maandag 1 september 2008

Een zeer fijn boekje

Ik heb voor jou gekozen
Een zeer fijn boekje
Het bevat vele letters
En is gemaakt van papier

Ik hoopte dat je het zou willen lezen
En me zou willen zeggen wat je vond maar
als het materiaal te hard was
of de bedrukking veel te gotisch
gooi het dan niet zomaar weg.

Mag ik wel zoveel van je verwachten?

woensdag 13 augustus 2008

Kunstenaar zal Gents museum opblazen.

Volgend jaar wordt een zeer speciaal en imponerend kunstjaar voor het Gentse Stedelijk Museum voor Actuele Kunst, meer gemeenzaam bekend als het SMAK. Hunoot Smith, eigentijds opruier, extra-ordinair grafisch visionair en bohemien pur sang, organiseert in mei 2009 een grote happening waarbij het SMAK tot op de fundamenten vernietigd zal worden.

Wij ontmoeten Hunoot Smith nippend aan een frappuccino in de cafetaria van het SMAK. Na een korte begroeting begint Smith meteen aan een lange klaagzang over het gebrek aan goede frappuccino's in Gent. "Het is een godverdomde schande", zegt hij met zijn typerende Southern states Amerikaans accent, "Je kan hier overal twintig verschillende bieren kopen. Maar een goeie romige koffie is blijkbaar te veel gevraagd. A crying outrage." Wij besluiten maar om een beetje meewarig te lachen, maar voelen met onze knokige ellebogen dat dit geen makkelijk interview zal worden.

Het gevreesde gebeurt. Verscheidene keren tijdens het interview zijn we bang dat Hunoot ons op onze gezichten zal timmeren. Op sommige, al met al vrij banale, vragen reageert de kunstenaar door zijn in zwarte gewaden geklede lijf dreigend en vervaarlijk naar ons toe te buigen en met zijn vinger dreigend in onze richting te wijzen. Smith heeft ook de gewoonte om dreigend vanover zijn zware brilmontuur te kijken met een geringschattende blik om daarop wild en abrupt een donderende vloek te uiten. Ondanks al die vijandelijke tekenen is de man het charisma zelf en we kregen vaak de indruk dat we met een buitengewoon vlotte stofzuigerverkopen aan het spreken waren in plaats van met een gevierd kunstenaar. Het is geen sinecure om een dergelijk man te interviewen en een journalist kan maar beter al zijn truuks gebruiken om enige resultaat te bereiken.
Wij gaan, vervuld van kritische zin, al meteen de mist in en maken deze angstaanjagende man meteen kwaad.

Mister Smith, u bent in Europa nog niet zo bekend, terwijl u in de vs toch al een zeer grote bekendheid verworven hebt. Hoe komt dat denkt u?

Hunoot Smith: I really resent that question, ik heb een hekel aan die vraag. Hoe komt dat? Ja, ik weet het niet. Ben ik een socioloog of zo? Een culturele antropoloog? Ik weet het niet. Misschien zijn Europeanen wat trager. (zwijgt hardnekkig)

Oké, kan u dan zeggen wat er typisch Amerikaans is aan uw werk?

HS: Jesus Christ. Waar hebben ze jou vandaan gehaald? Net van school durf ik te wedden. Nu ja, ik zal je wat sparen en je iets vertellen over mijn werk. Je schrijft tenslotte niet voor een schoolkrantje neem ik aan? Of ga je me straks om mijn lievelingskleur vragen?

Absoluut mister Smith, vertelt u maar over uw werk.

HS: (fijntjes)Leuk dat je zo goed bent om me dat toe te laten! (plots ernstig, over zijn bril heenkijkend) Ik wil allereerst benadrukken dat ik niet zomaar een kunstenaar ben. In dit tijdperk van technische reproduceerbaarheid kan iedereen een kunstenaar zijn. Een kunstenaar zijn is banaal geworden. Iedereen kan een Michelangelo zijn en ik vermoed dat zelfs Leonardo Davinci de dag van vandaag geen groot succes zou hebben, of dat hij niet als buitengewoon beschouwd zou worden. Wat ik ben is iets geheel en al unieks. Ik heb eigenlijk meer gemeen met een terrorist dan met een kunstenaar. Terroristen hebben natuurlijk geen abstract conceptueel kader. Ze hebben geen benul, kennen vernietiging maar hebben geen kennis op zich. Dat heb ik voor op hen, voor het overige zijn we hetzelfde.

Hoe zou u uw werk omschrijven?

HS: Het is belangrijk dat je als je aan immens belangrijke projecten zoals de mijne werkt eerst jezelf omschrijft en dan pas je werk. Je legitimeert eerst je werk, je vertelt over je invloeden, helemaal op het einde ga je je kunst omschrijven. Het omschrijven van de kunst kan pas als alle zelfreferentiële beschrijving helemaal uitgedoofd is. Ik houd echt niet van die laatste fase. Maar het publiek vraagt erom, en je kan ze niet aan de kunstcritici overlaten, die weten niets.

