaat dood. Vreselijk tafereel, een tragedie, een macaber en zeer erg erg vreselijk persoonlijk trauma. Maar ik kan toch geen dagen, weken, maanden thuis rondhangen? Ik heb mijn werk, bergen en bergen labeur in wording, het stopt nooit. En nog een minnares bovendien. Weet je hoeveel het kost om een minnares te onderhouden? Dat kost erg veel geld.

Je had een hondje, maar ook dat gaat kapot. Dagenlang ligt het in een hoekje van ons huis te zuchten. Ik breng het naar de veearts, je klauwt je nagels in mijn vlees, ik zou willen dat je niet zou smeken. Ik laat het beestje kapotspuiten en verdwijn enkele dagen uit je leven, uit de wereld, in een goedkoop motel. Ik ben zelf kapot van verdriet en even later stuk gezopen. de muren hangen op het eind vol met bloed en urine. Die onschuldige hondenkop, zijn blauwe dode tong kletst in de plastic zak. De veearts vraagt me 50 euro. Dat is niet zo duur.

Alles begint te verwelken en onze vitaliteit begint te tanen. Niets lukt nog behalve mijn darmen legen, en ook dat gaat de ene dag al beter dan de andere. Het is het leven van late veertigers.
Zal je me herkennen als ik weer naar huis kom? Me na een paar dagen eenzaam lijden met open armen ontvangen? Zal je zeggen: “Ik begrijp wat je doormaakt, maar we slaan er ons samen wel doorheen, ook al heb je me in de steek gelaten. Me verlaten toen ik je het meeste nodig had.”

Vast niet.

Het herfsttij van ons leven komt, slinks als een katachtige dief, bij ons binnengeslopen. Op een dag kijk ik naar je gezicht, net voor mijn voorlaatste werkdag, een moment van respijt voor het begin van iets dat erg op het einde lijkt, maar ik schrik terug om dat te zeggen. Je bent oud geworden. Misschien zal ik je binnenkort toch echt laten staan. Ik wijs je constant op die mogelijkheid.

Rond ons vallen ze als vliegen, het is het tijdperk van de zwanenzang. Kankers vooral. Minder ongevallen, we zijn allemaal veel voorzichtiger. We hebben broze beenderen. Vrienden, kennissen, familie en schijnbare vreemden sturen ons kaartjes met foto’s van anderen erop. De afgebeelden zijn meestal familieleden van de zender. Er staat een karamelleversje binnenin, de kindjes zijn vaak verdrietig, ja ja, er komt een dienst van vijftig minuten en hij/zij gaat de grond in. Of de lucht in. Dat kan, het is schitterend om te kunnen kiezen. Een stevige jat koffie en een boterkoek of, als we geluk hebben, een pistolet met kaas. Onze zaterdagmiddagen zijn goed gevuld. Het is het leven van late vijftigers.

Goed dat we zoveel activiteiten hebben, begrafenissen, maar ook kaarten, wandelen en dansen, want we weten toch allang niet meer wat we elkaar nog kunnen vertellen. Of het moet ook over ziektes gaan, dat is een onderwerp dat ons beiden nog kan boeien.
“Henriëtte heeft ook kanker, de sloor.” “Die chemo heeft haar al zeer gedaan.”
Voor de rest zijn we mijlenver van elkaar verwijderd. Ik ben China en jij bent, ik weet niet, één van die eilanden voor de kust van de VS. Het kan me niet echt schelen.

Zal je toch nog tegen me fluisteren, met een stem verzwakt door jaren: “Lieve schat, hou me vast. Al is ons geluk zeldzaam, al is het niet allemaal gegaan zoals we droomden toen we twintig waren. Al is niets zoals we gedroomd hadden. Toch zijn we voor elkaar gemaakt en, verdomme, we zullen bij elkaar blijven tot het einde.”?

Vast niet.

Dit is toch geen leven meer. Het doet al dagenlang pijn en het stopt maar niet. Als het niet steekt dan prikt het en als het niet prikt dan drukt het me plat. Ik vind alles zo ontzettend vervelend. Ik begrijp die jonge mensen niet, met hun muziek, hun gedoe en hun vrolijkheid. Sommige dagen doe ik niets behalve mopperen. De televisie vind ik leuk, die zegt nooit iets terug.

Mijn seksuele appetijt is pijnlijk aanwezig maar mijn bloedcirculatie helaas niet meer.

Jij irriteert me nog het meest van iedereen, ik kan geen woord tegen je zeggen of je begrijpt me verkeerd. Je klaagt erover dat ik nooit tegen je spreek. Ik praat steeds minder. Ik voel me zo vreselijk eenzaam. Bijna iedereen is doodgegaan en zij die nog leven zijn niet meer als vroeger. Ze zijn zo stil, ze klagen aldoor. Maar ik blijf er nog, voorlopig. Het is het leven van de late zestiger.
Laat het nu alsjeblieft niet lang meer duren.

Zal je me vertellen: “Liefste, het is een heerlijke ouwe dag met je. Ook al gaat het soms wat stroef, je bent de enige lichtbron in mijn bestaan en als je voor me weggaat, God mag het verhoeden, zal ik niet veel later zelf wegkwijnen”? Zou je me in de warmte van je gekrompen lichaam koesteren en mijn kruin kussen alsof ik een rozijnenbrood in een oorlog zou zijn?

Vast niet.

Waarom niet? Het zijn maar woorden, eenvoudig om uit te spreken. Maar weet je, ik ben hooggestemd en als je mijn vrouw wil zijn dan mag je niet huichelachtig wezen. Want waar pijn en idealisme wijken komen altijd enkel leugens.