Hoe zou u zichzelf dan omschrijven?

HS: Ik ben de engel des doods. (zwijgt, kijkt ons zeer indringend aan)

Meent u dat? U maakt een grapje nu?

HS: Ik maak nooit grapjes jongen. Ik weet dat ik de reïncarnatie van de engel des doods ben. Eigenlijk interesseert het me niet wat iemand anders daarvan denkt. Al wat ik zeker weet is dat ik een zekere taak te vervullen heb. Ik weet ook dat ik die taak binnen een legaal kader wil vervullen. De kunst heeft me dat kader geboden. De kunst is een vloek en een grote zegen.

Maar u doodt toch helemaal geen mensen? U bombardeert lege gebouwen.

HS: Dat klopt. Maar door de aard van de werkelijkheid waarin we leven zou het even goed zo kunnen zijn dat ik werkelijk gebouwen met mensen erin opblaas. Alleen zijn ze toevallig leeg. Voor een visionair is dat natuurlijk een enorme trivialiteit.

Hoe is de aard van de werkelijkheid dan veranderd? Een boom is toch nog een boom, een gebouw is een gebouw...

HS: (Hevig) Alleen voor het ongeoefende oog! Nee, de werkelijkheid is de laatste dertig jaar enorm veranderd. Het idee van de omdraaiing, de perversie van het alledaagse kwam voor het eerst bij me op toen ik jaren geleden een boek van Baudrillard (Franse filosoof en socioloog, nvda) over het simulacrum las. Het simulacrum houdt in dat we niet meer kunnen onderscheiden tussen werkelijkheid en illusie. Een gameshow werd plots even reëel en imminent als de oorlog in Vietnam of Irak. Dat betekent dat het gegeven dat mensen massaal sterven ergens ver hier vandaan, dat heel dat gegeven helemaal niet ernstig meer wordt genomen. Zoveel is duidelijk. Maar toen kreeg ik plots een ingeving, vanuit die triviale gedachte. Als doden niet serieus meer is, dan wordt niet-doden opeens uiterst ernstig. De enige voorwaarde voor de ernst is dat het uiterlijk van een dodelijke actie vervuld is. Een actie moet voldoen aan externe criteria om ernstig te worden, de interne criteria worden daarbij geheel overbodig. Een evenement zoals het bombarderen van een architecturale structuur, want ik spreek liever over evenement dan over happening, is een ideale gelegenheid om een extern dodelijk spektakel met een zeer grote ernst aan te vatten.

Wat vindt u van de reactie van uw goede vriend Karl-Heinz Stockhauzen (bekende klassieke componist nvda) op de tragedie van 9/11 in New-York?

HS: Wat zei Karl-Heinz alweer?

Hij vond de ontploffingen en de instortingen het meest schitterende spektakel dat hij ooit gezien had.

HS:(lacht)Ja, dat klinkt als Karl-Heinz. Hij heeft ongetwijfeld gelijk. Het was een onevenaarbaar spektakel. Ik ben maar een knoeier.

Vindt u het dan niet vreselijk voor al die slachtoffer die er gevallen zijn?

HS: (zwijgt een volle minuut) Ja. Ergens wel. Mijn menselijke kant vindt dat allemaal verschrikkelijk. God verbiede dat iemand die ik kende onder de slachtoffers geweest zou zijn. Maar ik heb al duidelijk gemaakt dat ik ook een andere kant heb, een minder empathisch individu, het is misschien een duistere zijde, een zijde met een duidelijke missie.

De dood simuleren...

HS: Niet helemaal. Mijn opdracht ligt bij de ontvangst, bij de spektakeltoeschouwer. Als hij gelooft dat er iets ernstigs, iets tragisch voorgevallen is, heb ik mijn doel bereikt.

U gaat nu het SMAK bombarderen. Hoe gaat dat in zijn werk?


HS: Van de grootste militaire luchthaven, ik weet niet precies waar precies in België die ligt, stijgt er om 1400 uur een B-52 op. Het vliegtuig zal rond kwart na 2 boven de bombspot, in dit geval het SMAK in Gent, zijn. Daarop cirkelt het vliegtuig nog een tijdje rond. Om 1500 uur exact, of op het negende uur volgens de bijbel, dropt de crew een bom van 500 kg op het SMAK. Het directe gevolg hiervan zal zijn dat het SMAK en een deel van de omringende vegetatie, er is daar één of ander parkje in de buurt, volledig in de vlammen zal opgaan.

Is dat veilig voor de omringende bewoners?

HS: Het is veilig genoeg. Maar je kan je niet voorstellen welke immense bergen papierwerk er dienen verzet te worden om toestemmingen voor alles te krijgen. Mensen, of beter ambtenaren, begrijpen ook dikwijls helemaal niet waar ik mee bezig ben. (zucht) Dat kan soms zeer frustrerend zijn. Maar ik verwacht dat we ook dit 140e bombardement tot een goed einde zullen brengen.

Hoe bent u eigenlijk bij het SMAK gekomen.

HS: De conservator van dat museum, mister Jan Hoet, heeft me in feite zelf opgebeld. Die man is een zeer groot fan van me. (lacht) Ik ontmoette hem voor het eerst toen ik jaren geleden een verlaten fabrieksloods in de buurt van Bilbao gebombardeerd heb. We zijn aan de praat geraakt en toen zijn de eerste plannen eigenlijk ontstaan. Maar ergens, along the way, zijn we het contact verloren. Ik kreeg het plots zeer druk, mocht overal ter wereld bommen gaan smijten. Toen het SMAK enkele jaren geleden in de schulden was gekomen heeft Jan me opnieuw opgebeld. Maar toen achtte ik de situatie niet ideaal. Wie wil er immers een verlieslatend gebouw bombarderen? Dat is zo nietszeggend. Nu is de situatie oneindig veel beter.

Is dat zo? Er bestaan geruchten dat het SMAK nu niet echt een goudmijn is. Dat Hoet weer met zware financiële problemen worstelt.

HS: Dat lijken me ongegronde speculaties. Ik heb de cijfers gezien. Het SMAK is kerngezond. Kerngezond en klaar om in duizenden stukken geblazen te worden. (lacht)

We kunnen alvast niet wachten tot het zover is. Hartelijk bedankt voor dit gesprek.

HS: Ja.

vrijdag 1 augustus 2008

Een levenslange begoocheling

Wij, uw mondane en welbespraakte held en toeverlaat in deze wereld, wonen sinds kort in een vijf-sterrengemeente. Althans zo heeft het productiehuis Sultan Sushi in nauwe samenwerking met de vrt onlangs bepaald. Wij, deze keer geen held maar Hammenaren, en ik reken mezelf voor de gemakkelijkheid maar tot de gelederen van de Hamse bevolking, slaagden immers met glans voor alle 'uitdagingen' van het vrt-programma Fata Morgana. Wel la-di-da, aanhoor mijn snedige vreugdezang.

Geef een groep mensen een cameraploeg, een opdracht en bovenal geen budget en laat ze, high op de golven van het wij-kunnen-het-groepsgevoel, alles zelf verwezenlijken. Dat is, in enkele woorden, het concept van Fata Morgana. Voor de televisiemaker is dat een ideaal scenario. Je hebt immers geen tientallen mensen, geen maanden voorbereiding en bovenal bijna geen budget nodig om je programma te kunnen maken, wat toch veeleer een uitzondering is in de wereld van de zogenaamde kwaliteitstelevisie. Je bedenkt een dom thema, zoekt naar enkele dwaze opdrachten en je belt een paar mensen die mee zouden kunnen helpen op en klaar is kees. Een nieuwe uitzending, klaar om op te nemen, is geboren.

Bovendien kan je je gierigheid en creatieve luiheid als televisiemaker op een zeer sterke manier rechtvaardigen. "Door beroep te doen op de solidariteit en de betrokkenheid van de man in de straat gaan we immers de verzuring in de maatschappij tegen", alzo spreekt de beeldenpingelaar. Hevig geknik van bovenaf, van het bestuur, van de goedbedoelende wandelende portefeuilles die, wat media en cultuur betreft, al lang alle visie verloren hebben. Van het feit dat de domme koppen van Stef Goossens en Geena Lisa mij spontaan doen verzuren zal ik hier niet eens een punt maken. Laat ons het fenomeen dat goedbedoelende, onbetaalde lieden fiks betaalde en hevig winstgevende televisie maken de proletarisering van de televisiecultuur noemen. Proletarisering, want het gaat hier om mensen die hun gezichten, lichamen, stemmen en vaardigheden voor de haast symbolische som van enkele seconden televisietijd verpatsen.

Televisiecultuur, want ondanks alle vooruitstrevende nieuwe technologie die ons op het internet wordt aangeboden, blijft de televisie het dominante discours bepalen.

De uitzending was, voor de niet-hammenaar, vooral een potje goeie ouderwetse uitlachtelevisie. De air van serieux en van wij-kunnen-het-verabsolutering sluitte elke mogelijkheid van relativering uit en zorgde ervoor dat we, een tijdje in de uitzending, naar 'In de Gloria' in het echt zaten te kijken.

We kunnen allemaal samen jodelen, we kunnen allemaal samen billenkletsen met lederhosen aan, we kunnen een blokhut bouwen, we kunnen een rodelbaan maken, ... wat dan ook. Elke opdracht was even klef, onnozel en smakeloos en werd desalniettemin door het gros van de gemeentelijke bevolking uiterst serieus genomen. We kunnen hen dat uiteraard niet kwalijk nemen. De ware leider des landes, niet Leterme of Reynders, de potentaat Nationale Televisie, heeft gesproken en wij hebben maar te volgen.

Wat heeft het ons nu allemaal bijgebracht, mijn lieve Hammenaren? We hebben nu een berghut in ons park. Schitterend. De rödelbaan wordt binnenkort naar verluidt weer afgebroken. Veel mensen houden waarschijnlijk een mooie herinnering aan het hele gebeuren over, ze zijn immers twee seconden in beeld geweest, hebben dicht bij Geena Lisa gestaan of wat dan ook. Dat is leuk, alleen jammer dat die leuke herinnering met nationale spot gepaard diende te gaan.

Fata morgana heeft alvast een hoop trouwe kijkers gewonnen. We merken binnenkort vast op dat die gemeente na ons toch maar een hoop gedegenereerde debielen bevat, in vergelijking met ons. "Met de Hamse bravoure kunnen de luiden van plaats X zich toch echt niet meten." Natuurlijk denkt iedereen in elke gemeente die ooit al heeft meegedaan exact die gedachte. Verzuring tegengaan, tribalisme stimuleren, zo heet het dan voluit. Vergeef me als ik niet begrijp wat daar zo schitterend aan is. Moslimterroristen zijn ook niet verzuurd, maar dikwijls zeer tribaal.

Laten we nu maar wat dansen, wild in de rondte, voor de verveling komt en ons allen opknabbelt.

woensdag 16 juli 2008

Nog even en het is alweer 21 juli.

Wij hebben, in alle eerlijkheid, geen zin om erover te lezen en geen lust om er nog bezig mee te zijn, met die hele communautair geïnspireerde nationale crisis, of hoe je deze impasse ook dient benoemen. Maar omdat velen onder jullie dit weekend op fattenfeesten onder het vreten van walgelijk veel beluga-kaviaar, het drinken van sloten Bourgondische wijnen en het uitslurpen van dozijnen oesters toch een mening wensen te verkondigen zal jullie opiniemaker hier zeer summier vertellen wat jullie moeten denken.

Ten eerste, wat de politieke clowns van de Standaard ook beweren, het ontslag van onze lieve eerste minister is niet onverwacht, schokkend of ook maar enigzins interessant. 15 Juli was de deadline waarnaar Yves was verwezen na de loodgieterstruuks van de afgelopen maanden. Was er werkelijk iemand die dacht dat de slappe en ongeïnspireerde figuur Leterme aan het hoofd van de slappe en ongeïnspireerde interimregering, want meer was er nooit, de problemen die al sinds het vastleggen van de taalgrens in 1962 bestaan gingen oplossen? Ik niet alvast. Dus fuck you Guy Tegenbos, als je beweert dat er ook maar iets onverwachts is aan het opstappen van Leterme kan je beter houthakker worden in Vancouver. In Canada, toch een zeer wijds land, is er naar verluidt plaats genoeg voor je egogereide en onnozele uitlatingen.

Ten tweede, in onze media vertelt men dat buitenlandse kranten die onze problemen niet begrijpen een tendentieuze versie van de feiten brengen. Oh ja? Laten we dat eens bekijken.
In de Guardian lees ik als titel; "Belgium goes to war with itself". Nogal sterk verwoord, maar wel accuraat.
Dan; "This is not about linguistic but deep-rooted cultural, economic and political differences in a country that was a proponent of a united federal Europe. Flanders, home to 6.5 million , has surpassed Wallonia, home to 3.5 million, in terms of economic output over the past 20 years and can boast a GDP per head of 124% of the EU average compared with just 90%. Its modernised "creative" economy generates 65% of Belgium's GDP."
Lijkt me behoorlijk hard te kloppen. Als je hier in België zelf dergelijke dingen zegt wordt dat natuurlijk onmiddelijk afgeschilderd als Vlaams-nationalistische slander. Maar een waarheid is, hoe je ze ook draait of keert, een waarheid en cijfers liegen niet, zoals het adagium gaat.

Willen we liever sofisme in plaats van waarheid? In de Standaard vandaag vertelt Cd&v boegbeeld Marianne Thyssen:
'We zoeken nu naar een formule waarin we ons ervan kunnen verzekeren dat er een sociaal-economisch beleid kan worden gevoerd, maar waarin we ons er tegelijk van kunnen verzekeren dat we een stevige staatshervorming krijgen'
Sociaal-economisch is het sussende toverwoord voor de Waalse en Vlaamse belligerenten en apaesementzoekers. Staatshervorming komt dan blijkbaar toch weer op de tweede plaats. Vreemd, ik en de mijnen dachten nochtans dat het daar in de eerste plaats wel om draaide? We vergissen ons vast!

Ik geef niets om Vlaanderen, ik geef niets om Wallonië en ik geef ook niets om Brussel en België kan wat mij betreft barsten. Inderdaad zijn sociaal-economische thema's veel belangrijker. Maar ik begrijp het, en de buitenlandse media met mij, nog steeds allemaal niet goed. Waarom kunnen we Brussel niet uitbreiden, de tweetalige gemeenschap in België niet openrekken? Wat is er dan plots gebeurd met al dat gepraat over toenadering tot Europa? Al dat tribalisme en antitribalisme lijkt me behoorlijk in tegenspraak te zijn met het idee van een verenigde Europese bond waar zowel Imannuel Kant als Monnet al naar uitkeken. Kunnen we deze onzin, dit gerommel in de marge niet achter ons laten? Het gaat om miljoenentransfers, maar wat zijn miljoenentransfers op een internationale schaal. Peanuts.

donderdag 3 juli 2008

Brief van Dokter V.

Beste F.

Nu we niet meer in een vertrouwelijke relatie met elkaar staan, nu we niet langer door mijn beroepseed gebonden zijn aan bepaalde deontologische codes kan ik je wel toegeven dat ik helemaal ondersteboven geblazen was van je scherpe geest en je fijne gevoel voor ironie. Ik ga onze gesprekken, ook al vonden ze plaats in zo'n strak therapeutisch kader, erg missen. Ik ga je alle dagen missen nu. Mocht jij tien jaren jonger zijn en ik, ongebonden, vrij van kinderen en man, en zonder die vervelende reputatie, dan... Ik weet het eigenlijk niet, ik kan me enkel voorstellen dat ik moederlijk over je bolletje wrijf. Jij hebt waarschijnlijk nood aan harde pompende begeerte, strakke lijven, blowjobs, zweet, dildo's misschien. Ik ben een seksueel wezen, maar hoe kunnen dergelijke dingen onze relatie nu niet kapotmaken? Ik ben, zoals je ooit eens opmerkte, een hopeloze platoniste. Ik ben ook een hopeloze pathetica, je zal me vergeven, want jij bent het zelf ook.

Je was helemaal zonder hoop toen je met me kwam praten. Je wilde vooral horen hoe uniek je situatie was. 'Mijn persoonlijke dalen en eenzame hoogten', noemde je ze. Ik kon je nooit de troost geven dat je zo uniek was, de DSM, de statistische handleiding voor de psychiatrie, verbiedt me dat. Nu geef ik je de troost dat je uniek bent. Niemand is op een sterkere manier bij me binnengedrongen dan jij. Maar laat ons even de pathetiek laten voor wat hij is. Je vroeg me wat ik deed, wie ik was, je zocht naar een opening om me te kunnen verleiden. Gezien je voorgeschiedenis en je vele promiscuiteitsproblemen kon ik er toen niet op ingaan. Nu, met dit schrijven, loop ik het vreselijke risico dat ik je genezing vertraag, afrem of zelfs teniet doe. Maar hoe egoïstisch het ook mag klinken, ik heb liever dat je niet geneest en me gekend hebt, dan dat je geneest en ik voor jou onbekend blijf.

Ik zal even antwoorden op je meest terugkerende vragen.

Ik ben 38 jaar oud, ik heb twee kinderen, een meisje en een jongen. Ik ben geen natuurlijke blondine. David Bowie, the Cure en Chopin draaien het meest in mijn cd-speler in de wagen. Ik ben getrouwd met een 42-jarige bankier. ons seksleven is goed, in de gangbare betekenis voor getrouwde mensen. Ik ben nooit echt verliefd op hem geweest, maar hij begrijpt me. Ik heb 8 seksuele partners gehad. Drie jaar geleden had ik een korte relatie met een chirurg in het ziekenhuis waar ik werkte. Ik was me ervan bewust dat hij een smeerlap was, maar ik had nood aan de opwinding. Ik wilde de lust voelen. Ik denk niet dat ik mijn man ooit nog de hoorndrager zal maken nu. Of: dat ik een andere man zal neuken.

Toen je me dat verhaal vertelde over hoe je de wereld langzaam zag veranderen, hoe ze donkerder werd, zoveel triestiger, toen je van je tienerjaren naar je twintigerjaren overging, dat was zo herkenbaar. Je zei dat het was alsof de aspirine die de knagende hoofdpijn op de achtergrond jarenlang tegenhield nu niet meer werkte. De drillende en borende pijnen in je sinussen worden er niet minder op, dat wilde ik je vertellen, maar negativiteit en pessimisme is me niet toegestaan, maar het wordt wel even beter. Tot de ouderdom je neerslaat.

Je sprak over ouderdom en jeugd, en over de vele parallellen daartussen. Je zou het je stokpaardje kunnen noemen, maar ik heb nooit gehouden van het beeld van een paard gereduceerd tot stok, tussen de benen van een of andere onfortuinlijke mens gekneld. Dat is te triestig, het doet geen eer aan. Laten we het erop houden dat je veel nadacht over oud zijn, zoals typisch is voor jonge mensen. Ik geloof dat wij, die al een dagje ouder worden, daar veel minder over nadenken. We denken sowieso veel minder. Ik denk dat de belangrijkste parallel tussen de oudere en de jongere zijn absolute afkeer voor het nuttige is. Wat ben je met nut, met die banaliteit, wanneer je al je grote gevoelens wil meemaken. Wanneer je wil leven? Zo gaat het met de jongere. En wat doet nut ertoe wanneer je oud en ziek bent en de dood om elke hoek loert? Maken jullie maar auto's met betere motoren en economischer brandstofverbruik, ik kan hoogstens nog als brandstof dienen, maar ik ben er niet mee gebaat.

In het begin van je therapie baatte er niets. De SSRI's, die je serotonine weer op een behoorlijke manier aan het werk dienden te krijgen, deden geen mirakels voor je. Je leek me één van die hopeloze gevallen te zijn, jong, lui, verwend door zijn eigen inactiviteit en hopeloos pessimistisch. Een geschiedenis van depressie in je familie daarbovenop en je geval was in de eerste tien minuten van ons gesprek al uitgeklaard. Manisch-depressief met histrionische borderline persoonlijkheidsstoornis, Lexapro en praattherapie. Honderden, wat zeg ik duizenden, euro's uit de zakken van je ouders kwamen mijn weg uit. En alles was goed in de wereld. Dinsdag Yoga, donderdag kookles, elke twee weken op stap met mijn twee hartsvriendinnen, elke maand een wip met mijn lieve man. Verder: de kinderen, een huisje in het zuiden, sporadische bezoeken aan mijn snel ouder wordende ouders.
Nog: een diep, diep gevoel van ontevredenheid. Huilbuien. Betekenisloosheid.

Nooit heb ik tegen een patiënt willen schreeuwen. Altijd ben ik de meesteres van mijn spel geweest. Maar niet bij jou. Er ontwikkelde zich langzamerhand een semantiek tussen ons, een intiem spel van betekenissen. Ik betrapte mezelf voortdurend op projectie. Ik begon te geloven dat ik van je hield. Maar ik hield mijn kaken stijf op elkaar geklemd.

Wanneer gebeurde dat? Wanneer werd je van dossiernummer 01786 tot mijn betekenissysteem in deze donkere wereld gepromoveerd?

Het regende, je zat kletsnat in de wachtkamer. Je had geen enkele poging ondernomen om jezelf af te drogen. Je las in een roman, je hoorde me niet binnenkomen. "F.", riep ik. Je keek op naar mijn gezicht, je ogen flikkerden, je glimlachte, je kreeg rimpeltjes rond je mond, je stootte een proestend geluid uit. Een zeer vreemd tafereel gezien je zware depressie. Dat proesten, die blik, je gezicht zelfs, het ging dwars door me heen, als de stralen van een of ander kwaadaardig MRI-toestel met mystieke krachten. Even later, in mijn consultatieruimte vertelde je me over één van je zelfmoordfantasieën. Die fantasieën, die bij zo ongeveer elke depressieve patiënt voorkomen, bestaan uit een lange vervelende keten van monotone elementen. Iedereen huilt steevast op de begrafenis, men is ontsteld wanneer men het lijkt vindt, de naasten kunnen een hele tijd niet meer functioneren. Eén uitverkoren persoon denkt eraan om zich van het leven te beroven, hij/zij zal na de dood van de zelfmoordenaar nooit nog een relatie kunnen hebben. Het is een wanhopige poging om de loop van de geschiedenis te beïnvloeden, om zich even belangrijk te voelen. Die waanbeelden zijn strontvervelend voor elke psychiater die een tijdje in het vak zit.

Wat mezelf betreft, zonder me te verschuilen achter de algemeenheden van mijn vak: alle verbale betekenissen zijn banaal. Woorden zijn strontvervelend. Alles is al eens gezegd. "Ik hou van je", "ik hou ook van je." Wat betekent het allemaal? Er is geen verband meer met de werkelijkheid, ik hou van je wil enkel nog zeggen "je bent van mij". "Je vader is gestorven", ergens zit ik daar op te wachten, want het zou de realiteit zijn. Mijn collega's zouden een hele kluif hebben aan iemand die zulke woorden uitspreekt.

Maar ik hield van je toen je tegen me sprak die dag. Ik gloeide. Ik wilde je mijn schoot aanbieden, je omhelzen, weet ik wat nog. Waarom deed ik dat niet? Ik zie geen enkele reden meer. Geen enkel motief van dat moment klopt nog. Nu ik zo zeker weet dat ik je niet meer zal zien, voel ik alleen nog mijn gedachteloze begeerte.

Ik wil je graag vragen of we een namiddag samen op bed kunnen liggen, of we een luie zondag samen door de stad kunnen flaneren. Waarschijnlijk kunnen we dat, maar ik kan het niet. Dat is een zeer jammere zaak.

voor altijd de jouwe
V.

donderdag 26 juni 2008

Een apologie van de hippie


Ze lopen door de straten van onze steden, vaak hebben ze lange haren of dreadlocks, niet zelden zijn ze omringd door roedels bloeddorstige honden, veelal roken ze cannabis of drinken ze pils van één of ander ranzig merk. Ze zijn blootsvoets, waardoor hun voetzolen een esthetische verschrikking zijn en waardoor ze met een wekelijkse frequentie wonden oplopen tot de eelt op hun voeten dik genoeg is om zich niet langer te bezeren. Wie zijn deze blootvoetse helden? En waarom zijn we, ondanks hun duidelijke gebreken, toch op hen gesteld? Een apologie van de hippie.

Laten we maar meteen de Freudiaanse toer opgaan, je moet die onzinnige theoretische analysedingen niet te hard tegen proberen te houden, want dat lukt toch niet. Als obscene wortels penetreren ze mijn gedachten en dringen ze zich in mijn geest. Dus full blown! Onstabiele vergelijkingen met de kindertijd maken, oraliteit, analiteit, al die bullshit. Laat het er ons voorlopig op houden dat een hippie eigenlijk een groot kind is. Hij/zij doet voortdurend zijn zin, aanvaardt geen gezag en tast alle grenzen af. Vaak leven hippies zich ook op een zeer kinderachtige manier uit in hun infantiele en dwaze activiteiten. Het slaan op een djembe of het jongleren met stokjes, het gitaar spelen en het werpen van frisbees: het zijn allemaal activiteiten die door de hippie met zijn onmatige passie en kinderlijke geworpenheid een onpeilbare diepte en loodzware gewichtigheid krijgen. Wie kan er naar zoveel enthousiasme kijken en niet helemaal verloren gaan van vertedering? Dat is een eerste verklarende factor voor die onbegrijpelijke affectie die we voelen voor hippies, meer nog dan echte kinderen herinneren ze ons aan het kind in ons.

De tweede verklaring is jammer genoeg minder fraai voor de mensheid en zijn edele aard. We haten ze; die patsers met hun grote auto's, hun strakke pakken, hun flashy infotelematica-spullen en hun blonde vrouwen met tit-jobs. Zeker als je zelf in een Volkswagentje van 15 jaar oud rijdt, je jezelf alleen op flodderige t-shirts kan trakteren, je een lego-achtige gsm van nokia hebt, je laptop een kartonnen doos is en je vriendin een kartonnen doos heeft. Dan is het zoveel leuker om jezelf met de vrolijke vagebonden van de straat, de nietsvermoedende dwaze hippies te vergelijken. Wat steken we succesvol en geslaagd uit in het contrast met hen. De sociale pikorde begint met hen, ze komen maar net boven de bagladies uit. De hippie heeft soms zelfs geen schoenen, zijn t-shirts ruiken kwalijk, rieken zou je kunnen zeggen, zijn haren zijn altijd vuil, hij heeft geen auto en zelfs geen fiets, zijn laptop is beplakt met belachelijk kleurrijke stickers en zijn gsm zit in een rieten hoesje. De affectie voor onze gedreadlockte medemens is dus, naast bovenstaande verklaring over het kind, grotendeels te wijten aan neerwaartse sociale vergelijkingen. Mensen zijn vuile, clueloze wezens, ze vloeken en ze haten en wanneer het vergelijken stopt voelen ze zich leeg en melancholisch. Op het einde van hun leven zien ze hun banale strevens in de ogen en sterven ze een in een puf van zinloze angst en leeg geschrei. But it sure beats being a refrigerator.

vrijdag 20 juni 2008

Taalpuriteinen

Vreselijk vind ik het. Eerst shrijf je een inspirerend en bovendien zeer komisch stuk vol gekke witsen en dolle fratsen van het genre 'een brandende zak' met stront. Je levert het stuk in waarna een eindredacteur ermee aan de slag gaat. Eindredacteur in Vlaanderen, dat wil zeggen in het Bargoens: een semi-autistische Germanist die geen kloten geeft om inhoud en humor en die je stuk reduceert tot een zeer correct maar aride landschap. "Motherfucker!", denk ik dan.

On toch even enige nuance in te lassen, eindredacteurs zijn een broodnodig gegeven. Als je eens rondkijkt op de verschillende blogs op het internet zie je dat al heel vlug in. Sommige taalfouten zijn echt lelijk, storend en maken een eenduidige interpretatie van een tekst onmogelijk. Maar als ik, uit naam van de ironie, bepaalde uitdrukkingen wens te gebruiken die nogal omslachtig zijn, dan vind ik de bemoeienissen van zo'n eindredacteur opeens onuitstaanbaar.

Het lijkt me, en ik heb hier uiteraard geen enkele empirisch bewijs voor, dat er in onze buurlanden landen geen situatie heerst die met onze Vlaamse patstelling te vergelijken is. Wanneer spitse Britten hun pennen in een absurdistisch spervuur van neologismen willen dopen is er niets aan de hand. De eindredacteuren doen er wat ze dienen te doen, verbeteringen aanbrengen in de stijl, spelling en in het metrum. Ze zuigen niet alle creativiteit uit de teksten. In Frankrijk is de situatie nog sterker, de postmoderniteit werd er uitgevonden, en je kan geen postmoderniteit zeggen zonder neologismen te schreeuwen. Zo kan ik wel nog een tijdje door.

Een hele tijd geleden nam ik deel aan een schrijfwedstrijd voor jong talent. De Nederlandse organisatoren deden daar zeer smalend over het 'niveau' van de Belgische inzendingen. De inzendingen stonden vol taalfouten, onbegrijpelijke woorden en waren over het algemeen maar povertjes, aldus de organisatie. Ik dacht meteen: "Lijkt me vreemd? Zijn we dan werkelijk zo ongetalenteerd?"
Het antwoord kwam toen de winnaar werd aangekondigd. Inderdaad, de jongeman barstte van het talent en had veel literaire stijl. Desondanks klonk zijn schrijfsel toch wel zeer noord-Nederlands, en hoewel de man een Antwerpse achtergrond had, kon je daar niets van terugvinden in zijn 'creatie'. De Nederlandse luiden smulden ervan en ik kon mijn irritatie niet meer verbergen en begon dingen te schreeuwen. "Puik" en "Naatje" en meer van die dingen. Ik was niet de populairste gesprekspartner tijden de fuif achteraf. Het zij zo.

Maar wie bepaalt er eigenlijk wat er correct is op talig vlak? De Nederlandse Taalunie is een samenwerking van Vlaamse en Nederlandse taalorganisaties. Als de Nederlandse Taalunie 'spring' zegt, zeg je vlekkeloos Nederlands 'hoe hoog?'. Ik vind zo'n samenwerking een zeer absurd gegeven. Iedereen weet dat een taal met verschillende snelheden evolueert in verschillende culturele invloedsferen. Hierdoor lijkt het soms dat Vlamingen en Nederlanders, hoewel hun talen grotendeels onderling intelligibel zijn, toch een andere taal spreken. Hele generaties Germanisten zijn volledig aan dit feit voorbijgegaan, gebrainwashed door de autoriteit van de grote noord-Nederlandse Taalunie.

Vandaag de dag lijken de Germanisten meer en meer hun standpunt te wijzigen en wordt de identiteit van de Vlaamse taal verder en verder uit het vagevuur van de miskenning gehaald. Binnenkort worden we misschien zelfs niet meer met een scheef oog bekeken wanneer we zeggen "Ik spreek Vlaams". Maar er is nog een hele weg af te leggen.

De Engelse taal schrijdt intussen voort, een linguistische demarche die nog steeds zijn hoogtepunt nog niet bereikt heeft. Ik merk bij mezelf op dat de invloed hiervan onmiskenbaar zich onmiskenbaar laat gelden in zijn taalgebruik? Is daar eigenlijk iets mis mee? "Barbarisme! Barbarisme!", schreeuwen taalpuriteinen. En oh wee wanneer je leentjebuur speelt bij de Franse taal, die immer dominante bedreiging voor onze Nederlandse taal. De Fransen willen via de taal immers de zuidergrens van Vlaanderen verleggen, in ons taalgebied oprukken en onzer culturele identiteit onderdrukken als de barbaarse honden die ze zijn. Overdreven voorstelling van de houding van veel Vlaamse filologen? Nauwelijks.

Kunnen we hier in Vlaanderen niet een keertje van onder onze kerktoren komen en onze taal, als het vloeibare vehikel dat ze is, zich in al haar pracht laten ontplooien tot een nieuwe kristalijne verschijningsvorm? Vast wel, want dergelijke dingen houd je toch niet tegen. Er zal dan wel weer een heleboel gezeik aan te pas moeten komen.
Ik kijk er al naar uit.